Spoorslag

Oostende, Mariakerke, Onze-Lieve-Vrouw-Ter-Duinen

Er is een wind die door de genen blaast,
hij stuwt en duwt, het is als Clovis zelve
en verder nog, de eerste Adam die
de sprong naar voren waagt
nu mijn vermoeide botten wakker maakt,
ik moet vooruit, het is een dwingend
manen, ik kan geen weerstand bieden,
vooruit is enkel duisternis en achterom
blaakt alles in een overdonderende schijn
van helderheid,
nu sterrenstoffelijk aangewaaid,
nu onherroepelijk opgewaaid,
en ondertussen tràppelen wij maar,
terwijl de dichter reist,
hij torent boven alle vuur, kaarsrecht,
trotseert het beukende gevaar,
hij wil slechts dit:
te zijn de wind die door de genen blaast
een oog dat knippert en een woord dat raast,
dat stuwt en duwt, hij houdt de teugels strak,
en dan één snok, één lendenruk,
één spoorslag, nauwlettend speurend
dat nergens nog een afdruk zo verraadt
de sprong die sporen achterlaat.

(Rotselaar Heikant, 26 september 2017, 14:05)

Vruchtafdrijving

Er blaast een wind die over kaarsen waait
een wind die over, in mij vloeit
zoals het water dat steeds komt en gaat,
waarin ik je herken.

Tussen tralies op de oever loopt
het koude licht over een bed van spiegelingen,
zoals dit kijken naar verdrinken, naar jou,
naar mij, naar samen zinken en zo loop ik
over, in jou, met jou, tot het ademhalen dan
de ruimte vindt om te ontbinden, los te laten
en zielen zich verbinden.

Er waait een wind
die over kaarsen waait zoals herinneringen,
zoals je marmeren huid het zonlicht laat
weerkaatsen, witte gepolijste witte woorden
die komen en die gaan in een herhalend
zingen, een steeds weer tikken zoals druppels
op een geopend vensterraam.

Er waait een wind
die zacht de vlammen streelt, alsof je
met je armen hen wil koesteren die reeds
wonen aan de overkant.

Kom leg je hand, rust,
laat je verlangen haven vinden,
laat het, laat het en laat mij, en kom, kom, o,
laat je door deze golven strelen, overspoelen,
je zandstralen tot fijngemalen je helemaal
doorzichtig wordt, zing, zing tot je zang
een zweven wordt, een ijl en stil verblijven.

Er waait en wind, mijn kind, er waait een
wind, mijn kind, er waait een wind,
luister want hij fluistert nu je naam, hij spreekt
je aan, hoor je mij, kom, kom,
kom nu en loop over, over naar de overkant,
over tot de laatste druppel zich overgeeft
aan dit sprakeloos verbazen, een noordenwind
mijn kind, die zingt, die cirkels tekent
aan de hemel van je wonderlijk vervuld
voortdurend vragen naar de bron waaruit
je bent ontsprongen.

Mijn kind, mijn kind, zal je mij dragen,
dragen naar de overkant, mag ik dan
vragen naar je hand, zoals de wind
die over kaarsen waait, zo lang
zo lang, tot ik je vind, je vind mijn kind,

O, hou van me, hou van me, hou me in
je hand daar aan de overkant, en laat
me wonen in je ziel, je ziel daar aan de
overkant.

Er waait een wind daar aan de overkant,
hij waait mijn haren, hij danst mijn hart
in snaren, al die jaren aan de overkant
mijn kind.

O, zal ik je in steen bewaren, een steen
zo warm zo zwaar hier in mijn armen,
zal ik je verwarmen?

Er waait een wind die over waait, mijn
handen worden koud, mijn kind,
je hebt mij zo bemind en je bemint,
bemint mij nog mijn kind, zoals een wind
die over waait, die over deze kaarsen waait.

Tussen tralies op de oever loopt het over,
over van de muizenissen in mijn hoofd,
tussen tralies op de oevers
loopt het licht over een bed van spiegelingen,
laat ons zingen kind, zingen,
als de wind van onvervuld verlangen kind,
zolang ik je niet vind zal ik met jou zingen kind,
met jou zingen tot de nacht zijn mantel
keert, mijn mantel overgeeft aan licht
verlangen, zoals de wind die over deze
kaarsen waait, deze drie kaarsen die
golvend licht verspreiden in de kamers
van mijn huis dat ook het jouwe is en
waarin de ramen door hun kieren de
regen laten tikken, tikken tot het lijkt
alsof de druppels mij verstikken, prikken
als de naald waarmee ik je lichaam
in duisternis verzinken liet.

O, de wind,
er waait een wind, een wind die over
oevers waait, zoals de kaarsen die nu
voor me staan en waarover ik heel zacht
mijn handen strelen laat, als wind waait
over marmer, zoals golven over zand,
herinneringen die zich te rusten leggen
in mijn waterbed.

Ik wil met jou de liefde zingen, liefde
die niet overgaat, nooit slaapt, een
oeverloos verlangend vloeien zijn.

En nu,
nu kijk ik, ik kijk naar jou,
ik kijk je ogen aan, en ze bewogen,
ik raak ze aan en wordt bewogen,
ze knipperden als sterren die strepen slepen
in deze zinderende zomernacht,
zoals een wind waar handen over lopen,
en overlopend bevind ik me
plots aan de overkant,
als kaarsen, opgebrand, en zie mijn mantel,
daar, daar, uitgespreid, bedekkend,
verlaten in het gras, het gras dat wuift
van ver, ver over de muur daar aan die
overkant, en hier, hier vind ik, verbind ik,
vind ik, vind je hand, en kom, kom
in open Liefde, naakt, onthuld, vervuld,
dichter, dicht, dicht bij jou, in jou, met jou, dicht,
dicht van jou, over jou en word,
ik word, ik ben, ben, en voel je onschuld,
nu, en nu mijn kind, vergeef je mij, hier,
tussen drie kaarsen, vergeef je mij, ik was
verblind.

(Kortenberg, 2011)

Reis van de vermoeide Harten

De reis begint, dan is het goed om aan de tafel
voedsel in te slaan zodat de geest zich leeg kan
maken, ruimte biedt voor indrukken die
onderweg het oog opvallen als het ver voorbij
de horizon weet dat in de wolken reeds
ontwaken sluimert voor vermoeide Harten.

Dwalend zwerft de nachtegaal doorheen
inktzwarte Duisternis en toch is hij nog te
onderscheiden, klapwiekend verplaatst hij
de armen die hem dragen, voor het oplettend
Oor vertelt hij over het zachte diepe Weten,
de geborgenheid die men ontmoet als Hout
ontvlamt nadat het spaarzaam werd verzameld
om ontvankelijke Warmte te verspreiden,
om te delen wat in Winters werd gestapeld
om reeds Zomers te ontvangen, terwijl
de Lente nog op zich laat wachten.

Zo begint de reis, een vaag vermoeden
wat het reisdoel wezen kan is lang reeds
opgeborgen in de kamers van het huis
dat men tussen kale bomen losgelaten heeft
nog voor de reiswind hen onstuitbaar heen
en weer liet zwiepen: zoals een woord kan
komen aangewaaid nog voor het wordt
gesproken, nog voor het oren vindt om in
te wonen, nog voor de taal bestaat waarin
betekenis kan huizen, net zoals ik hier
het lichaam vond dat wenkte, terwijl ik
nog duizenden lichtjaren verwijderd was
van openbloeien, zo klopt de reiswind aan,
een vuurtoren die pal de hoogste golf weerstaat
en zuiver Licht geeft, een straal die als
een navelstreng de sterren likt.

Ja, zo begint de reis,
de reis van de vermoeide Harten,
zij weten dat waar Licht en Water elkaar raken
rust te vinden is, een Poort naar diepe en
verwelkomende Warmte die uitnodigend is,
de ogen opent voor wat nog in onzichtbaarheid
verborgen lag, maar toch Aanwezig is, zoals
het maanlicht slechts wordt opgewekt als zij
haar donkere zijde aan de wentelende Zon ter
koestering aanbiedt, groeiend, zoals verlangen
eenmaal losgelaten plots vervulling vindt,

zo komt de reiswind en zo begint de reis,
zo komen zonder aarzeling de eerste stappen.

(Koffiehuisje Gailly”, Kortenberg, 20 februari 2009, 19:24, voor het vertrek naar Santiago De Compostella)

(Header afbeelding: Boutbus bij Farol de Nazaré, Fort of São Miguel Arcanjo (‘Aartsengel Michael’), Portugal, juli 2013)

25 februari 2009, 18:33, Spanje, Boutbus op de A-231, ‘Autovia Camino de Santiago’

Relaxing at the Garden Chapel

Just me, relaxing in the garden, on a very warm day, listening to music and reminiscing… Songs: “De Roos”, Ann Christy and “Immortels”, Alain Bashung. Extra footage of me on a roadtrip in Normandy, Falaise, Autoroute A31.

Het Vliegenpapier

Dit is een kortverhaal van Robert Musil (1880-1942), een experimenteel Oostenrijks schrijver en grondlegger van het essayisme, na de publicatie van zijn ‘magum opus’ “De man zonder eigenschappen”, werd hij genomineerd voor de Nobelprijs literatuur.
In dit kortverhaal beschrijft hij met microscopische blik de doodstrijd van vliegen, aangetrokken door de lijm op “het vliegenpapier”. Die blik is voor de lezer/luisteraar erg confronterend, omdat Musil op deze wijze ons een spiegel aanbiedt.

De header hierboven en de ‘thumbnail’ van de video toont het beroemde beeldhouwwerk ‘De Laocoöngroep’ uit ca 20-40 v.Chr. Ik koos deze omdat Musil in zijn kortverhaal hiernaar verwijst.
Het verhaal achter deze afbeelding is dat de Trojaanse priester Laocoön de Trojanen wilde waarschuwen om het paard van Troje niet binnen te halen. Volgens de overlevering werden de priester en zijn zoons vervolgens gewurgd door slangen van Poseidon. Uitgebeeld wordt het moment waarop Laocoön en zijn zoons gewurgd worden door twee slangen die gestuurd zijn door Poseidon (of Pallas Athena)‘.

Hier mijn voorlezing. Luistertijd: 8 minuten.

Papa (voor Vaderdag)

Je bent niet meer hier
je bent nu daar klinkt
tussen muren hier een
lied, alsof ik je nu zo
maar vergeten kan,
alsof je niet meer bent,
hier, te midden onze
clan, alsof, alsof, alsof,
alsof we nu maar stil
geruisloos moeten doen,
doen alsof, met foto’s,
beelden, kleuren die je
achterliet, en geuren,
’t enige tastbare dat
nog van je blijft, maar
’t blijft alsof, alsof je
ons nog met je mantel
vol van Liefde stilletjes
bedekken wil. Maar ik,
ik weet nu beter wel,
want net heb ik je stem
gehoord, je klonk plots
even zacht en warm,
zo zonneklaar, zoals
altijd, zoals je mij,
die ongeschonden,
ongerept, en vol, zo
vol verwachting pas
op deze wereldbol
kwam piepen, in je
twee sterke handen
nam, mij droeg, mij
zachtjes streelde , dan
fluisterde en zei: lief
kind, hier ben ik nu,
vertrouw me maar,
geloof me vrij, want
het is waar, écht waar,
wees welkom hier, en
nee, o nee, niet zwaar,
niets zwaar, ik ben
nu hier en niet meer
daar, zie je het niet,
je bent zo licht, zo
zonnehelderklaar.

(foto: Ferdinand Vercnocke, mijn vader, op het strand te Oostende, voor de Koninlijke Gaanderijen, zomer 1938, 32 jaar, blik pal naar de einder, zijn geliefde Noorden, voor zijn biografie zie: “Raratonga“)

Moeder


De laatste ademtocht
lost op, en
vleugelt naar
die einder
waar de eerste
ooit begon,
en meer nog
voor wie leven geeft
want die ontvangt
de zegening,
de wandeling
naar het eeuwige
begin

(foto: Sim Wolfs, Brussel, donderdag 24 augustus 1944, 25 jaar, mijn moeder. Nog geen twee weken later werd België bevrijd. Voor haar biografie, zie: “Raratonga“)

Afscheidsbrief

Gedicht waarin taal gezocht wordt om de wanhoop van zelfdoding te beschrijven.

Cantique Spirituel

Er is niets in handen,
niets om handen, niets
aan handen dat gebonden
wordt door niet uitgesproken
woorden, zoals de vingers van
je vleugels tintelend vertellen
over verheid, zachte overgave
en geluk, zoals over horizonten
duizend zonnen zinken in een
kanteling, zoals dit zwijgen dan,
dit zingen: er is niets in handen,
niets om handen, niets aan
handen dan het laten vieren,
jubelen, zoals de cijfers hier
getuigen, de stille wakers
van de overkant.

Thiviers, France,
3/8/2012
20:22-20:28
Bar Restaurant

(geschreven in “poésies complètes”,
Jean de la Croix, 3ième ed. Ibériques José Corti, 2003, p.21,
ISBN 2-7143-0424-9)