Antillia

Wij herkennen het verhaal.
De warme wind waait door de haren zoals de golven door de zee gekoesterd worden, zoals de woorden aan de ruimte tussen de zachte lijnen worden toevertrouwd.
Goed wonen is het hier, thuiskomen in vertrouwde haven.
En op en neer gaan wij en heen en weer, telkens opnieuw.
Verbaasd om zoveel strelen, en dan lopen wij, gekruld zijn onze zinnen, neigend naar elkaar.
De haren als een pels zijn wit, zij rusten, rusten in de warme wind gedragen door de jaren uit verre continenten.
Als specerijen zijn ze aangebracht.
Hier heb ik van gedroomd.
Van vogels die op het donkere hout een rustplaats zoeken, even komen aangevlogen terwijl ik speel met vuur, en stuur, ik stuur een rooksignaal naar sterren en ik voel me met een één verbonden.
En tellen hoeft niet meer.
Ik neem het alles eender, ik verdrink in letters en speel een woordenspel.
De boot vaart uit.
Soldaten zijn reeds lang vergeten.
Hou van me want zo heb ik je lief.
Een niet vergeten zal een eeuwigheid in druppels zijn.
En jullie, jullie allen kijken toe hoe ik verdrink.
Enkel het drinken zal ons dra verbinden.
Het wordt warmer.
Luister dan mee, luister dan mee om te vertellen.
En één en twee en drie. Wie zal het zeggen? Wie zal ons dragen?
Niet één keer heb ik nagedacht.
Niet één keer heb ik de woorden uitgesproken zonder het denken op te geven.
Wij dansen in de cirkel en wij treden niet naar buiten in dit licht.
Zoals de warme wind door onze haren waait, zo heb ik haar verloren.