Zwarte Engel

 

Alles moest volgens de tekens van het ogenblik overeenstemmen. De garage werd een primitieve opnamestudio. Hij voelde zich verbonden met alles rondom hem, een groeiend besef dat het klopte, meer en meer. Alle kanalen stonden open. Hij werd het medium, de centrale waar alle lijnen samenkwam. Buiten was het al donker. Hij had de gordijnen geopend en zag nog licht bij zijn buurman. Vast en zeker een aansporing om het werk goed te doen, om eindelijk het masker af te zetten, eindelijk te geloven dat hij het was. Je bent niet alleen, maar je moet het wel zelf doen. Woensdagnacht. De microfoon gekoppeld aan het mengpaneel richtte hij naar boven als een tweerichtingsantenne zodat zijn ruimte aangesloten werd op een onzichtbaar universeel netwerk waarvan hij tegelijkertijd spreekbuis en ontvanger werd. Een sterrenhemel van kaarsen zorgde voor bescherming. Eén rode noveenkaars opgehangen in een touwenmandje had hij aan een plafondbalk vastgeknoopt. Af en toe voelde hij een rilling die zijn hart sneller deed kloppen. Hij verwachtte de zwarte engel ieder ogenblik, het was alsof hij zijn aanwezigheid kon voelen. Vlakbij de deur plaatste hij daarom een blikken koekjesdoos die hij had volgeplast. Ernaast een gekantelde cd-speler, de lade uitgeschoven, als een aanvalswapen, of teken van zijn mannelijkheid. In de linkerhoek van de kamer stond een draagbaar zwart-wit tv’tje afgestemd op MTV, soms was het scherm wazig, dan weer scherp, beelden flitsten als een dia-apparaat in sneltempo. Hij probeerde de boodschap ervan te doorgronden. Regelmatig liep hij het huis binnen. Hij verwonderde zich over de aanwezigheid van zijn schoonbroer. Hij begon met hem een gesprek over de steeds duurdere elektriciteitsrekeningen. Misschien was er ergens een verlies? Boven de achterdeur van het huis bevond zich namelijk een niet-afgeschermde leiding die gevaarlijk roestte. Hij liep snel naar de garage om uit de gezinsboekhouding alle elektriciteitsfacturen van de laatste jaren te halen en toonde ze aan zijn schoonbroer. Er was inderdaad een opmerkelijke stijging in het verbruik merkbaar. Hij voelde opnieuw een rilling. Ook hier was de zwarte engel aan het werk geweest dacht hij. Hij keek zijn schoonbroer recht in de ogen en vertrok zijn gezicht gedurende enkele seconden door zijn mond wijd open te sperren, als een afschuwelijke scheur om onmiddellijk daarna zijn gelaat in de normale plooi te leggen. Een oerschreeuw zonder klank. Hij wou hem een spiegel aanbieden van het leed van de wereld, de pijn van het universum die hij in zich voelde. In hem was plots een versteende, verloren gewaande dimensie tot leven gekomen, een tijdruimtepoort waarvan hij de aanwezigen de sleutel aanbood. Hij herhaalde dit ritueel enkele malen, tussendoor nog steeds over de elektriciteitsproblemen en de financiële gevolgen ervan verder pratend. Zijn vrouw zat zwijgend aan de andere kant van de tafel. Hij was zich bewust van haar aanwezigheid, af en toe wierp hij haar ook dezelfde grimas toe. Zou zij de betekenis ervan begrijpen? Hij besloot opnieuw naar de garage te vertrekken, om zich verder bezig te houden met het in overeenstemming brengen van alle tekens. Toen hij daarna nogmaals het huis binnenging herhaalde het voorgaande ritueel zich. Hij voelde hoe alle remmingen wegvielen en vertelde over zijn wandelingen op het kerkhof aan de overkant van het huis en de verbondenheid die hij soms voelde met de overledenen (sommigen hadden dezelfde familienaam als zijn grootmoeder). Af en toe werd er zelfs gelachen. Soms werd het gesprek bitsig toen hij het gezinsleven van zijn schoonbroer op de korrel nam. Maar tussendoor vergat hij de grimassen niet, want de tijd was er rijp voor. Hij vond het nog steeds eigenaardig dat zijn schoonbroer op dit uur was langsgekomen. Het was ook vreemd dat plots de huisdokter aanbelde, en zelfs een verwachte gast bleek te zijn. Het was een kort bezoekje. Hij bood hem een pilletje aan “want dan zou hij zich beter voelen”. Beter? Hij voelde zich toch goed? Hij besefte dat ook de dokter niet zag wie hij tegenover zich had, maar hij toonde tegenover hem geen grimassen. Hij zag de dokter plots als de zielige figuur die hij er onbewust altijd in gezien had. Onverrichterzake verliet de dokter het huis. Het pilletje werd niet ingenomen. Zijn vrouw en schoonbroer probeerden hem nog te overtuigen, maar hij weigerde steeds pertinent en trok opnieuw naar de garage om zijn werk voort te zetten. De vorige dag had hij een korte stok gemaakt van een tak en voorzien van een handvat, ook deze kon dienen als bescherming. Alle tijdsbesef was verdwenen. Onweerstaanbaar werd hij steeds naar het huis getrokken. Opnieuw belde de dokter aan en deze keer vergezelde deze hem naar de garage. Nu kon hij ook met hem het grimassenritueel uitvoeren, dit was immers zijn terrein. De dokter merkte op dat de ruimte er uitzag als “een cabardouchke”. Hij vond die opmerking echt typisch voor de zieligheid en frustratie die hij uitstraalde. De dokter leek hem plots ongelukkig, hij trok nog een grimas en merkte een droeve, intrieste blik in zijn ogen, die hij probeerde te camoufleren door een flauw lachje. Hij vroeg hem waarom hij gekozen had voor geneeskunde, waarop hij antwoordde dat zijn vader hem daartoe verplicht had. Hij vond het meelijwekkend. Het was een dovemansgesprek. Beiden liepen opnieuw het huis binnen, maar steeds weigerde hij het aangeboden pilletje. Hij werd aan de telefoon geroepen: een vroegere dokter probeerde hem ervan te overtuigen mee te gaan naar een ziekenhuis. Daar zou hij zich beter voelen. Maar hij voelde zich goed en begreep al de drukte rondom hem niet. Hij liet iedereen achter en vertrok naar de garage. Het werk moest worden verdergezet. Terugkeren was niet meer mogelijk. Er werd geklopt. Hij opende de garagedeur en stond oog in oog met een politieman. Hij kende deze man van een vroegere wegcontrole. Hij leek hem toen zeer sympathiek. De politieman probeerde hem te overtuigen om mee te gaan, maar hij voelde weerstand, de rillingen werden heviger, zijn hart klopte sneller. Hij mocht nu zeker niet toegeven. Snel passeerde hij de agent, verliet de garage, stak de straat over en begaf zich naar het werkmanshuisje op het kerkhof. Hij wist dat daar een toilet was. Het was er stikdonker, de rillingen werden heviger, maar hij moest weerstaan. Hij voelde de aanwezigheid van de zwarte engel zeer nabij. Hij plaste rechtstaand en merkte het licht van zaklampen. De agent was hem gevolgd, maar was niet meer alleen. Hij verliet het gebouw en begaf zich opnieuw naar de garage, waar hij zich veilig voelde. Opnieuw klopte de politieman aan en begon een gesprek. Maar hij bakende de grenzen af: de blikken doos met urine en de cd-speler, de kaarsen en de stok, de microfoon boden hem een zekere geruststelling. De agent praatte met hem, probeerde hem nog steeds te overtuigen om mee te gaan. Toen vroeg hij de agent om de letters s-t-r-o-n-t snel na elkaar uit te spreken, als proef: misschien zou hij dan meegaan. Maar de agent begreep niet dat de letters een woord vormden en raakte niet verder dan de fonetische opeenvolging van de letters. Daarna doopte hij zijn vinger in de urine: hij wilde zich sterk en onoverwinnelijk tonen. De agent verdween, in zijn plaats verscheen een vrouw die zich voorstelde als ambulancier. Ook zij probeerde hem mee te krijgen. Het volgende ogenblik bevond hij zich in de tuin voor de garage. Rond hem een kring van mensen: enkele agenten – hij hoorde hoe hun walkietalkies af en toe onverstaanbare woorden braakten –   de ambulanciers die steeds nauwer aansloten. Hij voelde woede en razernij en maakte iedereen uit, riep scheldwoorden omdat hij het niet eerlijk vond tegenover zo’n overmacht. Hij keek rond, liep in steeds kortere cirkeltjes. Plots sprongen twee agenten op hem, duwden hem met zijn gezicht in het gras, trokken zijn armen op zijn rug en boeiden hem. Hij voelde het vochtige gras in zijn neusgaten, en hoe de handboeien in zijn polsen sneden. Terwijl hij het gras uitspuwde brieste hij nog tegen zijn belagers, tot hij plots voelde hoe zijn broek van zijn billen werd gerukt met onmiddellijk daarna de dubbele vlijmscherpe pijnscheut van twee injecties die zich krachtig door zijn stijfgespannen spieren boorden.  Verzet was niet meer mogelijk. Vastgesnoerd werd hij op een draagberrie de ambulance binnengereden, Volkswagen T4, ‘Het Vlaamse Kruis’, zwart en geel met flitsende blauwe zwaailichten. Hij merkte op hoe helder het er binnen was. De ambulanciers maakten grapjes, ze leken het in ieder geval niet over hem te hebben. Hij geraakte niet verder dan te denken dat dit een bijna-doodervaring was: vast en zeker werd hij nu begeleid op een laatste reis naar het licht. Waarom moest de chauffeur echter zo ruw met de motor omgaan? Het jagen van de versnellingen, de harde vering, het helle licht, de grappende begeleiders. Het einde van de reis. Toen hij zijn ogen opende lag hij op een tafel, vastgebonden, naakt, hij had het koud, had geen enkel besef van ruimte en tijd, noch van een waarom. Het enige wat hij wou was plassen. Af en toe kwam er een vrouw met een bedpan, maar hij slaagde er al liggend niet in zijn urine erin te laten belanden. Hij staakte de pogingen en liet alles maar lopen, voelde eerst de warmte die zich als een vlek verspreidde, wegliep langs zijn zij om daarna te veranderen in een klamme vochtigheid.  Hij zocht met zijn ogen langs de zijwanden van de kamer naar een klok, maar zag enkel een glazen wand van wit glas waarachter een diffuus licht merkbaar was.  Alles vervaagde.


Richard Gere als “Mr. Jones” in de gelijknamige film uit 1993


Header toont schilderij “Brussel Gedenk”, door Ferdinand Vercnocke, olieverf op hout, 120x70cm, 1967, voorstelling van de Aartsengel Michael die het Kwade overwint, ook patroonheilige van Brussel, zijn standbeeld staat hoog op het stadhuis aldaar.

Alain Bashung – Happe (live à l’Olympia, 2008)

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.