“Drieman” in Knack

Knack Focus 01/04/2020 / Gert Meesters

“Ferdinand Vercnocke, advocaat en dichter, werd na de Tweede Wereldoorlog veroordeeld omdat hij teksten had gepend voor ‘de meeste collaborerende publicaties’, aldus kleinzoon en stripauteur Wide Vercnocke. Toch is zijn Drieman een historische strip noch een klassieke familiegeschiedenis geworden. Dat is al van de eerste pagina’s duidelijk. In geen enkel ander boek over collaboratie zie je een hoofdstuk lang iemand onder handen genomen worden door de kapper. In geen enkele andere familiekroniek praat de hoofdpersoon met zijn gestorven grootvader terwijl ze samen in de trein zitten. Zulke bijzondere episodes vormen de essentie van Vercnockes werk: alles wordt tegelijk poëtisch en visueel wonderlijk teruggebracht tot vertraagde alledaagse handelingen. Ook als het natuurlijke conflict tussen drie generaties mannen niet alleen onderling voor vonken zorgt, maar nadrukkelijk raakvlakken heeft met de grote wereldgeschiedenis blijft Vercnocke schoonheid zoeken in routineuze handelingen. Tussendoor vraagt hij zich af hoeveel hij gemeen heeft met zijn foute grootvader en met zijn vader, die zijn eigen onderzoek naar het oorlogsverleden van opa Ferdinand voerde. Vercnockes visuele manier van vertellen uit zich in Drieman onder andere in haartooien. Aan het begin van het boek meet de Wide uit het boek zich een nieuw kapsel aan: aan de zijkanten opgeschoren, zoals het haar van zijn grootvader in oorlogstijd. In de laatste scène scheert Wide dan weer al zijn hoofdhaar eigenhandig af, een handeling die tegelijk de band met Ferdinand symbolisch doorknipt en verwijst naar de overbekende beelden van ontmenselijkte gevangenen in concentratiekampen. Bij een ander auteur zou de hele metafoor roemloos ten onder kunnen gaan door een gebrek aan subtiliteit, voor Vercnocke behoort een kappersschaar tot de basisinstrumenten om een verhaal te vertellen over de gevaren van identitair denken en de erfenis van het collaboratieverleden in hedendaags Vlaanderen.”

Drieman ****

Wide Vercnocke, Bries, 120 blz.

online bestellen via bv: Copyright Bookshop Drieman

Interview:

Hoe anders is het om na je sprookjesachtige vorige verhalen een boek te maken over het collaboratieverleden van je grootvader?

Vercnocke: “Mijn vrouw zegt dat ik eindelijk een verhaal heb gemaakt dat ze begrijpt. Het is veel rechtlijniger dan de vorige. Ik vond dat ik vanwege de ernst van het thema de dingen duidelijk moest benoemen. Zo kon ik proberen om ze te bezweren. Veel families in Vlaanderen hebben ergens wel een collaboratieverleden en dat kan tot op vandaag zijn schaduw werpen. Ik wilde weten hoe ik zelf tegenover het verleden van mijn grootvader Ferdinand stond. Tegelijk wilde ik niet te veel focussen op de geschiedkundige feiten. Mijn nicht heeft over mijn grootvader en masterscriptie geschreven. Zij heeft het dus op een wetenschappelijke manier aangepakt, maar mijn werk leent zich niet voor een accurate weergave van de historische werkelijkheid.”

Was het ook een moeilijker boek om te maken?

Vercnocke: “Ja, want deze keer ging het niet alleen over mij, maar over een moeilijke familiegeschiedenis die ik me niet zomaar durfde toe te eigenen. Ik heb een goede band met mijn vader, maar in dit boek zet ik hem nog meer met de billen bloot dan in Narwal, waarin ik hem letterlijk naakt heb getekend. Ik heb zijn verhaal in zekere in tot het mijne gemaakt. Daarbij komt nog dat over die verschrikkelijke oorlog veel geschreven is. Ik vroeg me af of ik het recht had om er iets aan toe te voegen. Ik voelde zelfs schroom om een swastikavlag te tekenen terwijl je die toch in elke Hollywoodfilm over die periode ziet.”

Waarom teken je altijd mensen die hun haar kammen of andere 3 gewone dingen doen?

Vercnocke: “Dat hoeft te maken met de manier waarop mijn verhalen tot stand komen. Ik ga alleen op reis als mijn vrouw aandringt. Ik ben dus een huiselijk persoon en ik vind dat er veel rust uitgaat van routine. Die stimuleert ook de fantasie. Tijdens het kammen kunnen de wildste gedachten ontstaan. Ik vind dagelijkse handelingen ook visueel interessant, omdat ze de kwetsbaarheid van mensen tonen, de schoonheid in het kleine. Als je een oude persoon in een zetel ziet zitten is het toch ontroerend om je voor te stellen dat hij of zij daar elke dag in zit, Routines scheppen daarnaast een safe space, een comfortzone die ik graag nog uitvergroot in mijn werk. Dat geeft de lezer de tijd om na te denken of vrij te associëren. Ik zou nog veel redenen kunnen bedenken het komt er waarschijnlijk simpelweg op neer dat dit nu eenmaal mijn manier van vertellen is.”

“Drieman” in NRC Handelsblad

NRC Handelsblad (NL) online 26/03/2020 Stefan Nieuwenhuis

Zoektocht naar verleden adembenemend in beeld gebracht

Strips / In de poëtische graphic novel ‘Drieman’ probeert Wide Vercnocke te achterhalen wat zijn opa heeft bezield om te collaboreren met de Duitse bezetter.

Drie mannen met dezelfde achternaam, drie opeenvolgende generaties. De jongste is een experimentele stripmaker, zijn vader een gepensioneerde leerkracht en zijn opa een dichter met een fout verleden. In de poëtische graphic novel Drieman gebruikt Wide Vercnocke (1985) het verhaal van zijn eigen familie: wat heeft opa bezield om te collaboreren met de Duitse bezetter?

Over het verleden van opa Ferdinand Vercnocke werd in de familie niet gesproken. Tot vijf jaar geleden, nadat oma stierf: Rombout Vercnocke, de vader van Wide, besloot toen alsnog op zoek te gaan naar motieven en antwoorden.

Het was de zoektocht van zijn vader die bij stripmaker Wide Vercnocke de interesse aanwakkerde. Samen spraken ze er veel over. Gaandeweg werden die gesprekken persoonlijker, gingen ze meer over henzelf en hun onderlinge verstandhouding. Ze bemerkten hoe ze tot elkaar veroordeeld zijn en hoe gebeurtenissen binnen familielijnen bewegen. De scène waarin vader en zoon samen naar foto’s kijken van een dichtersreis naar Duitsland in 1941, met hun (groot)vader, is adembenemend in beeld gebracht.

Magisch-realistisch

Dichter en essayist Ferdinand Vercnocke (1906-1989) was het literaire boegbeeld van het nationaal-socialisme in Vlaanderen. Zo pleitte hij voor volksverbonden kunst en uitte hij zijn bewondering voor de Germaanse rassentheorie. In 1944 werd hij veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf, onder meer omdat hij zijn poëzie ten dienste had gesteld van de bezetter. Na vijf jaar kwam hij vrij, twintig jaar later kreeg hij eerherstel.

Het magisch-realistische werk van Vercnocke vraagt om een lezer die op de rem wil trappen. Pas in vertraging komen de beelden en het gevoel samen. Er is nagenoeg geen actie. De ruime pagina’s bevatten nooit meer dan vier plaatjes, Vercnocke werkt met een beperkt kleurpalet, gebruikt weinig tekst. Alle handelingen lijken te verglijden, waarbij voorstellingen uit de werkelijkheid wegtrekken. Een spiegel wordt een vluchtroute, een gordijn een vlag met een hakenkruis, voorbijgangers Duitse militairen. Het geheel is opgezet uit korte hoofdstukken, die door titelpagina’s worden onderbroken.

Alles begrijpen

In het verhaal spreekt Wide zijn opa tweemaal, beide ontmoetingen vinden plaats in een trein. Vercnocke tekent die treffend: hij komt uit het lijf van de kleinzoon tevoorschijn en gaat tegenover hem zitten. Ineens zit daar de man aan wie hij nooit heeft kunnen ontkomen, ook al was hij vier toen zijn opa stierf: „Al heel mijn leven hing zijn schaduw over onze familie.”

In die gesprekken maakt Vercnocke de generaties zichtbaar. Als Wide zijn opa onbeschaamd en direct vraagt hoe je in godsnaam zoiets kon doen, antwoordt deze in de taal van 75 jaar geleden: „Herkent ge uzelf niet in mij? Wij zijn één bloed. Zo herken ik mijn volk. Zo erken ik mijn volk. Mijn genen stromen door uw aderen. De leeuw klauwt door uw zijn. Voel mijn geest en ideeën, voel mijn bloed! Voel de bodem, de kluiten aarde waaruit gij zijt ontsproten.”

Zijn oma heeft Wide ooit verzekerd dat hij later alles zou begrijpen. Zelf denkt hij heel zijn leven te jong te zijn om het echt te snappen. Met Drieman, waar eens niet de schuldvraag maar begrip centraal staat, heeft Vercnocke een krachtig en wezenlijk statement gemaakt.

“Drieman” in De Standaard

Voorpagina “De Standaard” 28/02/2020

In “De Standaard” van 28 februari 2020 werd aandacht besteed aan het verschijnen van de nieuwste graphic novel van mijn jongste zoon Wide Vercnocke. (Videoverslag over de boekvoorstelling hiervan onderaan dit bericht).

(Recensie & Interview door Jozefien Van Beek, foto’s: Jimmy Kets)

Een overzicht:

Binnenpagina’s “De Standaard der Letteren”

Het driegeslacht Vercnocke
Oorlog van vader op zoon

Recensie:

Oorlog, van vader op zoon

Graphic Novel. Met Drieman maakte Wide Vercnocke zijn beste boek tot nu toe. In zijn herkenbare magisch-realistische stijl duikt hij in zijn familiegeschiedenis. (Jozefien Van Beek)

‘Het universum is cyclisch’, schrijft Wide Vercnocke aan het begin van Drieman. ‘Is er iets dat omschrijft hoe omgaan met jezelf van generatie op generatie wordt doorgegeven? Hoe het voelt om door te hebben dat je deel bent van een groter geheel?’ Dat zoekt hij uit in zijn nieuwe boek: hoe worden dingen doorgegeven van vader op zoon, en kan je daaraan ontsnappen?

Het driegeslacht uit Drieman bestaat uit tekenaar Wide Vercnocke, zijn vader Bout Vercnocke, en diens vader Ferdinand Vercnocke, een dichter die collaboreerde. Over dat zwarte verleden werd in de familie niet gesproken en hoewel Wide zijn grootvader nooit heeft gekend – hij was vier jaar toen de man overleed – hing heel zijn leven ‘zijn schaduw over onze familie’.

David Lynch

Toen grootmoeder Vercnocke in 2015 overleed, begon Bout te graven in het familiearchief in een poging te achterhalen wat Ferdinand Vercnocke precies gedaan had. En terwijl de vader onderzoek deed naar het oorlogsverleden, probeerde de zoon er een boek over te maken. Vijf jaar lang worstelde hij ermee, tot hij besefte dat het boek net over die zoektocht moest gaan. Al die tijd was er intens contact tussen vader en zoon, waarbij ze niet alleen geconfronteerd werden met het verleden, maar ook met zichzelf en hun relatie tot elkaar.
In korte hoofdstukjes en in zijn herkenbare surrealistische, zinnelijke stijl toont Vercnocke hoe je een familieverleden meedraagt.
Dat bewerkte Vercnocke tot een deels autobiografisch, deels fictief verhaal. In korte hoofdstukjes en in zijn herkenbare surrealistische, zinnelijke stijl toont Vercnocke hoe je een familieverleden meedraagt. Letterlijk: uit zijn hoofdpersonage kruipen body snatchers-gewijs zijn grootvader én zijn vader.

Een rood gordijn dat associaties met David Lynch oproept, transformeert tot een vlag met hakenkruis, gewone voetgangers worden soldaten in uniform, een rustig straatbeeld vervormt tot verwoest oorlogsgebied. Vercnocke zet zijn tekeningen meesterlijk in om een donker verhaal te vertellen. Drieman is bijna dubbel zo dik als zijn andere boeken, en er staat veel meer tekst in. Waar hij in de vorige strips vooral de beelden voor zich liet spreken, heeft hij nu ook woorden nodig om zijn verhaal te vertellen.

Schuldvraag

We zien hoe Ferdinand Vercnocke in 1941 op schrijversreis gaat in Weimar, waar hij tussen naziofficieren een speech van Goebbels bijwoont. ‘Toen de opwinding was gaan liggen, daalde er een gevoel van diepe schaamte over ons neer. Ons bloed, onze vader, grootvader, onze Vlaamse dichter, schuldig aan culturele collaboratie.’

Ook de Duitse Nora Krug maakte een graphic novel waarin ze groef naar het oorlogsverleden van haar familie – haar obsessie ging zelfs zo ver dat ze tijdens de yogales haar arm niet omhoog kan houden zonder aan de Hitlergroet te denken. Maar waar Krugs Heimat (2018) vooral gaat over de schuldvraag, staat bij Wide Vercnocke een andere vraag centraal: hoe ga je ermee om, met dat enorme gewicht van het verleden? In de strip beantwoordt hij die vraag niet, maar vermoedelijk ís Drieman zijn antwoord.

‘Heb ik wel het recht om hier een verhaal van te maken?’, vroeg Vercnocke zich af. Dat heeft hij zeker, want Drieman werd een gevoelige, intrigerende en ontroerende strip. Zijn beste tot nu toe.

Vanavond om 20 uur presenteert Wide Vercnocke zijn boek in Muntpunt in Brussel, met Jeroen Olyslaegers, Shamisa Debroey en Stoomboot.


Interview:

“Het trauma van de oorlog leeft generaties lang voort”

In Drieman schrijft Wide over drie generaties Vercnocke-mannen, en hoe vader en grootvader allebei vervat zitten in de zoon. ‘Familiekroniek’ roept doorgaans adjectieven op als navelstaarderig, maar in het geval van de Vercnockes is het razend interessant: de zoon is tekenaar, de vader sjamaan met een passie voor numerologie, en de grootvader dichter met een zwart verleden.

Hoe zwart juist, dat blijkt uit zijn gedichten. Ferdinand Vercnocke (1906-1989) schreef Aan Adolf Hitler, dat begint met de verzen: ‘Kunstenaar-staatsman, Ziener, man der daad. 7 veldheer en held, mensch méér dan mensch!’ Een ode aan de Führer. ‘Dat is een gedicht uit zijn foute periode zegt Wide Vercnocke. ‘Heftige shit.

Wat heeft je grootvader precies gedaan?

“Toen zijn eerste dichtbundel begin jaren dertig verscheen, werd hij meteen een ‘rising star‘, de man die zei waar het op stond, die opkwam voor de kleine Vlaming. Al snel werd hij Vlaams-nationalist. Hij wilde vooral Vlaanderen groot maken en tijdens de oorlog hoopte hij dat de Duitsers daarbij zouden helpen. Dus ging hij publiceren in het dagblad ‘Volk en Staat’, een rechts nationalistisch medium gelieerd aan de bezetter. Door de Duitsers honing om de mond te smeren, hoopte hij met zijn boodschap mee te surfen op hun propaganda. Maar in 1943 vertrok hij met ruzie bij Volk en Staat toen hij besefte dat de Duitsers helemaal geen interesse hadden in Vlaanderen. Dat moet voor hem een serieuze opdoffer geweest zijn.”

“Na de oorlog werd hij veroordeeld voor culturele collaboratie. Hij wist dat hij opgepakt zou worden, maar hij is niet gevlucht, in tegenstelling tot vele anderen. Ik denk dat hij daar te koppig voor was. Eerst kreeg hij de doodstraf, maar die werd niet uitgevoerd. Van zijn tien jaar celstraf heeft hij er vijf uitgezeten en pas in 1964 kreeg hij zijn burgerrechten terug. Als dichter werd hij nooit meer serieus genomen, ik denk dat dat voor hem nog de grootste straf was.

“Er bestaat een geluidsfragment van een radiorubriek die hij had bij het propagandakanaal Zender Brussel – ergens wordt dat omschreven als zijn dagelijkse fascistische ochtendpraatje. Het is heel vreemd om dat te horen, zeker voor mijn vader. Hij herkent de stem met licht West-Vlaamse tongval, maar in wat hij zegt, herkent mijn pa niet de minzame man die hij heeft gekend. Kijk, dat Hitlergedicht is fucked up. Ik veroordeel zijn daden en vind het terecht dat hij in de gevangenis heeft gezeten. Maar hij was ook een goede grootvader, een echtgenoot, een vader voor zijn kinderen.”

Waarom wilde je dit boek maken?

“De oorlog is vijfenzeventig jaar geleden afgelopen, maar heeft nu nog steeds veel effect, zowel op maat schappelijk als op persoonlijk niveau. Dat heeft me doen nadenken over oorlog in het algemeen. Het is zo intens als je denkt aan alle conflicten die nu woeden in de wereld. Zelfs al raken ze snel gestabiliseerd, het is niet op een twee drie in orde. Dat trauma leeft nog generaties lang voort.

Dat maak je expliciet in je boek: het gaat over drie generaties mannen.

“Ik denk dat ik de naam Drieman voor het eerst heb opgeschreven in 2015. Ik wist dat ik over mijn familie wilde schrijven, maar ik wist niet hoe. Lang heb ik geworsteld met de toon van het boek. Heel moeilijk allemaal: mijn grootouders waren rechts, en toch heb ik veel respect voor hen. Mag ik dan over hen praten? Bovendien raak ik hiermee dingen aan die bij zo veel mensen voor zo veel miserie hebben gezorgd. Dat vind ik nog het moeilijkste. Heb ik wel het recht om er een verhaal over te maken?’

“Het verleden van mijn grootvader was een publiek geheim, maar in het gezin Vercnocke werd er amper over gesproken. We wisten wel dat hij in de gevangenis had gezeten voor culturele collaboratie, maar niet wat er precies gebeurd was. Mijn vader ging zich er pas mee bezighouden toen mijn grootmoeder in 2015 overleed – vaak krijg je pas interesse in je ouders wanneer het te laat is. Maar het was ook uit respect denk ik. Na haar overlijden heeft mijn vader zich in die geschiedenis vastgebeten.

“Toen we haar huis gingen leegmaken, vonden we het archief dat ze had bijgehouden. En toen mijn vader daarin begon te graven, had ik mijn boek: ik wist dat het moest gaan over die ontdekkingstocht. Het maakproces van Drieman is dus niet los te koppelen van zijn onderzoek.”

Toch is je boek fictie.

“Zeker. Niet onbelangrijk is dat mijn nicht Ingeborg Tibau haar masterproef schreef over onze grootvader. Als onderzoekster kreeg zij toegang tot het Krijgsarchief en het strafregister, waardoor ze een paar ontbrekende puzzelstukjes kon leggen. Ze heeft bijvoorbeeld kunnen aantonen dat hij nooit bij de SS is geweest. Maar vooral: omdat zij wetenschappelijk onderzoek deed, had ik het gevoel dat ik in mijn boek niet gebonden was aan de feiten. Ik wilde fictie schrijven, en die vrijgeleide kreeg ik dankzij haar.”

Rainbow warrior
Er zit een sleutelscène in het boek waarin je vader de confrontatie aangaat met je grootvader.

‘In één van onze gesprekken vroeg ik hem: beeld je in dat je vader tegenover je zit, wat zou je dan zeggen? Wat mijn pa toen gezegd heeft, staat bijna letterlijk in het boek. Het was zo emotioneel en intiem dat ik heb getwijfeld om het te gebruiken, maar tegelijk vond ik het zo mooi en waardevol dat ik het moest doen.’

“In realiteit is dat nooit gebeurd. Soms heeft mijn pa daar wel spijt van, maar anderzijds is hij ervan overtuigd dat er geen reactie zou zijn gekomen. Terwijl zowel mijn pa als ik natuurlijk vooral wil weten of hij besefte hoe erg het was. Hij was een slimme man, een journalist, een advocaat. Hij moet toch van alles hebben. gezien? Hij was toch niet naïef?”

In ‘Drieman’ spreekt je vader over universele liefde. Hij ziet de wereld als één stam. Is dat zijn manier om zich tegen het verleden van zijn vader af te zetten?

‘In zekere zin wel. Ook in het echte leven draagt hij die boodschap uit. He loves everybody vanuit het idee: ik ga niemand veroordelen. Het was niet altijd makkelijk tussen die twee. Ik weet dat mijn grootvader hem de nagel aan zijn doodskist noemde toen mijn vader was gaan betogen. Er is wel sprake van enige daddy issues. Hij is een complexe figuur, mijn vader. Met zijn regenboogjas en zo.’

Regenboogjas?

“Hij heeft heel lang een regenboogjas gehad. De vrienden van mijn broer noemden hem de rainbow warrior. Dat wilde ik in mijn boek stoppen, dat uit zo’n serieuze man die gecollaboreerd heeft zo’n speelse mens kan komen als mijn vader.

Hoe is jouw band met je vader?

“De laatste tijd beter. Maar daarvoor heb ik wel veel met de mantel der liefde moeten bedekken. Hij is de enige ouder die ik nog heb. Als ik met hem een toffe band wil, moet ik sommige dingen in het verleden laten. En dat werkt wel. We hebben een heftige familiegeschiedenis. Maar elk huisje heeft zijn kruisje, hé. Ik wil er niet te veel over vertellen, het ligt gevoelig. In 2014 is mijn moeder overleden en ik heb nu pas het gevoel dat ik opnieuw boven water kom, dat ik het kan plaatsen. Ook de rest van de familie heeft dat verdriet een plek gegeven, en ik weet niet of ik dat opnieuw wil opentrekken.

Godin

We halen extra koffie in de keuken. Op de koelkast hangt een echo waarop het hoofdje, de armpjes en de beentjes van een kleine Vercnocke te zien zijn. “Ja, Auke is zwanger. Ik voel nu al dat mijn volgende boek daarover gaat. Het idee is: godin.”

Zo noem je haar ook in je dankwoord. Doorheen je strips is er een evolutie merkbaar: eerst bedank je haar voor veel, dan voor alles, en nu is ze een godin.

“Haha. Ik begin steeds meer te beseffen wat een positieve invloed zij heeft op mijn leven. Ze brengt structuur en zorgt ervoor dat ik niet te veel in mezelf gekeerd ben. Zij is iemand die het laat merken als ze iets niet leuk vindt, en ze dwingt mij ook om meer te babbelen. Vroeger stak ik nogal gemakkelijk mijn kop in het zand, maar zo los je niks op. Dus: godin. Dat is amper overdreven.

Tot nu toe bleven de vrouwenfiguren in mijn strips wat op de achtergrond. Nu wil ik het over hen hebben: mijn vriendin, mijn moeder. Ik zou er graag een trilogie van maken: De godin, Oermoeder en Vrucht. Vrouwen zijn gewoon fantastisch, schrijf dat maar op.”


ps: De “Rainbow Warrior” maakte ook een videoverslag van de boekvoorstelling op 28/02/2020 in Muntpunt te Brussel, met heel veel volk, dat mocht toen nog… Onstabiele camera, geluid wat minnetjes, het weze de Rainbow Warrior vergeven, gezien de emoties na 5 jaar samen onderzoek & brainstormen met Wide hierover ! 😉

rainbow

Terug naar Roemenië

(artikel verschenen in Knack 30/10/2019)

Terug naar Roemenië, 30 jaar nadat journalist Danny Huwé er werd doodgeschoten.
(door Terry Verbiest. Belgisch journalist, ondernemer en radio- en televisiepresentator.)

Op 25 december 1989 werd Danny Huwé doodgeschoten in de straten van Boekarest. Hij was voor VTM in Roemenië om er verslag uit te brengen van de laatste dagen van het Ceausescu-regime. Dertig jaar later reist de toenmalige redactiechef van VTM, Terry Verbiest, terug naar Roemenië. Hij verblijft er in opdracht van kunstfestival Europalia twee weken als writer in residence in Timisoara en Boekarest. Vanuit Roemenië schrijft hij brieven aan Tim Huwé, de zoon van Danny.

(Danny Huwé. © Corbis via Getty Images)

Dag Tim,
Ik ben aangekomen in Boekarest na een week Timisoara.
Dit is de vierde keer dat ik in Roemenië ben na de dood van je vader, dertig jaar geleden.
De eerste keer was de dag dat hij vermoord was. Kerstdag 1989.
Samen met een paar mensen van het facilitair bedrijf Videohouse, die de cameraploeg meegestuurd hadden, en spoedarts Luc Beaucourt wilden we de ploeg zo snel mogelijk vinden en naar België terughalen. We hadden telefonisch contact gehad met cameraman Paul Van Schoor. Eerst en vooral moesten ze weg uit dat vermaledijde Roemenië. Ik wist dat er in de Bulgaarse hoofdstad Sofia een groot Intercontinental Hotel was en ik stelde voor dat we de ploeg daar zouden oppikken. Beaucourt was mee omdat hij zo iemand was met wie je letterlijk naar de oorlog kon trekken. Hij had al wat natuurrampen en oorlogssituaties meegemaakt en met hem erbij voelden we ons veiliger.
We hebben de rest van de ploeg, cameraman Paul Van Schoor, geluidsman Jan De Coninck en monteur Ingrid Bertrand, op 26 december gevonden in Sofia. Nadat we hen op het privévliegtuig gezet hadden dat ons naar Sofia gebracht had, ben ik in Boekarest naar het lichaam van Danny gaan zoeken. Maar ik heb het niet gevonden. Danny werd pas dagen later gevonden door cameraman Wim Robberechts, die daar met de legendarische Britse journaliste Kate Adie voor de BBC aan het werk was. Danny lag in het mortuarium van een ziekenhuis, ergens in de buurt van waar hij doodgeschoten was.
Jouw vader was gene gewone, Tim. We hadden elkaar leren kennen op de radioredactie van de BRT. Ik kwam daar net binnen, geslaagd voor het journalistenexamen. Hij was toen al een ervaren eindredacteur. Een hele goede journalist, geweldige stem, veel ervaring, een van de sterren van de redactie. En niet te beroerd om een jong journalistje de knepen van het vak bij te brengen.
In het najaar van 1988 maakte hij de overstap naar VTM en ik, omdat ik net iets meer televisie-ervaring had, werd zijn leermeester. Dat wrong wat, in het begin. Hij kon daar niet goed tegen, hij werd niet graag gecommandeerd. Al zeker niet door een broekje als ik. Er zijn toen harde woorden gevallen en hij kon voor mijn part de boom in. Iets wat ik hem toen ook gezegd heb.
Alleen iemand als Danny kon zich daar op een grootse manier over zetten. We zijn toen iets gaan drinken, hebben het uitgepraat en we zijn maten geworden.
Ook op de VTM-redactie werd hij de aanjager. Zijn enthousiasme was aanstekelijk. 1989 was voor journalisten een magisch jaar, natuurlijk. Het hele Oostblok verkruimelde. In China leek het communisme ook te wankelen. Ik zie Danny daar nog zitten, achter zijn eindredactiedesk. Met een kaart van Peking tegen de muur. Hij had die daar zelf opgehangen om de troepenbewegingen te kunnen volgen. Geen idee waar hij die kaart vandaan had.
Work hard, play hard. Het was de eerste keer dat we die uitdrukking gebruikten. We hadden een systeem op de redactie dat inhield dat een journaalploeg zeven dagen aan een stuk werkte. Daarna had ze zeven dagen vrijaf. Een journaalploeg, dat waren de journalisten, presentators, regisseurs, regieassistenten en productieassistenten van die week. Een week liep van donderdag tot woensdag. Woensdagavond zat de werkweek er dus op en werd er heel zwaar gefeest in café Onder ons, op de Grote Markt van Vilvoorde. Van cafébaas Manu, een ingeweken Portugees, mocht alles. Zo hebben we ooit in de gietende regen de biljarttafel op straat gezet. Omdat Danny vond dat er te weinig plaats was in ‘t café. Die tafel is nooit terug naar binnen gekomen.
Toen gebeurde er iets op de redactie waardoor hij zich de woede van hoofdredacteur Jan Schodts op de hals haalde. Ik weet nu niet meer wat het was, maar Schodts was behoorlijk boos. Danny werd gestraft, mocht een paar weken geen eindredactie meer doen en vloog naar de reportageploeg. Danny pikte het en werkte door. Hij morde niet, klaagde niet en ging vooral niet lopen zeiken over ‘de bazen’. Danny was een seigneur. En daarbij, hij wist dat de redactie hem toch nodig had.
Toen kwam december. Na de val van de oude regimes in Polen, Hongarije, Oost-Duitsland en Tsjecho-Slowakije kwamen er barsten in de Ceausescu-dictatuur in Roemenië. Het ging snel, heel snel. Een dominee van Hongaarse origine, Laszlo Tokes, werd in Timisoara de man die het vuur van de Roemeense revolutie zou aansteken. Gewild, ongewild, bewust of onbewust, ik heb het me later vaak afgevraagd. Tokes had zich laatdunkend uitgelaten over de machthebbers in de hoofdstad Boekarest. Kritiek op het regime, kritiek op Grote Leider Ceausescu, dat was gewoon ondenkbaar. Dus zou hij op 16 december uit zijn huis worden gezet door de gehate Securitate, de Roemeense staatsveiligheid. De mensen van zijn gemeente verzetten zich daartegen en wat al lang aan het broeien was, ontplofte in het gezicht van de machthebbers.

Fake news, Tim, is van alle tijden. Maar daar heb ik een van de sterkere staaltjes ervan gezien. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje: er waren bij de rellen die waren losgebarsten na de mislukte aanhouding van Laszlo Tokes zeker 5000 doden gevallen. Het leger kende geen genade met wie het niet eens was met Ceausescu. Ik heb tijdens mijn verblijf in Timisoara gesproken met mensen die die periode dertig jaar geleden hebben meegemaakt. Schrijver, dichter en journalist Alex Potcoava vertelde me dat de mensen geen water meer uit de kraan durfden te drinken omdat het vergiftigd zou zijn. Iemand kende iemand die een kaart van Roemenië gezien had, een nieuwe kaart, waar Timisoara niet meer op stond. Elena Ceausescu zelf, de vrouw van de dictator, maar volgens ingewijden en de rest van Roemenië de echte kwade geest van het regime, zou zelf het bevel gegeven hebben om Timisoara plat te bombarderen. Hongaren en Serviërs waren het land binnengevallen en rukten op naar de stad. De mensen wierpen barricades op. Barricades die bestonden uit lege wijnkistjes. Hou daar maar eens de tanks mee tegen.
Er wérd geschoten en er víélen doden. In het museum van de revolutie in Timisoara hangen twee foto’s die ik nooit meer vergeet. Tussen beide foto’s zit een tijdsspanne van een paar seconden. Op de eerste staan een paar soldaten met het geweer in de handen. Rond hen staan wat mensen, op de grond liggen (inderdaad) kapotte kistjes, veel papier, wat vodden, een stoel. In het midden van de foto staat een grote, knappe, blonde jongeman. Hij wijst op zijn hart. Volgens het onderschrift bij de foto roept hij naar de soldaten: ‘Schiet dan, ik heb maar één hart.’
Op de volgende foto ligt de jongeman dood op de grond.
Hij was een van de 73 slachtoffers in Timisoara, van wie er 71 waren doodgeschoten. Geen 5000. 73.

(Boekarest. ‘Nooit in mijn leven heb ik zo veel spijt gehad van mijn eigen gelijk.’ © Corbis via Getty Images)

Maar de nieuwsagentschappen, vooral via Hongaarse en Joegoslavische journalisten, meldden duizenden doden en dat werd gretig overgenomen in het Westen.
Danny overtuigde Schodts toen om een ploeg naar Roemenië te sturen. Om zijn argumenten te staven had hij een exemplaar van de Nederlandse de Volkskrant bij zich waar op de voorpagina melding werd gemaakt van die 5000 doden.
Jan wilde eerst een jongere journalist sturen, maar ik vond toen dat Danny lang genoeg gestraft was geweest. Ik kreeg uiteindelijk gelijk, Tim.
Nog nooit in mijn leven heb ik zo veel spijt gehad van mijn gelijk.
Danny werd in het bureau van Jan geroepen en ik weet nog hoe blij hij was. Blij als een kind met zijn eerste fiets. Stom, maar dat was wat ik toen dacht.
Twee dagen later, op 23 december, is de ploeg vertrokken. Danny, Paul, Jan en Ingrid. Ze vlogen eerst naar Sofia. Daar huurden ze auto’s en ze reden via de grensovergang in Ruse naar Roemenië.
De rest ken je. Op kerstavond zijn ze Boekarest binnengereden. In konvooi, want ze waren met twee auto’s. Achter hen reed een ploeg van de Turkse televisie. Ze moeten toen ergens een afslag naar het centrum gemist hebben, want plots waren ze daar in Razoare, een buitenwijk in het zesde district van Boekarest. Een grauwe buurt en vlak bij een kazerne van soldaten van de grenswacht. Plots staat daar een tank voor hen, in het midden van de weg.
Zoals dat bij elke revolutie wel het geval zal zijn, was de toestand in Roemenië toen bijzonder chaotisch. Er werd veel geschoten, maar niemand wist wie er schoot. De mensen waren vooral bang van de terroristen. Vooral omdat niemand wist wie ze waren, vanwaar ze kwamen, aan wiens kant ze stonden. Algemeen werd ervan uitgegaan dat ze het Ceausescu-regime kwamen steunen. Niemand heeft ze ooit gezien maar iedereen was bang van hen. Zo zorgden ze voor terreur en voor angst.
Alleen, later is er geen enkel bewijs gevonden dat er ook maar één terrorist in Roemenië heeft rondgelopen. Vanwaar zouden ze gekomen zijn? Welke nationaliteit hadden ze? Er is nooit een van hen gevangen genomen, verwond of gedood. Dat alleen was al een vreemd teken. Teken aan de wand dat er niets van waar kon zijn.
In al die jaren is er nooit een officieel onderzoek geweest naar de dood van Danny. Er zijn wel een paar journalisten beginnen te spitten en zo kwamen stukje bij beetje almaar meer details naar boven.
Die tank in het midden van de weg, die stond daar niet toevallig. Die stond voor de kazerne van de grenswacht.
Soldaten van de grenswacht hebben later aan Roemeense journalisten hun verhaal gedaan. Zo is uiteindelijk die puzzel in elkaar gevallen.
Of toch een deel van de puzzel.
Waarom hij het deed, weet niemand.
Maar majoor Petre Teaca, de commandant van de grenswacht, heeft toen het bevel gegeven om op de auto’s te schieten die buiten voor de kazernepoort stonden.
De soldaten hadden daar aanvankelijk geen zin in, vroegen zich af waarom ze op auto’s moesten schieten waarin vermoedelijk journalisten zaten.
Op het dak stond immers in grote letters PRESS gekleefd.
Maar majoor Teaca beweerde dat het terroristen waren die zich als journalisten vermomd hadden.
De auto’s werden door enkele kogels geraakt en Danny, Paul, Jan en Ingrid zijn eruit gekropen. Vlak daarna kreeg Danny een kogel in zijn hoofd.
De hele nacht door is er dan vanuit de kazerne geschoten. Al was het niet duidelijk naar wie of wat. Met het lichaam van Danny tussen hen in, zijn de andere drie daar tot ‘s morgens vroeg blijven liggen. Elk moment vrezend dat de volgende kogel voor hen zou zijn. Maar rond de ochtend verminderde het schieten. Er begonnen bussen te rijden. Mensen kwamen op straat. De drie overlevenden zijn toen in de auto gesprongen en weggereden. Het lichaam van Danny hebben ze moeten achterlaten.
Later op die dag werden Nicolae en Elena Ceausescu terechtgesteld. Ook door militairen.
Volgens schrijver Tudor Cretu zijn zo goed als alle doden tijdens de revolutie gevallen door kogels van de militairen. Die waren niet voorbereid, die panikeerden en schoten op alles wat ze verdacht vonden.
Drie dagen na de dood van Danny werd majoor Petre Teaca door de nieuwe president, Ion Iliescu, gepromoveerd tot generaal-majoor. Wegens diensten voor het vaderland.

Dag Tim,
Je had me verteld dat je eventueel van plan was om met je dochters naar Boekarest te reizen. Om samen met hen naar de stad te gaan waar hun grootvader werd vermoord. Jullie zouden er het gedenkteken gaan bezoeken op de Piata Danny Huwé.

(De zwarte plaat die vroeger aan het gedenkteken hing. © ISOPIX)

Het gedenkteken en het plein, die jaren geleden werden ingehuldigd om een man te herdenken die zijn leven had gegeven om verslag uit te brengen van hun revolutie.
Bespaar je de moeite, Tim.
Bespaar je de teleurstelling.
Ik ben er daarnet geweest. Het pleintje is overwoekerd, al maanden, jaren niet meer onderhouden.
Volgens schrijver Tudor Cretu zijn zo goed als alle doden tijdens de revolutie gevallen door kogels van de militairen.
Van het gedenkteken blijft alleen het rode marmeren rechtopstaand muurtje over. De zwarte plaat die Danny’s naam, geboorte- en sterfdatum vermeldde, is er al lang afgeslagen.
Het straatnaambordje met de naam van het plein is ook weg.
Er lagen een paar lege bierblikjes op de grond voor dat muurtje maar die heb ik opgeraapt.

(Het gedenkteken zoals het er nu bijstaat.)

Ik heb morgen een afspraak met de hoofdredacteur van een krant die hier ook in het Engels verschijnt.
Ik zal haar erover aanspreken.
Maar toen ik daarstraks aan wat mensen in de buurt ging vragen wat daar gebeurd was, hoelang dat monumentje daar zo al stond te verkommeren, was er niemand die een zinnig antwoord kon geven. Naast het Piata Danny Huwé ligt een kerk. De pastoor van die kerk wist ook van niets, zei hij.
Hun schouders ophalen, daar zijn ze hier goed in, Tim.

Dag Tim,
Ik heb Alina Grigoras, hoofdredacteur van Romania Journal, ontmoet vandaag.
Nee, de mensen zijn de revolutie niet vergeten en nee, ze zijn ook Danny niet vergeten. De namen van Danny en van Jean-Louis Calderon zijn volgens haar nog altijd aanwezig in het collectieve geheugen van de mensen van Boekarest. Calderon was de Franse journalist van La Cinq die op 23 december door een tank werd doodgereden, hier in Boekarest.
Maar volgens haar worden de autoriteiten niet zo graag meer aan de revolutie herinnerd.
In Timisoara spreken ze nu nog altijd van de revolutie van december 1989. Hier in Boekarest hebben ze het liever over de gebeurtenissen van ’89.
Het onderhoud van zo’n monument is geen prioriteit. Ze hebben wel andere katten te geselen.
Maar Alina raadde me aan om een klacht in te dienen bij het stadsbestuur.
Het zal niets uithalen, zegt ze, maar ik moet het toch proberen.
Ik heb daarstraks een mail gestuurd naar de administratie van de Monumenten in de Polonastraat, en ook nog een naar het kabinet van mevrouw de burgemeester.
We zien wel of het wat uithaalt.

Dag Tim,
Nog altijd geen antwoord op mijn mails.
Ik blijf hopen en probeer zo veel mogelijk mensen deel te maken van mijn verontwaardiging in de hoop dat er op die manier toch iets gebeurt.
Wat me opvalt, Tim, is dat hier nog steeds een groot wantrouwen heerst.
Als iemand iets wil vertellen wat als negatief voor de overheid zou kunnen worden beschouwd, dan zal die eerst rond zich kijken om te zien of er niemand meeluistert. Dertig jaar na de revolutie!
Wij kunnen ons dat moeilijk voorstellen, maar blijkbaar is dat normaal.
Gabriela Bogdan, hoofdredacteur van de krant Nine O’Clock, een dagblad dat hier in het Engels verschijnt, legde me uit dat de angst die er heerste onder het communisme nog niet helemaal verdwenen is. Zij was dertig jaar geleden een 22-jarige studente. Als je aan tafel zat met familie of vrienden lette je altijd op je woorden. Omdat je nooit zeker wist of iemand in het gezelschap een verklikker was. Zo’n diepgeworteld wantrouwen, daar moeten verschillende generaties overgaan eer dat helemaal verdwenen zal zijn, zegt Bogdan. Je vertelde ook aan niemand dat je naar BBC of Radio Free Europe luisterde. Je kon daar zwaar voor gestraft worden. Angst hield lange tijd de mensen koest.
Als iemand iets wil vertellen wat als negatief voor de overheid zou kunnen worden beschouwd, dan zal die eerst rond zich kijken om te zien of er niemand meeluistert. Dertig jaar na de revolutie!
Waarom ze dan toch in opstand zijn gekomen?
‘Zijn ze wel in opstand gekomen? We hadden toen het idee dat alles één grote chaos was, maar in werkelijkheid werd alles geregisseerd. Er was een scenario en dat was geschreven door Ion Iliescu en Petre Roman. En dat scenario werd minutieus gevolgd. Het was alleen de bedoeling om Ceausescu af te zetten en te vervangen. Ion Iliescu was een trouw lid van de Communistische Partij die op Ceausescu’s stoel wilde gaan zitten. Hij werd president. Petre Roman werd premier. Het is wat uit de hand gelopen en de oude communisten veranderden hun naam in Sociaaldemocratische Partij, maar voor de rest… ‘Oude wijn in nieuwe zakken.’

Dag Tim,
Morgen keer ik terug naar België en ik heb nog altijd geen antwoord gekregen van de burgemeester of een van haar diensten.
Ik liep vandaag wat door de straten van Boekarest en toen viel me op dat ik hier in Roemenië in die paar weken dat ik hier was maar één dakloze gezien heb.
En ook maar één bedelaar. Hoewel. Toen ik uit het Atheneum kwam, het prachtige concertgebouw in het centrum van de stad, werd ik aangesproken door een goedgeklede man met in zijn hand een bekertje Starbuckskoffie. Ik verstond niet wat hij zei, maar aan zijn toon te horen, vroeg hij geld.
Ik zocht in mijn zakken naar een paar lei, maar toen zei hij ineens: ‘Give me ten euros.’ Dat vond ik nu net iets te direct en ik liep verder. Daarna vroeg ik me af, Tim, was dat nu een bedelaar of een overvaller?
In een van de wondermooie koffiehuizen raakte ik aan de praat met een jonge student die zijn visie wilde geven op de politieke situatie in ruil voor een koffie. Ik vond dat een faire deal.
Hij heeft familie in België. Hij is er nog niet geweest, maar zijn toekomstige schoonvader heeft in Meulenbeik gewerkt. ‘Molenbeek?’ ‘ Oui, oui, Meulenbeik. Il dit qu’il y a beaucoup de problèmes. Beaucoup de réfugiés en Belgique.’
‘Hebben jullie hier dan geen vluchtelingenprobleem?’
‘Wij hebben nooit kolonies gehad, zoals jullie. Daarom zijn er hier bijna geen vluchtelingen. En daarbij, niemand wil hier blijven.’
In 2016 had Roemenië aanvaard om 6200 vluchtelingen op te vangen, gespreid over twee jaar. Een jaar later waren er 550 het land binnengekomen.
Er zijn in de buurt van de Zwarte Zee in totaal drie opvangcentra. Want af en toe wagen toch mensen de overtocht met een bootje, meestal vanuit Turkije.
Daarom zijn er alleen in die streek ook drie moskeeën. Dat is alles.
De vluchtelingen die Roemenië binnenkomen hebben doorgaans maar één doel voor ogen: zo snel mogelijk naar het Westen.
Want daar ligt een beter leven op hen te wachten.
‘C’est ce qu’ils croient, monsieur, mais ils rêvent.’

Dag Tim,
Ik vlieg straks terug naar België.
Ik heb geen antwoord meer gekregen van het kabinet van de burgemeester.
Hopelijk lukt het me vanuit België om wat beweging in de zaak te krijgen.

Hou je goed.
Graag tot later,
Terry

Rilke

Rainer Maria Rilke en Clara Westhoff, 1901

Beschouwingen n.a.v. enkele Rilke citaten uit het artikel ” The Difficult Art of Giving Space in Love: Rilke on Freedom, Togetherness, and the Secret to a Good Marriage” (Brainpickings, Maria Popova, 03/09/2018).

De aangehaalde citaten van Rilke komen, zoals in het artikel vermeld, uit “Rilke on Love and Other Difficulties: Translations and Considerations”, John J.L. Mood, 1994) en willen verduidelijken dat in iedere hechte relatie zowel de behoefte aan samenzijn als die van autonomie aanwezig zijn. “Rilke offered some spectacular advice on managing the bipolar pull of autonomy and togetherness in a way that assures the longevity of any close bond and protects love from self-destruction”, aldus Popova.
In tegenstelling tot wat gesuggereerd wordt komen de fragmenten niet uit één, maar uit verschillende brieven aan telkens andere correspondenten (o.a. aan de 10-jarige Friedrich Westhoff), en ze worden in het artikel van Popova niet chronologisch weergegeven. Hieronder de betreffende brieven in hun volledige oorspronkelijke Duitse versie, met korte context situering. In cursief de fragmenten die in het artikel vermeld worden. Popova’s volgorde wordt behouden. Deze brieven werden door Rilke geschreven in de periode 1901-1904, hij was toen 26-29 jaar oud (zie foto hierboven met echtgenote).

Ik vind het soms interessant om citaten, zeker uit brieven, tegen het licht van de biografische achtergrond te houden en ze terug te plaatsen in hun oorspronkelijke context. Zo ontstaan vaak verrassende inzichten. Wat naar de voorgrond getrokken wordt verhindert wel eens die achtergrond te zien.


Brief 1:  Rilke aan de expressionistische schilderes Paula Modersohn-Becker, gedateerd 12/02/1902. Zij was zeer goed bevriend met Clara Westhoff, ook beeldhouwster en later schilderes en de echtgenote van Rilke met wie hij in 1901 getrouwd was. Twee maanden voor deze brief werd Rilkes dochter geboren. Het echtpaar zou slechts kort echt samenwonen, maar scheidde nooit en bleef een vriendschapsband behouden. Enkele maanden na deze brief vertrok Rilke naar Parijs om er een monografie over Rodin te schrijven. Het is dus niet verwonderlijk dat aan het thema van de eenzaamheid, ook in relaties, zoveel beschouwingen worden gewijd.
Paula-Modersohn-Becker overleed op 31-jarige leeftijd op 20 november 1908, enkele weken na de geboorte van haar enige kind, een dochter. Twee jaar daarvoor was ze teruggekomen op haar beslissing om te scheiden.

An Paula Becker-Modersohn

Bremen, am 12. Febr. 1902 Liebe Frau Modersohn, erlauben Sie, daß ich einige Worte zu Ihrem Brief an meine liebe Frau sage: er geht mich ja sehr an, wie Sie wissen, und wenn ich nicht in Bremen wäre, würde ich Gelegenheit suchen, mit Ihnen selbst über die Sache zu sprechen, – die … ja, über welche Sache? Wollen Sie mir glauben, daß es mir schwer fällt, zu verstehen, wovon Sie eigentlich reden? Es ist doch nichts geschehen – oder vielmehr: es ist viel Gutes geschehen, und das Mißverständnis beruht darin, daß Sie, was geschehen ist, nicht gelten lassen wollen. Alles soll sein, wie es war, und doch ist alles anders, als es gewesen ist. Wenn Ihre Liebe zu Clara Westhoff jetzt etwas tun will, dann ist ihre Arbeit und Aufgabe diese: nachzuholen, was sie versäumt hat. Denn sie hat versäumt zu sehen, wohin dieser Mensch gegangen ist, sie hat versäumt, ihn zu begleiten auf seiner weitesten Entwicklung, sie hat versäumt, sich auszubreiten über die neuen Weiten, die dieser Mensch umfaßt, und sie hat nicht aufgehört, ihn dort zu suchen, wo er an einem gewissen Punkte seines Wachstums war, sie will mit Hartnäckigkeit eine bestimmte Schönheit festhalten, die er überschritten hat, statt, im Vertrauen auf künftige neue gemeinsame Schönheiten, auszuharren.
Das Vertrauen, welches Sie mir, liebe Freundin, erwiesen haben, als Sie mir einen kleinen Einblick in Ihre Tagebuchblätter gewährten, berechtigt mich (wie ich glaube), Sie zu erinnern, wie fremd und fern und unvergleichlich Ihnen anfangs Clara Westhoffs Wesen schien, wie umgeben von einer Einsamkeit, deren Türen Sie nicht kannten … Und diesen ersten wichtigen Eindruck haben Sie so sehr vergessen können, daß Sie es nur mit Tadel und Warnung begleiten, wenn dieser Mensch, den Sie um seiner Andersheit und Einsamkeit willen zu lieben begannen, in eine neue Einsamkeit eintritt, deren Gründe Sie sogar besser überschauen können als die Gründe jener ersten Abgeschlossenheit, die Sie doch nicht mit Vorwürfen, sondern mit einer gewissen bewundernden Gewährung betrachtet haben. Wenn Ihre Liebe wachsam geblieben ist, dann hat sie sehen müssen, daß die Erlebnisse, welche zu Clara Westhoff kamen, eben dadurch ihren Wert erhielten, daß sie mit dem Innern des Hauses, in welchem die Zukunft uns finden soll, sich eng und unlösbar verbanden: wir mußten alles Holz auf unserm eigenen Herd verbrennen, um unser Haus erstmal auszuwärmen und wohnlich zu machen. Muß ich es Ihnen erst sagen, daß wir Sorgen hatten, schwere und bange Sorgen, die ebenso nicht hinausgetragen werden durften wie die wenigen Stunden tiefen Glücks? … Wundert es Sie, daß die Schwerpunkte sich verschoben haben, und ist Ihre Liebe und Freundschaft so mißtrauisch, daß sie immerfort sehen und greifen will, was sie besitzt? Sie müssen fortwährend Enttäuschungen erfahren, wenn Sie erwarten, das alte Verhältnis zu finden, aber warum freuen Sie sich nicht auf das neue, das beginnen wird, wenn Clara Westhoffs neue Einsamkeit einmal die Tore auftut, um Sie zu empfangen?
Auch ich stehe still und voll tiefen Vertrauens vor den Toren dieser Einsamkeit,

weil ich für die höchste Aufgabe einer Verbindung zweier Menschen diese halte: daß einer dem andern seine Einsamkeit bewache. Denn wenn das Wesen der Gleichgültigkeit und der Menge darin besteht, keine Einsamkeit anzuerkennen, so ist Liebe und Freundschaft dazu da, fortwährend Gelegenheit zur Einsamkeit zu geben. Und nur das sind die wirklichen Gemeinsamkeiten, die rhythmisch tiefe Vereinsamungen unterbrechen…

Denken Sie daran, als Sie Clara Westhoff kennen lernten: da wartete Ihre Liebe geduldig auf ein aufgehendes Tor, dieselbe Liebe, die jetzt ungeduldig an die Wände pocht, hinter denen die Dinge sich vollziehen, die wir nicht kennen, die ich ebensowenig kenne wie Sie, – nur daß ich das Vertrauen habe, daß sie mich tief und verwandt berühren werden, wenn sie sich mir einmal offenbaren. Und kann Ihre Liebe kein ähnliches Vertrauen fassen? Aus diesem Vertrauen allein werden ihr Freuden kommen, von denen sie leben wird, ohne zu hungern. –
Ihr: Rainer Maria Rilke.


Brief 2: 17/08.1901. Rilke aan de schrijver en dichter Emanuel von Bodman. Bodman had blijkbaar huwelijksproblemen, het jaar daarna (1902) zou hij scheiden van zijn eerste vrouw. Zijn tweede huwelijk (waarin een dochter geboren werd die echter in hetzelfde jaar stierf) mondde eveneens uit in een scheiding (1909). In 1914 volgde een derde huwelijk dat duurde tot zijn overlijden in 1946.

An Emanuel von Bodman

Westerwede bei Bremen, am 17. August 1901/ Mein lieber Bodman, ich danke Ihnen für Ihren Brief und die Verse, diese Zeichen lieben und aufrichtigen Vertrauens. Ich weiß es wohl zu schätzen, dass Sie mir aus so ernsten Tagen schreiben konnten, und Sie werden es nicht aufdringlich empfinden, wenn ich daraus das Rechte ableite, Ihnen etwas von meiner Meinung über derartige Kämpfe zu vermitteln.
In einem solchen Fall heißt es [nach meiner persönlichen Meinung], sich auf sich selbst zurückziehen und weder zu dem einen noch zu dem anderen Wesen hinzustreben, das Leiden, welches beide verursachen, nicht auf die Ursache des Leidens [die so weit außerhalb liegt] beziehen, sondern für sich selbst fruchtbar machen. Wenn Sie die Vorgänge Ihres Gefühls in die Einsamkeit übertragen und Ihr schwankendes und zitterndes Empfinden nicht in die gefährliche Nähe von Magnetkräften bringen, so wird es mit der ihm eigenen Beweglichkeit von selbst diejenige Lage einnehmen, welche ihm die natürliche und notwendige ist. – Es tut in jedem Falle gut, sich sehr oft zu erinnern, dass es über allem Seienden Gesetze gibt, die niemals zu wirken versäumen, die vielmehr herbeistürzen, um an jedem Stein und an jeder Feder, die wir fallen lassen, sich zu bewähren und zu versuchen.

Alles Irren besteht also nur im Nichterkennen der Gesetzmäßigkeit, unter welcher wir im gegebenen Fall stehen, und alle Lösung beginnt mit unserer Aufmerksamkeit und Sammlung, die uns leise in die Kette der Ereignisse einreiht und unserm Willen seine wiegenden Gleichgewichte wiedergibt.

Im Übrigen bin ich der Meinung, dass die „Ehe“ als solche nicht so viel Betonung verdient, als ihr durch die konventionelle Entwicklung ihres Wesens zugewachsen ist. Es fällt niemandem ein, von einem Einzelnen zu verlangen, dass er „glücklich“ sei, – heiratet aber einer, so ist man sehr erstaunt, wenn er es nicht ist! [Und dabei ist es wirklich gar nicht wichtig, glücklich zu sein, weder als Einzelner noch Verheirateter.] Die Ehe ist in manchen Punkten eine Vereinfachung der Lebensumstände, und der Zusammenschluss summiert natürlich die Kräfte und Willen zweier junger Menschen, so dass sie geeint weiter in die Zukunft zu reichen scheinen als vorher. – Allein, das sind Sensationen, von denen sich nicht leben lässt. Vor allem ist die Ehe eine neue Aufgabe und ein neuer Ernst, – eine neue Anforderung und Frage an die Kraft und Güte eines jeden Beteiligten und eine neue große Gefahr für beide.
Es handelt sich in der Ehe für mein Gefühl nicht darum, durch Niederreißung und Umstürzung aller Grenzen eine rasche Gemeinsamkeit zu schaffen, vielmehr ist die gute Ehe die, in welcher jeder den anderen zum Wächter seiner Einsamkeit bestellt und ihm dieses größte Vertrauen beweist, das er zu verleihen hat. Ein Miteinander zweier Menschen ist eine Unmöglichkeit und, wo es doch vorhanden scheint, eine Beschränkung, eine gegenseitige Übereinkunft, welchen einen Teil oder beide Teile ihrer vollsten Freiheit und Entwicklung beraubt.

Aber, das Bewusstsein vorausgesetzt, dass auch zwischen den nächsten Menschen unendliche Fernen bestehen bleiben, kann ihnen ein wundervolles Nebeneinanderwohnen erwachsen, wenn es ihnen gelingt, die Weite zwischen sich zu lieben, die ihnen die Möglichkeit gibt, einander immer in ganzer Gestalt und vor einem großen Himmel zu sehen.

Deshalb muß also auch dieses als Maßstab gelten bei Verwerfung oder Wahl: ob man an der Einsamkeit eines Menschen Wache halten mag, und ob man geneigt ist, diesen selben Menschen an die Tore der eigenen Tiefe zu stellen, von der er nur erfährt durch das, was, festlich gekleidet, heraustritt aus dem großen Dunkel.

So ist meine Meinung und mein Gesetz. Und, wenn es möglich ist, lassen Sie bald wieder Mutiges und Gutes von sich hören.
– Ihren getreuen Rainer Maria Rilke


Brief 3: 29/04/1904  Rilke aan Friedrich Westhoff, broer van Clara, toen 10 jaar oud (*).

An Friedrich Westhoff

Rom, am 29. April 1904 / Mein lieber Friedrich, wir haben durch Mutter in dieser Zeit öfters von dir gehört, und, ohne Genaueres von dir zu wissen, fühlen wir doch, dass du eine schwere Zeit hast. Mutter wird dir nicht helfen können, denn im Grunde kann keiner im Leben dem anderen helfen; das erfährt man immer wieder in jedem Konflikt und jeder Verwirrung: dass man allein ist.

Das ist nicht so schlimm, wie es auf den ersten Blick scheinen mag; es ist auch wieder das Beste im Leben, dass jeder alles in sich selbst hat: sein Schicksal, seine Zukunft, seine ganze Weite und Welt. Nun gibt es freilich Momente, wo es schwer ist, in sich zu sein und innerhalb des eigenen Ichs auszuhalten; es geschieht, dass man gerade in den Augenblicken, da man fester und – fast müsste man sagen – eigensinniger denn je an sich festhalten sollte, sich an etwas Äußeres anschließt, während wichtiger Ereignisse den eigenen Mittelpunkt aus sich heraus in Fremdes, in einen anderen Menschen verlegt. Das ist gegen die allereinfachsten Gesetze des Gleichgewichts, und es kann nur Schweres dabei herauskommen.

Clara und ich, lieber Friedrich, wir haben uns gerade darin gefunden und verstanden,

dass alle Gemeinsamkeit nur im Erstarken zweier benachbarter Einsamkeiten bestehen kann, dass aber alles, was man Hingabe zu nennen pflegt, seinem Wesen nach der Gemeinsamkeit schädlich ist: Denn wenn ein Mensch sich verlässt, so ist er nichts mehr, und wenn zwei Menschen beide sich selbst aufgeben, um zueinander zu treten, so ist kein Boden mehr unter ihnen und ihr Beisammensein ist ein fortwährendes Fallen.

– Wir haben, mein lieber Friedrich, nicht ohne große Schmerzen, solches erfahren, haben erfahren, was jeder, der ein eigenes Leben will, so oder so zu wissen bekommt.

Ich werde einmal, wenn ich reifer und älter bin, vielleicht dazu kommen, ein Buch zu schreiben, ein Buch für junge Menschen; nicht etwa, weil ich glaube, etwas besser gekonnt zu haben als andere. Im Gegenteil, weil mir alles so viel schwerer geworden ist als anderen jungen Menschen von Kindheit an während meiner ganzen Jugend.

Da habe ich immer und immer wieder erfahren, dass es kaum etwas Schwereres gibt, als sich lieb haben. Dass das Arbeit ist, Tagelohn, Friedrich, Tagelohn; weiß Gott, es gibt kein anderes Wort dafür. Sieh, und nun kommt noch dazu, dass die jungen Menschen auf so schweres Lieben nicht vorbereitet werden; denn die Konvention hat diese komplizierteste und äußerste Beziehung zu etwas Leichtem und Leichtsinnigem zu machen versucht, ihr den Schein gegeben, als könnten sie alle. Dem ist nicht so. Liebe ist etwas Schweres, und sie ist schwerer denn anderes, weil bei anderen Konflikten die Natur selbst den Menschern anhält, sich zu sammeln, sich ganz fest mit aller Kraft zusammenzufassen, während in der Steigerung der Liebe der Anreiz liegt, sich ganz fortzugeben. Aber denke doch nur, kann das etwas Schönes sein, sich fortzugeben nicht als Ganzes und Geordnetes, sondern so dem Zufall nach, Stück für Stück, wie es sich trifft? Kann solche Fortgabe, die einem Fortwerfen und Zerreißen so ähnlich sieht, etwas Gutes, kann sie Glück, Freude, Fortschritt sein? Nein, sie kann es nicht … Wenn du jemandem Blumen schenkst, so ordnest du sie vorher, nicht wahr? Aber junge Menschen, die sich lieb haben werfen sich einander hin in der Ungeduld und Hast ihrer Leidenschaft, und sie merken gar nicht, welcher Mangel an gegenseitiger Schätzung in dieser unaufgeräumten Hingabe liegt, merken es erst mit Staunen und Unwillen an dem Zerwürfnis, das aus aller dieser Unordnung zwischen ihnen entsteht.

Und ist erst Uneinheit unter ihnen, dann wächst die Wirrnis mit jedem Tage; keiner von den beiden hat mehr etwas Unzerschlagenes, Reines und Unverdorbenes um sich, und mitten in der Trostlosigkeit eines Abbruchs suchen sie den Schein ihres Glückes [denn um des Glückes willen sollte all das doch sein] festzuhalten. Ach, sie vermögen sich kaum mehr zu entsinnen, was sie mit Glück meinten. In seiner Unsicherheit wird jeder immer ungerechter gegen den anderen; die einander wohltun wollten, berühren einer den anderen nun auf herrische und unduldsame Art, und im Bestreben, aus dem unhaltbaren und unerträglichen Zustand ihrer Wirrnis irgendwie herauszukommen, begehen sie den größten Fehler, der an menschlichen Beziehungen geschehen kann: sie werden ungeduldig. Sie drängen sich zu einem Abschluss, zu einer, wie sie glauben, endgültigen Entscheidung zu kommen, sie versuchen ihr Verhältnis, dessen überraschende Veränderungen sie erschreckt haben, ein für allemal festzustellen, damit es von nun ab „ewig“ [wie sie sagen] dasselbe bleibe.

Das ist nur der letzte Irrtum in dieser langen Kette von aneinander festhaltenden Irrungen. Totes nicht einmal lässt sich endgültig festhalten [denn es zerfällt und verändert sich in seiner Art] wie viel weniger lässt sich Lebendes und Lebendiges ein für alle Mal abschließend behandeln.

Leben ist ja gerade Sichverwandeln, und menschliche Beziehungen, die ein Lebensextrakt sind, sind das Veränderlichste von allem, steigen und fallen von Minute zu Minute, und Liebende sind diejenigen, in deren Beziehung und Berührung kein Augenblick dem anderen gleicht.

Menschen, zwischen denen nie etwas Gewohntes, etwas schon einmal Dagewesenes vor sich geht, sondern lauter Neues, Unerwartetes, Unerhörtes.

Es gibt solche Verhältnisse, die ein sehr großes, fast unerträgliches Glück sein müssen, aber sie können nur zwischen sehr reichen Menschen eintreten und zwischen solchen, die jeder für sich, reich, geordnet und versammelt sind, nur zwei weite, tiefe, eigene Welten können sie verbinden.

– Junge Menschen – das liegt auf der Hand – können ein solches Verhältnis nicht gewinnen, aber sie können, wenn sie ihr Leben recht begreifen, langsam zu solchem Glück anwachsen und sich vorbereiten dafür. Sie müssen, wenn sie lieben, nicht vergessen, dass sie Anfänger sind, Stümper des Lebens, Lehrlinge in der Liebe, – müssen Liebe lernen, und dazu gehört [wie zu jedem Lernen] Ruhe, Geduld und Sammlung!

Liebe ernst nehmen und leiden und wie eine Arbeit lernen, das ist es, Friedrich, was jungen Menschen nottut. – Die Leute haben, wie so vieles andere, auch die Stellung der Liebe im Leben missverstanden, sie haben sie zu Spiel und Vergnügen gemacht, weil sie meinten, dass Spiel und Vergnügen seliger denn Arbeit sei; es gibt aber nichts Glücklicheres als die Arbeit, und Liebe, gerade weil sie das äußerste Glück ist, kann nichts anderes als Arbeit sein. – Wer also liebt, der muss versuchen, sich zu benehmen, als ob er eine große Arbeit hätte: Er muss viel allein sein und in sich gehen und sich zusammenfassen und sich festhalten; er muss arbeiten; er muss etwas werden!

Denn, Friedrich, glaube mir, je mehr man ist, je reicher ist alles, was man erlebt. Und wer in seinem Leben eine tiefe Liebe haben will, der muss sparen und sammeln dafür und Honig zusammentragen.

Man muss nie verzweifeln, wenn einem etwas verloren geht, ein Mensch oder eine Freude oder ein Glück; es kommt alles noch herrlicher wieder. Was abfallen muss, fällt ab; was zu uns gehört, bleibt uns, denn es geht alles nach Gesetzen vor sich, die größer als unsere Einsicht sind und mit denen wir nur scheinbar im Widerspruch stehen. Man muss in sich selber leben und an das ganze Leben denken, an alle seine Millionen Möglichkeiten, Weiten und Zukünfte, denen gegenüber es nichts Vergangenes und Verlorenes gibt. –

Wir denken so viel an dich, lieber Friedrich; unsere Überzeugung ist die: Dass du in der Wirrnis der Ereignisse längst, aus dir heraus, den eigenen einsamen Ausweg gefunden hättest, der allein helfen kann, wenn nicht die ganze Last des Militärjahres noch auf dir läge … Ich erinnere mich, dass nach meiner eingesperrten Militärschulzeit mein Freiheitsdrang und mein entstelltes Selbstgefühl [das sich erst allmählich von Bügen und Beulen, die man ihm beigebracht hatte, erholen musste] mich zu Verirrungen und Wünschen, die gar nicht zu meinem Leben gehören, treiben wollte, und es war mein Glück, dass meine Arbeit da war: In ihr fand ich mich und finde mich täglich in ihr und suche mich nirgends anders mehr. So tun wir beide; so ist Claras und mein Leben. Und du wirst auch dazu kommen, ganz gewiss. Sei guten Mutes, alles ist vor dir, und die Zeit, die mit Schwerem hingeht, ist nie verloren. Wir grüßen dich, lieber Friedrich, von Herzen:

Rainer und Clara


Brief 4: 14/04/1904 Rilke aan Franz Xaver Kappus

De 10 brieven van Rilke aan Franz Xaver Kappus zijn bekend als “Briefe an einen jungen Dichter” en geschreven in de periode 1902-1908. De jonge Kappus (19 in 1902) vraagt raad aan Rilke ivm de keuze tussen het dichterschap of het volgen van een militaire loopbaan. Dit is de zevende brief, waarin Rilke ook het hem door Kappus toegestuurde sonnet bespreekt, overschrijft en mee insluit.

An Franz Xaver Kappus,

Rom, am 14. Mai 1904 /Mein lieber Herr Kappus, es ist viel Zeit hingegangen, seit ich Ihren letzten Brief empfangen habe. Tragen Sie mir das nicht nach; erst war es Arbeit, dann Störung und endlich Kränklichkeit, was mich immer wieder von dieser Antwort abhielt, die [so wollte ich es] aus ruhigen und guten Tagen zu Ihnen kommen sollte. Nun fühle ich mich wieder etwas wohler [der Frühlingsanfang mit seinen bösen, launischen Übergängen war auch hier arg zu fühlen] und komme dazu, Sie, lieber Herr Kappus, zu grüßen und Ihnen [was ich so herzlich gerne tue] das und jenes auf Ihren Brief zu sagen, so gut ich es weiß.

Sie sehen: Ich habe Ihr Sonett abgeschrieben, weil ich fand, dass es schön und einfach ist und in der Form geboren, in der es mit so stillem Anstand geht. Es sind die besten von den Versen, die ich von Ihnen lesen durfte. Und nun gebe ich Ihnen jene Abschrift, weil ich weiß, dass es wichtig und voll neuer Erfahrung ist, eine eigene Arbeit in fremder Niederschrift wiederzufinden. Lesen Sie die Verse, als ob es fremde wären, und Sie werden im Innersten fühlen, wie sehr es die Ihrigen sind. – Es war eine Freude für mich, dieses Sonett und Ihren Brief oft zu lesen; ich danke Ihnen für beides.

Und Sie dürfen sich nicht beirren lassen in Ihrer Einsamkeit, dadurch, dass etwas in Ihnen ist, das sich herauswünscht aus ihr. Gerade dieser Wunsch wird Ihnen, wenn Sie ihn ruhig und überlegen und wie ein Werkzeug gebrauchen, Ihre Einsamkeit ausbreiten helfen über weites Land. Die Leute haben [mit Hilfe von Konventionen] alles nach dem Leichten hin gelöst und nach des Leichten leichtester Seite; es ist aber klar, dass wir uns an das Schwere halten müssen; alles Lebendige hält sich daran, alles in der Natur wächst und wehrt sich nach seiner Art und ist ein Eigenes aus sich heraus, versucht es um jeden Preis zu sein und gegen allen Widerstand. Wir wissen wenig, aber dass wir uns zu Schwerem halten müssen, ist eine Sicherheit, die uns nicht verlassen wird; es ist gut, einsam zu sein, denn Einsamkeit ist schwer; dass etwas schwer ist, muss uns ein Grund mehr sein, es zu tun.

Auch zu lieben ist gut: denn Lieben ist schwer. Liebhaben von Mensch zu Mensch:

das ist vielleicht das Schwerste, was uns aufgegeben ist, das Äußerste, die letzte Probe und Prüfung, die Arbeit, für die alle andere Arbeit nur Vorbereitung ist.

Darum können junge Menschen, die Anfänger in allem sind, die Liebe noch nicht: Sie müssen sie lernen. Mit dem ganzen Wesen, mit allen Kräften, versammelt um ihr einsames, banges, aufwärts schlagendes Herz, müssen sie lieben lernen. Lernzeit aber ist immer eine lange, abgeschlossene Zeit, und so ist Lieben für lange hinaus und weit ins Leben hinein –: Einsamkeit, gesteigertes und vertieftes Alleinsein für den, der liebt. Lieben ist zunächst nichts, was aufgehen, hingeben und sich mit einem Zweiten vereinen heißt [denn was wäre eine Vereinigung von Ungeklärtem und Unfertigem, noch Ungeordnetem –?], es ist ein erhabener Anlass für den Einzelnen, zu reifen, in sich etwas zu werden, Welt zu werden, Welt zu werden für sich um eines anderen willen, es ist ein großer, unbescheidener Anspruch an ihn, etwas, was ihn auserwählt und zu Weitem beruft. Nur in diesem Sinne, als Aufgabe, an sich zu arbeiten [„zu horchen und zu hämmern Tag und Nacht“] dürften junge Menschen die Liebe, die ihnen gegeben wird, gebrauchen. Das Aufgehen und das Hingeben und alle Art der Gemeinsamkeit ist nicht für sie [die noch lange, lange sparen und sammeln müssen], ist das Endliche, ist vielleicht das, wofür Menschenleben jetzt noch kaum ausreichen.

Darin aber irren die jungen Menschen so oft und so schwer: Dass sie [in deren Wesen es liegt, keine Geduld zu haben] sich einander hinwerfen, wenn die Liebe über sie kommt, sich ausstreuen, so wie sie sind in all ihrer Unaufgeräumtheit, Unordnung, Wirrnis …: Was aber soll dann sein? Was soll das Leben an diesem Haufen von Halbzerschlagenem tun, den sie ihre Gemeinsamkeit heißen und den sie gerne ihr Glück nennen möchten, ginge es an, und ihre Zukunft? Da verliert jeder sich um des anderen willen und verliert den anderen und viele andere, die noch kommen wollten. Und verliert die Weiten und Möglichkeiten, tauscht das Nahen und Fliehen leiser, ahnungsvoller Dinge gegen eine unfruchtbare Ratlosigkeit, aus der nichts mehr kommen kann; nichts als ein wenig Ekel, Enttäuschung und Armut und die Rettung in eine der vielen Konventionen, die wie allgemeine Schutzhütten an diesem gefährlichsten Wege in großer Zahl angebracht sind. Kein Gebiet menschlichen Erlebens ist so mit Konventionen versehen wie dieses: Rettungsgürtel der verschiedensten Erfindung, Boote und Schwimmblasen sind da; Zuflüchte in jeder Art hat die gesellschaftliche Auffassung zu schaffen gewusst, denn da sie geneigt war, das Liebesleben als ein Vergnügen zu nehmen, musste sie es auch leicht ausgestalten, billig, gefahrlos und sicher, wie öffentliche Vergnügungen sind.

Zwar fühlen viele junge Menschen, die falsch, d. h. einfach hingebend und uneinsam lieben [der Durchschnitt wird ja immer dabei bleiben –], das Drückende einer Verfehlung und wollen auch den Zustand, in den sie geraten sind, auf ihre eigene, persönliche Art lebensfähig und fruchtbar machen –; denn ihre Natur sagt ihnen, dass die Fragen der Liebe, weniger noch als alles, was sonst wichtig ist, öffentlich und nach dem und jenem Übereinkommen gelöst werden könne; dass es Fragen sind, nahe Fragen von Mensch zu Mensch, die einer in jedem Falle neuen, besonderen, nur persönlichen Antwort bedürfen –: aber wie sollten sie, die sich schon zusammengeworfen haben und sich nicht mehr abgrenzen und unterscheiden, die also nichts Eigenes mehr besitzen, einen Ausweg aus sich selbst heraus, aus der Tiefe der schon verschütteten Einsamkeit finden können?

Sie handeln aus gemeinsamer Hilflosigkeit, und sie geraten, wenn sie dann, besten Willens, die Konvention, die ihnen auffällt [etwa die Ehe], vermeiden wollen, in die Fangarme einer weniger lauten, aber ebenso tödlichen konventionellen Lösung; denn da ist dann alles, weithin um sie – Konvention; da, wo aus einer früh zusammengeflossenen, trüben Gemeinsamkeit gehandelt wird, ist jede Handlung konventionell: jedes Verhältnis, zu dem solche Verwirrung führt, hat seine Konvention, mag es auch noch so ungebräuchlich [d. h. im gewöhnlichen Sinn unmoralisch] sein; ja, sogar Trennung wäre da ein konventioneller Schritt, ein unpersönlicher Zufallsentschluss ohne Kraft und ohne Frucht.

Wer ernst hinsieht, findet, dass, wie für den Tod, der schwer ist, auch für die schwere Liebe noch keine Aufklärung, keine Lösung, weder Wink noch Weg erkannt worden ist; und es wird für diese beiden Aufgaben, die wir verhüllt tragen und weitergeben, ohne sie aufzutun, keine gemeinsame, in Vereinbarung beruhende Regel sich erforschen lassen. Aber in demselben Maße, in dem wir beginnen, als Einzelne das Leben zu versuchen, werden diese großen Dinge uns, den Einzelnen, in größerer Nähe begegnen. Die Ansprüche, welche die schwere Arbeit der Liebe an unsere Entwicklung stellt, sind überlebensgroß, und wir sind ihnen, als Anfänger, nicht gewachsen. Wenn wir aber doch aushalten und diese Liebe auf uns nehmen als Last und Lehrzeit, statt uns zu verlieren an all das leichte und leichtsinnige Spiel, hinter dem die Menschen sich vor dem ernstesten Ernst ihres Daseins verborgen haben, – so wird ein kleiner Fortschritt und eine Erleichterung denen, die lange nach uns kommen, vielleicht fühlbar sein; das wäre viel.

Wir kommen ja doch eben erst dazu, das Verhältnis eines einzelnen Menschen zu einem zweiten Einzelnen vorurteilslos und sachlich zu betrachten, und unsere Versuche, solche Beziehung zu leben, haben kein Vorbild vor sich. Und doch ist in dem Wandel der Zeit schon manches, das unserer zaghaften Anfängerschaft helfen will.

Das Mädchen und die Frau, in ihrer neuen, eigenen Entfaltung, werden nur vorübergehend Nachahmer männlicher Unart und Art und Wiederholer männlicher Berufe sein. Nach der Unsicherheit solcher Übergänge wird sich zeigen, dass die Frauen durch die Fülle und den Wechseln jener [oft lächerlichen] Verkleidungen nur gegangen sind, um ihr eigenstes Wesen von den entstellenden Einflüssen des anderen Geschlechtes zu reinigen. Die Frauen, in denen unmittelbarer, fruchtbarer und vertrauensvoller das Leben verweilt und wohnt, müssen ja im Grunde reifere Menschen geworden sein, menschlichere Menschen als der leichte, durch die Schwere keiner leiblichen Frucht unter die Oberfläche des Lebens herabgezogene Mann, der, dünkelhaft und hastig, unterschätzt, was er zu lieben meint. Dieses in Schmerzen und Erniedrigungen ausgetragene Menschentum der Frau wird dann, wenn sie die Konventionen der Nur-Weiblichkeit in den Verwandlungen ihres äußeren Standes abgestreift haben wird, zutage treten, und die Männer, die es heute noch nicht kommen fühlen, werden davon überrascht und geschlagen werden. Eines Tages [wofür jetzt, zumal in den nordischen Ländern, schon zuverlässige Zeichen sprechen und leuchten], eines Tages wird das Mädchen da sein und die Frau, deren Name nicht mehr nur einen Gegensatz zum Männlichen bedeuten wird, sondern etwas für sich, etwas, wobei man an keine Ergänzung und Grenze denkt, nur an Leben und Dasein: der weibliche Mensch.

Dieser Fortschritt wird das Liebe-Erleben, das jetzt voll Irrung ist [sehr gegen den Willen der überholten Männer zunächst], verwandeln, von Grund aus verändern, zu einer Beziehung umbilden, die von Mensch zu Mensch gemeint ist, nicht mehr von Mann zu Weib. Und diese menschlichere Liebe [die unendlich rücksichtsvoll und leise, und gut und klar in Binden und Lösen sich vollziehen wird] wird jener ähneln, die wir ringend und mühsam vorbereiten, der Liebe, die darin besteht, dass zwei Einsamkeiten einander schützen, grenzen und grüßen.

Und das noch: Glauben Sie nicht, dass jene große Liebe, welche Ihnen, dem Knaben, einst auferlegt worden ist, verloren war; können Sie sagen, ob damals nicht große und gute Wünsche in Ihnen gereift sind und Vorsätze, von denen Sie heute noch leben? Ich glaube, dass jene Liebe so stark und mächtig in Ihrer Erinnerung bleibt, weil sie Ihr erstes tiefes Alleinsein war und die erste innere Arbeit, die Sie an Ihrem Leben getan haben. – Alle guten Wünsche für Sie, lieber Herr Kappus!

Ihr:
Rainer Maria Rilke

(toegevoegd: het sonnet van Kappus, overgeschreven door Rilke:

Sonett

Durch mein Leben zittert ohne Klage,
ohne Seufzer ein tiefdunkles Weh.
Meiner Träume reiner Blütenschnee
Ist die Weihe meiner stillsten Tage.

Öfter aber kreuzt die große Frage
Meinen Pfad. Ich werde klein und geh
Kalt vorüber wie an einem See,
dessen Flut ich nicht zu messen wage.

Und dann sinkt ein Leid auf mich, so trübe
Wie das Grau glanzarmer Sommernächte,
die ein Stern durchflimmert dann und wann -:

Meine Hände tasten dann nach Liebe,
weil ich gerne Laute beten möchte,
die mein heißer Mund nicht finden kann…

(Franz Xaver Kappus)

 


+ Bronnen:
Brief 1: “Rainer Maria Rilke, Briefe aus den Jahre 1892-1904, Verona, 2016, Nachdruck des Originals, 1939, via books.google.be;
Brief 2, 3 en 4: via http://www.marschler.at/worte-rilke-briefe.htm .

+ (*) Lang gezocht naar deze “Friedrich Westhoff”. In verwijzing naar deze brief wordt hij in een voetnoot “broer van Clara” genoemd in “Letters of Rainer Maria Rilke“, Greene, Norton, 1945, note 62. Deze Friedrich werd geboren in 1894, wat zou betekenen dat hij bij ontvangst van deze brief (1904) 10 jaar oud was. Dit kan nagegaan worden in de stamboom van Clara Westhoff, die je hier vindt. Daaruit blijkt ook dat Clara geboren werd uit het tweede huwelijk van haar vader, en dat zij nog twee stiefbroers en één stiefzus had.
Ook aan Helmuth, een andere broer van Clara, schrijft Rilke een brief in november 1901, deze was toen eveneens slechts 10 jaar.
Uit de inhoud van deze brief blijkt dat Rilke de jonge Friedrich op erg volwassen wijze toespreekt en hem wegwijs probeert te maken in het “liefhebben: “Sie müssen, wenn sie lieben, nicht vergessen, dass sie Anfänger sind, Stümper des Lebens, Lehrlinge in der Liebe, – müssen Liebe lernen, und dazu gehört [wie zu jedem Lernen] Ruhe, Geduld und Sammlung!”.

+ Rilke was een veelschrijver: ” Von Rilkes Briefen sind bis heute ungefähr 7000 veröffentlicht worden. Diese Zahl zeigt schon, daß sie mehr sind, als nur eine aufschlußreiche Quelle für Biographen. Tatsächlich kann man sie als eigenständigen Teil seines literarischen Werkes sehen, dem sie an Ausdruckskraft und Schönheit nicht nachstehen. Der Dichter geht feinfühlig auf seine Briefpartner ein, nutzt die Korrespondenzen aber auch zur Selbstreflexion.” (in “Rilke, Briefe/Index“)

Pale Blue Dot

In his speech at Cornell University (October 13th, 1994) Carl Sagan (1934-1996) left us his immoral thoughts  on looking at the picture of Earth “Voyager 1 Space Probe” sent back to us in 1990 at a distance of 6 billion kilometres. They are still so true today, almost 25 years later…
The picture became known as “The Pale Blue Dot“:

“From this distant vantage point, the Earth might not seem of particular interest. But for us, it’s different. Consider again that dot. That’s here. That’s home. That’s us. On it everyone you love, everyone you know, everyone you ever heard of, every human being who ever was, lived out their lives. The aggregate of our joy and suffering, thousands of confident religions, ideologies, and economic doctrines, every hunter and forager, every hero and coward, every creator and destroyer of civilization, every king and peasant, every young couple in love, every mother and father, hopeful child, inventor and explorer, every teacher of morals, every corrupt politician, every “superstar,” every “supreme leader,” every saint and sinner in the history of our species lived there–on a mote of dust suspended in a sunbeam.
The Earth is a very small stage in a vast cosmic arena. Think of the rivers of blood spilled by all those generals and emperors so that, in glory and triumph, they could become the momentary masters of a fraction of a dot. Think of the endless cruelties visited by the inhabitants of one corner of this pixel on the scarcely distinguishable inhabitants of some other corner, how frequent their misunderstandings, how eager they are to kill one another, how fervent their hatreds.
Our posturings, our imagined self-importance, the delusion that we have some privileged position in the Universe, are challenged by this point of pale light. Our planet is a lonely speck in the great enveloping cosmic dark. In our obscurity, in all this vastness, there is no hint that help will come from elsewhere to save us from ourselves.
The Earth is the only world known so far to harbor life. There is nowhere else, at least in the near future, to which our species could migrate. Visit, yes. Settle, not yet. Like it or not, for the moment the Earth is where we make our stand.
It has been said that astronomy is a humbling and character-building experience. There is perhaps no better demonstration of the folly of human conceits than this distant image of our tiny world. To me, it underscores our responsibility to deal more kindly with one another, and to preserve and cherish the pale blue dot, the only home we’ve ever known.”

Adagio Sostenuto

#AdagioSostenu Op de bank van Fleur, herfst, rust, ademen, verlangen… er ‘gebeurt’ weinig, en toch méér dan voldoende (Adagio Sostenuto, Sergei Rachmaninoff, uit  zijn 2de pianocnocerto, Eric Carmen in 1975 gebruikte een melodielijn voor zijn hit “All By Myself).
Beelden opgenomen op woensdag 24 oktober, Ymeriaplein, Wijgmaal.

Kortenbergse Liefde

Een liedje over een liefdesgeschiedenis bij de huwelijksceremonie van Auke Dekempeneer & Wide Vercnocke (in het zonnetje!), gezongen én gecomponeerd door Thomas Swerts, backing vocals door “De Jonkers” (Bert Vercnocke – broer, Nand Vercnocke – broer, Bart P Malfliet, Maarten Vanermen, Anselm Vereertbrugghen en Olivier Dekempeneer) #aukepluswide #schuurfuif

Kortenbergse Liefde

Zagen elkaar soms op de basketbal
Een lieve reus, een blonde stoot
Stiekem kijkend vanaf de zijlijn
De prille liefde, die was groot

Kortenbergse liefde
Hoeft niet kort te zijn
Kortenbergse liefde
Kan duren voor altijd

Twee pubers in het schrale jeugdhuis
Hormonen gierend door hun lijf
Een snelle kus wanneer niemand omkijkt
Wiegen op die Chet Baker-schijf

Kortenbergse liefde
Hoeft niet kort te zijn
Kortenbergse liefde
Kan duren voor altijd

Appartementje delen in de binnenstad
Brusselse jaren vlogen voorbij
Een thuis bij elkaar gevonden
De paardenfretters zijn nu blij

Kortenbergse liefde
Hoeft niet kort te zijn
Kortenbergse liefde
Kan duren voor altijd

Wanneer twee zielen overlappen
Samensmelten in één ring
De liefde van’ t papier doen spatten
Wil iedereen weten hoe ’t hen verging

Kortenbergse liefde
Hoeft niet kort te zijn
Kortenbergse liefde
Kan duren voor altijd

Loodlijn

(I.M. Fleur, 2002~2017)

Mag ik wat bij jou vertoeven,
nog ietwat schuchter, zijdelings?
Ik kijk de bloemen aan die al
aan het verwelken gaan maar
toch nog aanliggen bij jou,
de afstand tussen ons wordt
overbrugd door een plataan,
hij spreidt zijn armen uit naar
jou maar raakt je niet, hij reikt,
hij neigt, een onbestemd
verlangen, een hunkering naar
wat zou kunnen zijn,
bezoekers lopen langs,
een grootvader
met kleindochters
die al hun schooltassen
ontschouderen, ook hij
buigt naar je toe en spreekt
je naam en leeftijd uit,
je komt tot leven, even,
je rustplaats ligt pal
op de loodlijn die
de kinderen huiswaarts voert,
en daar een grootmoeder
die kleindochter naar opvang
duwt, wijst hemelhoog:
daar: zie je?
Het is een af en aan dit uur,
het leven gaat zijn gang,
een lieve lust, zo zal het
altijd zijn, maar nooit meer
zoals het zou moeten,
er is enkel dit vertoeven
in wat is
onder een bladerdak van hoop,
in wat onaf lijkt maar toch
zo volledig,
hoe zou het anders kunnen
zijn?

Wijgmaal, Ymeriaplein, 12 juni 2018, 16:05

1914 Grootvader als loods

Een aparte vondst in het archief was deze brief gedateerd op 24 november 1914. Hij is afkomstig van de kapitein van het schip “HMS Russel” waarin wordt bevestigd dat grootvader Hendrik hielp bij de navigatie als loods (“Pilot”) “during the operations off Zeebrugge”, dus tijdens Wereldoorlog 1:


De manier waarop de brief bewaard werd wijst op het belang voor de betrokkene: door het vele plooien scheurde de brief in drie. De afzonderlijke delen werden geplakt op een onderliggend vel briefpapier.
Bovenaan de brief is nog een ingedrukt watermerk (reliëf) merkbaar:


Waarschijnlijk gaat het om het officiële wapen van het Verenigd Koninkrijk (“Britse overheid“): links een klauwende leeuw, rechts een éénhoorn (“Honi Soit Qui Mal Y Pense”/”Dieu Et Mon Droit”):


De tekst van de brief:

H.M.S.  “Russel”
24th November, 1914.

This is to certify that M. Vercnocke, Belgian Pilot, was on board H.M.S. “Russel” from p.m. 22nd November until a.m. 24th November, and assisted in the piloting of the ship during the operations off Zeebrugge on the 23rd November. Draught of water of H.M.S. “RUSSEL” was 28 feet.

(signature: W. Bowden-Smith.)
CAPTAIN


Op het eerste gezicht niet zo opzienbarend, maar bij nader onderzoek openbaart deze brief toch heel wat informatie.

Ten eerste: op dat ogenblik bevond de hele familie van vader zich al enkele weken in Engeland, getuige dit citaat uit zijn jeugdherinneringen:

“Maar toen sloeg het noodlot ook in ons eigen leven in toen wij zelf het ruime huis in de St Jorisstraat moesten vaarwel zeggen, alles achterlaten en inschepen naar Engeland… De loodskotters – niet al te ruime zeilschepen kregen ene onverwachte lading vrouwen kinderen koffers en haastig toegeknoopte bundels aan boord. Wij waren plots vluchtelingen op de dool naar een onbekend doel… De 14de oktober zeilden wij in de nacht de haven van Oostende uit. (…) Het was een echt konvooi dat Oostende op het laatste ogenblik ontglipt was.”

De vermelding “op het laatste ogenblik” duidt op het jaartal 1914, zoals beschreven in de krantenartikels uit die tijd: op 14 oktober 1914 vertrok inderdaad het laatste konvooi uit Oostende.

Toch blijkt uit bovenstaande brief dat zijn vader de Engelsen als loods bijstond in november 1914. Misschien vervoegde zijn vader pas later de familie.

Hendrik Vercnocke, loods

Ten tweede: de brief bevat ook informatie die wijst op oorlogshandelingen. Op de Wikipedia pagina van het bewuste schip vinden we een passage die expliciet verwijst naar de gebeurtenissen van 23 november 1914 uit bovenstaande brief. Er werden 400 granaten afgevuurd:

“The 6th Battle Squadron was given a mission of bombarding German submarine bases on the coast of Belgium, and Russell participated in the bombardment of German submarine facilities at Zeebrugge on 23 November 1914 in company with Exmouth. The two ships left Portland on 21 November accompanied by eight destroyers, a group of trawlers, and a pair of airships to observe the fall of shot, though the airships failed to arrive in time for the operation. Russell and Exmouth closed to 6,000 yards (5,500 m) of the port and shelled the harbour, the railroad station, and coastal defences. The two ships fired some 400 shells in total and observed several fires ashore; reports from Dutch observers indicated significant damage had been inflicted, but the attack achieved very little and discouraged the Royal Navy from continuing such bombardments.” 

Het schip vertrok op 21 november 1914 uit de haven van Portland, pas een dag later in de namiddag kwam Nands vader als loods aan boord, zo blijkt uit de brief.

HMS (= Her Majesty’s Ship”) Russel, bouwjaar 1903, bemanning ong. 800, 132m lang, 23m breed, een zgn “pre- dreadnought battleship“:

Na onderzoek dat me leidde naar de Britse oorlogsarchieven kon ik ook de handtekening ontcijferen van de kapitein, het gaat om “Capt. William Bowden Smith”:

De tekst onder de foto verwijst naar het tragische lot van het schip in 1916:

“The Secretary of the Admirality officially announced on April 28: ‘HMS Russel’ Captain William Bowden-Smith, R.N., flying the flag of Rear-Admiral Fremantle, struck a mine in the Mediterranean yesterday, and sank. The Admiral, Captain, and 24 officers and 670 men were saved, and there are 124 officers and men missing”. Captain Bowden Smith was save.”

Wikipedia:

“Russell was steaming off Malta early on the morning of 27 April 1916 when she struck two naval mines that had been laid by the German submarine U-73. A fire broke out in the after part of the ship and the order to abandon ship was passed; after an explosion near the after 12-inch (305 mm) turret, she took on a dangerous list. However, she sank slowly, allowing most of her crew to escape. A total of 27 officers and 98 ratings were lost.

According to the naval historian R. A. Burt, insufficient internal subdivision, which limited the ability of the crew to counter-flood to offset underwater damage, contributed significantly to the loss of Russell and her sister Cornwallis, both of which listed badly before sinking.

The wreck was examined for the first time in 2003 by a British dive team; the ship lies at a depth of 63 fathoms (115 m) about 3.2 nautical miles (6 km) from the Delimara Peninsula. Her stern was blown off by the mine.”

Verdere informatie:

+ Biografie William Bowden-Smith

+ Foto’s van de kapitein als kadet

William was de zoon van W. Bowden-Smith of Brockenhurst, getrouwd en vader van twee kinderen. Hij overleed in 1962.

+ Kapiteins en schepen in de Royal Navy tijdens de Eerste Wereldoorlog