Opstellen

“Stellen” behoorde tot de beste vakken van Sim tijdens haar regentaatsjaren. Ook voor Latijn en Tekenen behaalde ze hoge punten.
Het archief van de school bezorgde mij haar rapport uit 1938, Aspirant Regentessen “Letterkundige afdeeling”.
In totaal verzamelde Sim 593,5/730 punten (= 81,3%), op een haar na eerste van de klas (de “O” betekent “Onderscheiding”). 

Sim maakte zelf een inhoudstafel van alle opstellen die ze schreef tussen 1936 (16 jaar oud) tot 1940 (regentaat, 20 jaar oud), het zijn er 37. Bovenaan links schrijft ze: “Houzee!”, als titel: “Opstellen [Voor ‘t geestelijk en ‘t Dietsch ideaal!]”. De datum ’40 in potlood geschreven verwijst waarschijnlijk naar drie latere titels die zijn bijgevoegd onder nummer 37 en niet meer op school werden geschreven of niet werden ingediend. De nummers 9, 13 en 33 zijn examenopstellen. Alle opstellen werden geschreven aan het Heilig-Hartinstituut te Heverlee. Commentaren en verbeteringen door de zuster-leerkracht. Hieruit blijkt dat Sims ontluikende talent onderkend, gewaardeerd en gestimuleerd werd.
(Ook uit 1935 zijn er enkele opstellen, deze zijn niet opgenomen in deze inhoudstafel)

Opstellen (genummerd naar inhoudstafel):

32. 1 juni 1939. Sim schrijft hier onder de titel: “Laatste Opstel”, ze bedoelt hiermee: laatste opstel van dit schooljaar (1938-1939).

Heverlee St Franciskus – den 1sten Juni 1939

Daar is maar eén land, dat mijn land kan zijn

– Avondmijmering –
laatste Opstel!–

Heer, deze dag is gegaan zoo heel anders dan de vorige dagen –

Gij weet hoe nu in vele menschenharten een late rust geboren wordt een stijgend zuiver gevoel dat ons machtig-teer overweldigt en ons ietwat weemoedig maakt, lijk bij elk verwachten naar een groot geluk –

Een dag onder Uw hemel doodgewenteld; laat me staan nog, een wijle, en denken, en droomen; want deze avond is heilig als begrijpt hij het offerend afscheid aan momenten, van innigen peis; die nooit zullen keeren –

(marge commentaar: “‘k Had liever ‘gevouwen'” / “Waarom neemt U ze niet in tegenovergestelde orde?” / “‘k Hoorde hier al zoo graag S. zelf, ‘t zou stellig even hartelijk en daarbij heel wat poëtischer klinken!” – De leerkracht bedoelt met de laatste opmerking dat ze het poëtisch talent van Sim hoger schat dan het aangehaalde citaat)

We hebben vreugde en leed gekend;
en werden begrepen of sarrend gehoond.
We hebben gelachen en geschreid,
en krampachtig de handen gewrongen;
of stil ze vereend in kalme berusting –
We zouden Uw wil doen Heer; ook dan als we nukkig niet bidden wilden, en lachten met oude verlangens.
Heer – we hebben veel vreugde maar ook leed gekend –

We werkten in het land waar Gij ons liet geboren worden; In een belofteland aan een droomende zee – door vreemde handen zijn we losgescheurd van onzen broederstam en – we beminnen hem, Heer!
We beminnen hen; en in de morgenhymne ruischt ons gebed naast den roep van den opgang:
“Geen armoe in den staat,
Maar arbeid in de staat,
Komt broeders, vecht voor onze staat
De wereld zal het hooren.”

(marge opmerkingen: “Dan pas zien we klaar niet? ‘Over alle werelden en over alle menschen wenkt me, God!'” / “Waarom worden het geen paarden?” / “Ook dàt is Schoonheid van God!” / )

en toch is deze avond zoo wonderbaar gekomen – ik heb de wereld overschouwd: het land van God – ik herken geen land meer en geen rassen; geen zeeën en geen naties, maar al de menschen broeders, en allen bannelingen –
– O God, die boven elk verlangen van ons harte ziet en ons allen begrijpt –
– Gij die weet, hoe in ons strijd en offer steigeren als vurig-jonge krachten.
– Gij die weet, dat we bezwijken in den strijd en schreien bij het offer; en dat we alleen maar bidden kunnen in oogenblikken vol ongekende weelde.
Ik wil dat in den avond nu ieder mensch gelukkig zijn zou, dat al de oogen dezer nacht de sterren vinden zouden – dat handen zich vouwen in een behoeftige bêe
Ik wil dat elke pijn verdwijnen zou door den vrêe der berusting.
Laat me nog eénmaal verbeiden het groote verlangen, want morgen wordt de herinnering geboren.

Laat me nog eénmaal zingen het groote eeuwige lied, dat zoovelen voór mij reeds zongen, want de avond is zacht en ‘k hoor het ruischen van witte waden; ik voel de koelte van zuiver zegenende handen op mijn oogen – op mijn deinende gedachten.
Laat nog eénmaal mijn begeerte stroomen, gulpen, als een wijd-bedwelmenden vloed, door de avondvlakte van wachtende zielen. Vloed van de liefde die alles geeft aan allen –
Ik wil de vlammende jacht uit me heen drijven, ‘k wil dat de nacht zindere van wondere beloften – Annunciatie van ene nieuw geluk aan ieder mensch.
Ieder mensch keerend naar zijn land.
Het land van liefde!

en ‘K hoor stemmen stijgen uit de avondlijke lucht en… glijdend langs de nachtcoulisse gaan gedaanten over ’t wereldtoneel… hun lippen bloeiend in de liefde.
De zeeman met den fellen zeewind om zich heen en in zijn diepe oogen den verren eeuwigheidsdrang, als droeg hij immer met zich mee de ruime vergezichten van de eindelooze zeeën. De zee; zijn land en zijn bruid, in haar ziet hij de einders weerspiegeld van het land van God –
en –
Den landman met den geur der oktoberaarde langs zijn hooge koningsgestalte, met op het bruin gelaat een blonden zonnelach.

– en –
Den zendeling wit in de witte zon en heel zijn groote offerziel, bloeiend in de avondwijding.

– en
voort schuift de stoet, en de stemmen stijgen – –
De menschen hebben elkaar ontmoet in den nacht en uit den sterrenhemel zindert den liefdegloed van God, uit het land; dat alleen het land kan zijn van ieder mensch: Het land van de liefde! –

Heer deze dag is gegaan, zoo heel anders dan de vorige dagen, onder Uw bescherming en de veilige richting van Uw stuwende hand.
Laat me staan nog een wijle en denken – droomen en bidden want deze avond is heilig als een offerend afscheid aan innige momenten
Ik zie alleen nog op Uw witte handen parolen geplant – en fel zindert nog eenmaal, het vurig verlangen voor twee idealen van mijn hart:
Voor het land van mijn volk aan een droomende zee.
Voor het land van Uw wenkende einders
Leer me gaan naar het land van Uw liefde Heer!
Leer me gaan naar het eeuwige Dietschland!
Leer me gaan, nog dragend en verlangend door al mijn dagentochten heen, de twee idealen van mijn hart –
– De avond is heilig als een offerande –
‘K zal gaan naar Uw land! –
mijn land – –

Sim – donderdagavond –

(slotcommentaar: “‘k Hoop dat mijn voorzegging zal verwezenlijkt worden, S.; en moge God dan genieten bij het nagaan van uw levens-werken, lijk ik heb genoten bij het nakijken van uw opstellen!
Heverlee, den 10den Juni, 1939”)


 

 

 

 

 

 

Pale Blue Dot

In his speech at Cornell University (October 13th, 1994) Carl Sagan (1934-1996) left us his immoral thoughts  on looking at the picture of Earth “Voyager 1 Space Probe” sent back to us in 1990 at a distance of 6 billion kilometres. They are still so true today, almost 25 years later…
The picture became known as “The Pale Blue Dot“:

“From this distant vantage point, the Earth might not seem of particular interest. But for us, it’s different. Consider again that dot. That’s here. That’s home. That’s us. On it everyone you love, everyone you know, everyone you ever heard of, every human being who ever was, lived out their lives. The aggregate of our joy and suffering, thousands of confident religions, ideologies, and economic doctrines, every hunter and forager, every hero and coward, every creator and destroyer of civilization, every king and peasant, every young couple in love, every mother and father, hopeful child, inventor and explorer, every teacher of morals, every corrupt politician, every “superstar,” every “supreme leader,” every saint and sinner in the history of our species lived there–on a mote of dust suspended in a sunbeam.
The Earth is a very small stage in a vast cosmic arena. Think of the rivers of blood spilled by all those generals and emperors so that, in glory and triumph, they could become the momentary masters of a fraction of a dot. Think of the endless cruelties visited by the inhabitants of one corner of this pixel on the scarcely distinguishable inhabitants of some other corner, how frequent their misunderstandings, how eager they are to kill one another, how fervent their hatreds.
Our posturings, our imagined self-importance, the delusion that we have some privileged position in the Universe, are challenged by this point of pale light. Our planet is a lonely speck in the great enveloping cosmic dark. In our obscurity, in all this vastness, there is no hint that help will come from elsewhere to save us from ourselves.
The Earth is the only world known so far to harbor life. There is nowhere else, at least in the near future, to which our species could migrate. Visit, yes. Settle, not yet. Like it or not, for the moment the Earth is where we make our stand.
It has been said that astronomy is a humbling and character-building experience. There is perhaps no better demonstration of the folly of human conceits than this distant image of our tiny world. To me, it underscores our responsibility to deal more kindly with one another, and to preserve and cherish the pale blue dot, the only home we’ve ever known.”

Adagio Sostenuto

#AdagioSostenu Op de bank van Fleur, herfst, rust, ademen, verlangen… er ‘gebeurt’ weinig, en toch méér dan voldoende (Adagio Sostenuto, Sergei Rachmaninoff, uit  zijn 2de pianocnocerto, Eric Carmen in 1975 gebruikte een melodielijn voor zijn hit “All By Myself).
Beelden opgenomen op woensdag 24 oktober, Ymeriaplein, Wijgmaal.

Kortenbergse Liefde

Een liedje over een liefdesgeschiedenis bij de huwelijksceremonie van Auke Dekempeneer & Wide Vercnocke (in het zonnetje!), gezongen én gecomponeerd door Thomas Swerts, backing vocals door “De Jonkers” (Bert Vercnocke – broer, Nand Vercnocke – broer, Bart P Malfliet, Maarten Vanermen, Anselm Vereertbrugghen en Olivier Dekempeneer) #aukepluswide #schuurfuif

Kortenbergse Liefde

Zagen elkaar soms op de basketbal
Een lieve reus, een blonde stoot
Stiekem kijkend vanaf de zijlijn
De prille liefde, die was groot

Kortenbergse liefde
Hoeft niet kort te zijn
Kortenbergse liefde
Kan duren voor altijd

Twee pubers in het schrale jeugdhuis
Hormonen gierend door hun lijf
Een snelle kus wanneer niemand omkijkt
Wiegen op die Chet Baker-schijf

Kortenbergse liefde
Hoeft niet kort te zijn
Kortenbergse liefde
Kan duren voor altijd

Appartementje delen in de binnenstad
Brusselse jaren vlogen voorbij
Een thuis bij elkaar gevonden
De paardenfretters zijn nu blij

Kortenbergse liefde
Hoeft niet kort te zijn
Kortenbergse liefde
Kan duren voor altijd

Wanneer twee zielen overlappen
Samensmelten in één ring
De liefde van’ t papier doen spatten
Wil iedereen weten hoe ’t hen verging

Kortenbergse liefde
Hoeft niet kort te zijn
Kortenbergse liefde
Kan duren voor altijd

Loodlijn

(I.M. Fleur, 2002~2017)

Mag ik wat bij jou vertoeven,
nog ietwat schuchter, zijdelings?
Ik kijk de bloemen aan die al
aan het verwelken gaan maar
toch nog aanliggen bij jou,
de afstand tussen ons wordt
overbrugd door een plataan,
hij spreidt zijn armen uit naar
jou maar raakt je niet, hij reikt,
hij neigt, een onbestemd
verlangen, een hunkering naar
wat zou kunnen zijn,
bezoekers lopen langs,
een grootvader
met kleindochters
die al hun schooltassen
ontschouderen, ook hij
buigt naar je toe en spreekt
je naam en leeftijd uit,
je komt tot leven, even,
je rustplaats ligt pal
op de loodlijn die
de kinderen huiswaarts voert,
en daar een grootmoeder
die kleindochter naar opvang
duwt, wijst hemelhoog:
daar: zie je?
Het is een af en aan dit uur,
het leven gaat zijn gang,
een lieve lust, zo zal het
altijd zijn, maar nooit meer
zoals het zou moeten,
er is enkel dit vertoeven
in wat is
onder een bladerdak van hoop,
in wat onaf lijkt maar toch
zo volledig,
hoe zou het anders kunnen
zijn?

Wijgmaal, Ymeriaplein, 12 juni 2018, 16:05