Bij Fleur

Tussen twee regendruppels
kwam de zon,
slechts zijdelings
je verlichten,
even,
hunkerend naar
zegen en voldoening
op je reis
waar blijven nu
de medestrijders
waar de stralen
van hun ontwapenende liefde?
zij zwijgen hier
in alle talen,
hun voelen is
bezwaard
want vergeten
maar tussen
twee andere druppels
haalt de zwarte engel
altijd bakzeil,
zij lopen voorbij,
knikkend,
achteloos voor je
aanwezigheid

(Wijgmaal, dinsdag 27 september 2022, 14:26)

Oasis

Opnieuw werd mij het leven
geschonken,
vanuit een eeuwig universum
kwam de zon zich
nestelen vanuit de
Cosmos,
hier,
in dit Kristallen Paleis,
Oase van Rust,
liet regendruppels
schitteren als diamanten
liet groener dan groene
grassprieten deinen
in deze Zee van Stilte.

(Middelkerke, Park Pollentier, Oasis, zondag 25 september 2022, 09:46)

Leonidas (I)

(voor Veerle & Nathalie)

Dit is in blauw en wit
de schoot,
die mij hierhenen drijft
waar ik begon
onder de vleugels
van Sint-Joris,
net voor de wingerd
die waar je, jeugdig,
al je dromen droeg,
opdroeg aan platanen
de nu verdwenen
wit gevlekte
medestanders voor je blik,
uitkijkend op de weiden
tussen hun gerijde stammen
als krijgers van de Thermopylae*
en hun zwaarden,
als toen ik nog bij
en in je woonde,
het smelten op mijn tong,
zoals ik smelt voor jou,
daar,
in de warmte van je paradijs.

Sint-Joris-Winge, Leonidas, Confiserie, Chocolatino,
Gouden Kruispunt, dinsdag 5 april 2022, 15:44

zie ook de gedichten “Leonidas II” en “Leonidas III“

en lees hier overย de rijke en fascinerende geschiedenis van de Leonidas pralines.

Header foto: Oostduinkerke-Bad, Gillis-Scottlaan, Sint-Andrรฉ

Sint-Joris-Winge, Tiensesteenweg, 1926: geboortehuis van moeder, toen 7 jaar, ze zit, opvallend in het wit, aan een tafeltje aan de voordeur, omgeven door haar familie, hier allemaal vrouwen, haar tantes en moeder in de deuropening naast vader met gekruiste armen. Tegenover het huis: de “gerijde plantanen”, nu reeds lang verdwenen, maar het huis staat er nog steeds.

Vergelijking toen en nu (slider verschuiven links/rechts):

[ics-comparison-slider id=3]

Terug naar Roemeniรซ

(artikel verschenen in Knack 30/10/2019)

Terug naar Roemeniรซ, 30 jaar nadat journalist Danny Huwรฉ er werd doodgeschoten.
(door Terry Verbiest. Belgisch journalist, ondernemer en radio- en televisiepresentator.)

Op 25 december 1989 werd Danny Huwรฉ doodgeschoten in de straten van Boekarest. Hij was voor VTM in Roemeniรซ om er verslag uit te brengen van de laatste dagen van het Ceausescu-regime. Dertig jaar later reist de toenmalige redactiechef van VTM, Terry Verbiest, terug naar Roemeniรซ. Hij verblijft er in opdracht van kunstfestival Europalia twee weken als writer in residence in Timisoara en Boekarest. Vanuit Roemeniรซ schrijft hij brieven aan Tim Huwรฉ, de zoon van Danny.

(Danny Huwรฉ. ยฉ Corbis via Getty Images)

Dag Tim,
Ik ben aangekomen in Boekarest na een week Timisoara.
Dit is de vierde keer dat ik in Roemeniรซ ben na de dood van je vader, dertig jaar geleden.
De eerste keer was de dag dat hij vermoord was. Kerstdag 1989.
Samen met een paar mensen van het facilitair bedrijf Videohouse, die de cameraploeg meegestuurd hadden, en spoedarts Luc Beaucourt wilden we de ploeg zo snel mogelijk vinden en naar Belgiรซ terughalen. We hadden telefonisch contact gehad met cameraman Paul Van Schoor. Eerst en vooral moesten ze weg uit dat vermaledijde Roemeniรซ. Ik wist dat er in de Bulgaarse hoofdstad Sofia een groot Intercontinental Hotel was en ik stelde voor dat we de ploeg daar zouden oppikken. Beaucourt was mee omdat hij zo iemand was met wie je letterlijk naar de oorlog kon trekken. Hij had al wat natuurrampen en oorlogssituaties meegemaakt en met hem erbij voelden we ons veiliger.
We hebben de rest van de ploeg, cameraman Paul Van Schoor, geluidsman Jan De Coninck en monteur Ingrid Bertrand, op 26 december gevonden in Sofia. Nadat we hen op het privรฉvliegtuig gezet hadden dat ons naar Sofia gebracht had, ben ik in Boekarest naar het lichaam van Danny gaan zoeken. Maar ik heb het niet gevonden. Danny werd pas dagen later gevonden door cameraman Wim Robberechts, die daar met de legendarische Britse journaliste Kate Adie voor de BBC aan het werk was. Danny lag in het mortuarium van een ziekenhuis, ergens in de buurt van waar hij doodgeschoten was.
Jouw vader was gene gewone, Tim. We hadden elkaar leren kennen op de radioredactie van de BRT. Ik kwam daar net binnen, geslaagd voor het journalistenexamen. Hij was toen al een ervaren eindredacteur. Een hele goede journalist, geweldige stem, veel ervaring, een van de sterren van de redactie. En niet te beroerd om een jong journalistje de knepen van het vak bij te brengen.
In het najaar van 1988 maakte hij de overstap naar VTM en ik, omdat ik net iets meer televisie-ervaring had, werd zijn leermeester. Dat wrong wat, in het begin. Hij kon daar niet goed tegen, hij werd niet graag gecommandeerd. Al zeker niet door een broekje als ik. Er zijn toen harde woorden gevallen en hij kon voor mijn part de boom in. Iets wat ik hem toen ook gezegd heb.
Alleen iemand als Danny kon zich daar op een grootse manier over zetten. We zijn toen iets gaan drinken, hebben het uitgepraat en we zijn maten geworden.
Ook op de VTM-redactie werd hij de aanjager. Zijn enthousiasme was aanstekelijk. 1989 was voor journalisten een magisch jaar, natuurlijk. Het hele Oostblok verkruimelde. In China leek het communisme ook te wankelen. Ik zie Danny daar nog zitten, achter zijn eindredactiedesk. Met een kaart van Peking tegen de muur. Hij had die daar zelf opgehangen om de troepenbewegingen te kunnen volgen. Geen idee waar hij die kaart vandaan had.
Work hard, play hard. Het was de eerste keer dat we die uitdrukking gebruikten. We hadden een systeem op de redactie dat inhield dat een journaalploeg zeven dagen aan een stuk werkte. Daarna had ze zeven dagen vrijaf. Een journaalploeg, dat waren de journalisten, presentators, regisseurs, regieassistenten en productieassistenten van die week. Een week liep van donderdag tot woensdag. Woensdagavond zat de werkweek er dus op en werd er heel zwaar gefeest in cafรฉ Onder ons, op de Grote Markt van Vilvoorde. Van cafรฉbaas Manu, een ingeweken Portugees, mocht alles. Zo hebben we ooit in de gietende regen de biljarttafel op straat gezet. Omdat Danny vond dat er te weinig plaats was in ’t cafรฉ. Die tafel is nooit terug naar binnen gekomen.
Toen gebeurde er iets op de redactie waardoor hij zich de woede van hoofdredacteur Jan Schodts op de hals haalde. Ik weet nu niet meer wat het was, maar Schodts was behoorlijk boos. Danny werd gestraft, mocht een paar weken geen eindredactie meer doen en vloog naar de reportageploeg. Danny pikte het en werkte door. Hij morde niet, klaagde niet en ging vooral niet lopen zeiken over ‘de bazen’. Danny was een seigneur. En daarbij, hij wist dat de redactie hem toch nodig had.
Toen kwam december. Na de val van de oude regimes in Polen, Hongarije, Oost-Duitsland en Tsjecho-Slowakije kwamen er barsten in de Ceausescu-dictatuur in Roemeniรซ. Het ging snel, heel snel. Een dominee van Hongaarse origine, Laszlo Tokes, werd in Timisoara de man die het vuur van de Roemeense revolutie zou aansteken. Gewild, ongewild, bewust of onbewust, ik heb het me later vaak afgevraagd. Tokes had zich laatdunkend uitgelaten over de machthebbers in de hoofdstad Boekarest. Kritiek op het regime, kritiek op Grote Leider Ceausescu, dat was gewoon ondenkbaar. Dus zou hij op 16 december uit zijn huis worden gezet door de gehate Securitate, de Roemeense staatsveiligheid. De mensen van zijn gemeente verzetten zich daartegen en wat al lang aan het broeien was, ontplofte in het gezicht van de machthebbers.

Fake news, Tim, is van alle tijden. Maar daar heb ik een van de sterkere staaltjes ervan gezien. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje: er waren bij de rellen die waren losgebarsten na de mislukte aanhouding van Laszlo Tokes zeker 5000 doden gevallen. Het leger kende geen genade met wie het niet eens was met Ceausescu. Ik heb tijdens mijn verblijf in Timisoara gesproken met mensen die die periode dertig jaar geleden hebben meegemaakt. Schrijver, dichter en journalist Alex Potcoava vertelde me dat de mensen geen water meer uit de kraan durfden te drinken omdat het vergiftigd zou zijn. Iemand kende iemand die een kaart van Roemeniรซ gezien had, een nieuwe kaart, waar Timisoara niet meer op stond. Elena Ceausescu zelf, de vrouw van de dictator, maar volgens ingewijden en de rest van Roemeniรซ de echte kwade geest van het regime, zou zelf het bevel gegeven hebben om Timisoara plat te bombarderen. Hongaren en Serviรซrs waren het land binnengevallen en rukten op naar de stad. De mensen wierpen barricades op. Barricades die bestonden uit lege wijnkistjes. Hou daar maar eens de tanks mee tegen.
Er wรฉrd geschoten en er vรญรฉlen doden. In het museum van de revolutie in Timisoara hangen twee foto’s die ik nooit meer vergeet. Tussen beide foto’s zit een tijdsspanne van een paar seconden. Op de eerste staan een paar soldaten met het geweer in de handen. Rond hen staan wat mensen, op de grond liggen (inderdaad) kapotte kistjes, veel papier, wat vodden, een stoel. In het midden van de foto staat een grote, knappe, blonde jongeman. Hij wijst op zijn hart. Volgens het onderschrift bij de foto roept hij naar de soldaten: ‘Schiet dan, ik heb maar รฉรฉn hart.’
Op de volgende foto ligt de jongeman dood op de grond.
Hij was een van de 73 slachtoffers in Timisoara, van wie er 71 waren doodgeschoten. Geen 5000. 73.

(Boekarest. ‘Nooit in mijn leven heb ik zo veel spijt gehad van mijn eigen gelijk.’ ยฉ Corbis via Getty Images)

Maar de nieuwsagentschappen, vooral via Hongaarse en Joegoslavische journalisten, meldden duizenden doden en dat werd gretig overgenomen in het Westen.
Danny overtuigde Schodts toen om een ploeg naar Roemeniรซ te sturen. Om zijn argumenten te staven had hij een exemplaar van de Nederlandse de Volkskrant bij zich waar op de voorpagina melding werd gemaakt van die 5000 doden.
Jan wilde eerst een jongere journalist sturen, maar ik vond toen dat Danny lang genoeg gestraft was geweest. Ik kreeg uiteindelijk gelijk, Tim.
Nog nooit in mijn leven heb ik zo veel spijt gehad van mijn gelijk.
Danny werd in het bureau van Jan geroepen en ik weet nog hoe blij hij was. Blij als een kind met zijn eerste fiets. Stom, maar dat was wat ik toen dacht.
Twee dagen later, op 23 december, is de ploeg vertrokken. Danny, Paul, Jan en Ingrid. Ze vlogen eerst naar Sofia. Daar huurden ze auto’s en ze reden via de grensovergang in Ruse naar Roemeniรซ.
De rest ken je. Op kerstavond zijn ze Boekarest binnengereden. In konvooi, want ze waren met twee auto’s. Achter hen reed een ploeg van de Turkse televisie. Ze moeten toen ergens een afslag naar het centrum gemist hebben, want plots waren ze daar in Razoare, een buitenwijk in het zesde district van Boekarest. Een grauwe buurt en vlak bij een kazerne van soldaten van de grenswacht. Plots staat daar een tank voor hen, in het midden van de weg.
Zoals dat bij elke revolutie wel het geval zal zijn, was de toestand in Roemeniรซ toen bijzonder chaotisch. Er werd veel geschoten, maar niemand wist wie er schoot. De mensen waren vooral bang van de terroristen. Vooral omdat niemand wist wie ze waren, vanwaar ze kwamen, aan wiens kant ze stonden. Algemeen werd ervan uitgegaan dat ze het Ceausescu-regime kwamen steunen. Niemand heeft ze ooit gezien maar iedereen was bang van hen. Zo zorgden ze voor terreur en voor angst.
Alleen, later is er geen enkel bewijs gevonden dat er ook maar รฉรฉn terrorist in Roemeniรซ heeft rondgelopen. Vanwaar zouden ze gekomen zijn? Welke nationaliteit hadden ze? Er is nooit een van hen gevangen genomen, verwond of gedood. Dat alleen was al een vreemd teken. Teken aan de wand dat er niets van waar kon zijn.
In al die jaren is er nooit een officieel onderzoek geweest naar de dood van Danny. Er zijn wel een paar journalisten beginnen te spitten en zo kwamen stukje bij beetje almaar meer details naar boven.
Die tank in het midden van de weg, die stond daar niet toevallig. Die stond voor de kazerne van de grenswacht.
Soldaten van de grenswacht hebben later aan Roemeense journalisten hun verhaal gedaan. Zo is uiteindelijk die puzzel in elkaar gevallen.
Of toch een deel van de puzzel.
Waarom hij het deed, weet niemand.
Maar majoor Petre Teaca, de commandant van de grenswacht, heeft toen het bevel gegeven om op de auto’s te schieten die buiten voor de kazernepoort stonden.
De soldaten hadden daar aanvankelijk geen zin in, vroegen zich af waarom ze op auto’s moesten schieten waarin vermoedelijk journalisten zaten.
Op het dak stond immers in grote letters PRESS gekleefd.
Maar majoor Teaca beweerde dat het terroristen waren die zich als journalisten vermomd hadden.
De auto’s werden door enkele kogels geraakt en Danny, Paul, Jan en Ingrid zijn eruit gekropen. Vlak daarna kreeg Danny een kogel in zijn hoofd.
De hele nacht door is er dan vanuit de kazerne geschoten. Al was het niet duidelijk naar wie of wat. Met het lichaam van Danny tussen hen in, zijn de andere drie daar tot ’s morgens vroeg blijven liggen. Elk moment vrezend dat de volgende kogel voor hen zou zijn. Maar rond de ochtend verminderde het schieten. Er begonnen bussen te rijden. Mensen kwamen op straat. De drie overlevenden zijn toen in de auto gesprongen en weggereden. Het lichaam van Danny hebben ze moeten achterlaten.
Later op die dag werden Nicolae en Elena Ceausescu terechtgesteld. Ook door militairen.
Volgens schrijver Tudor Cretu zijn zo goed als alle doden tijdens de revolutie gevallen door kogels van de militairen. Die waren niet voorbereid, die panikeerden en schoten op alles wat ze verdacht vonden.
Drie dagen na de dood van Danny werd majoor Petre Teaca door de nieuwe president, Ion Iliescu, gepromoveerd tot generaal-majoor. Wegens diensten voor het vaderland.

Dag Tim,
Je had me verteld dat je eventueel van plan was om met je dochters naar Boekarest te reizen. Om samen met hen naar de stad te gaan waar hun grootvader werd vermoord. Jullie zouden er het gedenkteken gaan bezoeken op de Piata Danny Huwรฉ.

(De zwarte plaat die vroeger aan het gedenkteken hing. ยฉ ISOPIX)

Het gedenkteken en het plein, die jaren geleden werden ingehuldigd om een man te herdenken die zijn leven had gegeven om verslag uit te brengen van hun revolutie.
Bespaar je de moeite, Tim.
Bespaar je de teleurstelling.
Ik ben er daarnet geweest. Het pleintje is overwoekerd, al maanden, jaren niet meer onderhouden.
Volgens schrijver Tudor Cretu zijn zo goed als alle doden tijdens de revolutie gevallen door kogels van de militairen.
Van het gedenkteken blijft alleen het rode marmeren rechtopstaand muurtje over. De zwarte plaat die Danny’s naam, geboorte- en sterfdatum vermeldde, is er al lang afgeslagen.
Het straatnaambordje met de naam van het plein is ook weg.
Er lagen een paar lege bierblikjes op de grond voor dat muurtje maar die heb ik opgeraapt.

(Het gedenkteken zoals het er nu bijstaat.)

Ik heb morgen een afspraak met de hoofdredacteur van een krant die hier ook in het Engels verschijnt.
Ik zal haar erover aanspreken.
Maar toen ik daarstraks aan wat mensen in de buurt ging vragen wat daar gebeurd was, hoelang dat monumentje daar zo al stond te verkommeren, was er niemand die een zinnig antwoord kon geven. Naast het Piata Danny Huwรฉ ligt een kerk. De pastoor van die kerk wist ook van niets, zei hij.
Hun schouders ophalen, daar zijn ze hier goed in, Tim.

Dag Tim,
Ik heb Alina Grigoras, hoofdredacteur van Romania Journal, ontmoet vandaag.
Nee, de mensen zijn de revolutie niet vergeten en nee, ze zijn ook Danny niet vergeten. De namen van Danny en van Jean-Louis Calderon zijn volgens haar nog altijd aanwezig in het collectieve geheugen van de mensen van Boekarest. Calderon was de Franse journalist van La Cinq die op 23 december door een tank werd doodgereden, hier in Boekarest.
Maar volgens haar worden de autoriteiten niet zo graag meer aan de revolutie herinnerd.
In Timisoara spreken ze nu nog altijd van de revolutie van december 1989. Hier in Boekarest hebben ze het liever over de gebeurtenissen van ’89.
Het onderhoud van zo’n monument is geen prioriteit. Ze hebben wel andere katten te geselen.
Maar Alina raadde me aan om een klacht in te dienen bij het stadsbestuur.
Het zal niets uithalen, zegt ze, maar ik moet het toch proberen.
Ik heb daarstraks een mail gestuurd naar de administratie van de Monumenten in de Polonastraat, en ook nog een naar het kabinet van mevrouw de burgemeester.
We zien wel of het wat uithaalt.

Dag Tim,
Nog altijd geen antwoord op mijn mails.
Ik blijf hopen en probeer zo veel mogelijk mensen deel te maken van mijn verontwaardiging in de hoop dat er op die manier toch iets gebeurt.
Wat me opvalt, Tim, is dat hier nog steeds een groot wantrouwen heerst.
Als iemand iets wil vertellen wat als negatief voor de overheid zou kunnen worden beschouwd, dan zal die eerst rond zich kijken om te zien of er niemand meeluistert. Dertig jaar na de revolutie!
Wij kunnen ons dat moeilijk voorstellen, maar blijkbaar is dat normaal.
Gabriela Bogdan, hoofdredacteur van de krant Nine O’Clock, een dagblad dat hier in het Engels verschijnt, legde me uit dat de angst die er heerste onder het communisme nog niet helemaal verdwenen is. Zij was dertig jaar geleden een 22-jarige studente. Als je aan tafel zat met familie of vrienden lette je altijd op je woorden. Omdat je nooit zeker wist of iemand in het gezelschap een verklikker was. Zo’n diepgeworteld wantrouwen, daar moeten verschillende generaties overgaan eer dat helemaal verdwenen zal zijn, zegt Bogdan. Je vertelde ook aan niemand dat je naar BBC of Radio Free Europe luisterde. Je kon daar zwaar voor gestraft worden. Angst hield lange tijd de mensen koest.
Als iemand iets wil vertellen wat als negatief voor de overheid zou kunnen worden beschouwd, dan zal die eerst rond zich kijken om te zien of er niemand meeluistert. Dertig jaar na de revolutie!
Waarom ze dan toch in opstand zijn gekomen?
‘Zijn ze wel in opstand gekomen? We hadden toen het idee dat alles รฉรฉn grote chaos was, maar in werkelijkheid werd alles geregisseerd. Er was een scenario en dat was geschreven door Ion Iliescu en Petre Roman. En dat scenario werd minutieus gevolgd. Het was alleen de bedoeling om Ceausescu af te zetten en te vervangen. Ion Iliescu was een trouw lid van de Communistische Partij die op Ceausescu’s stoel wilde gaan zitten. Hij werd president. Petre Roman werd premier. Het is wat uit de hand gelopen en de oude communisten veranderden hun naam in Sociaaldemocratische Partij, maar voor de rest… โ€˜Oude wijn in nieuwe zakken.’

Dag Tim,
Morgen keer ik terug naar Belgiรซ en ik heb nog altijd geen antwoord gekregen van de burgemeester of een van haar diensten.
Ik liep vandaag wat door de straten van Boekarest en toen viel me op dat ik hier in Roemeniรซ in die paar weken dat ik hier was maar รฉรฉn dakloze gezien heb.
En ook maar รฉรฉn bedelaar. Hoewel. Toen ik uit het Atheneum kwam, het prachtige concertgebouw in het centrum van de stad, werd ik aangesproken door een goedgeklede man met in zijn hand een bekertje Starbuckskoffie. Ik verstond niet wat hij zei, maar aan zijn toon te horen, vroeg hij geld.
Ik zocht in mijn zakken naar een paar lei, maar toen zei hij ineens: ‘Give me ten euros.’ Dat vond ik nu net iets te direct en ik liep verder. Daarna vroeg ik me af, Tim, was dat nu een bedelaar of een overvaller?
In een van de wondermooie koffiehuizen raakte ik aan de praat met een jonge student die zijn visie wilde geven op de politieke situatie in ruil voor een koffie. Ik vond dat een faire deal.
Hij heeft familie in Belgiรซ. Hij is er nog niet geweest, maar zijn toekomstige schoonvader heeft in Meulenbeik gewerkt. ‘Molenbeek?’ ‘ Oui, oui, Meulenbeik. Il dit qu’il y a beaucoup de problรจmes. Beaucoup de rรฉfugiรฉs en Belgique.’
‘Hebben jullie hier dan geen vluchtelingenprobleem?’
‘Wij hebben nooit kolonies gehad, zoals jullie. Daarom zijn er hier bijna geen vluchtelingen. En daarbij, niemand wil hier blijven.’
In 2016 had Roemeniรซ aanvaard om 6200 vluchtelingen op te vangen, gespreid over twee jaar. Een jaar later waren er 550 het land binnengekomen.
Er zijn in de buurt van de Zwarte Zee in totaal drie opvangcentra. Want af en toe wagen toch mensen de overtocht met een bootje, meestal vanuit Turkije.
Daarom zijn er alleen in die streek ook drie moskeeรซn. Dat is alles.
De vluchtelingen die Roemeniรซ binnenkomen hebben doorgaans maar รฉรฉn doel voor ogen: zo snel mogelijk naar het Westen.
Want daar ligt een beter leven op hen te wachten.
‘C’est ce qu’ils croient, monsieur, mais ils rรชvent.’

Dag Tim,
Ik vlieg straks terug naar Belgiรซ.
Ik heb geen antwoord meer gekregen van het kabinet van de burgemeester.
Hopelijk lukt het me vanuit Belgiรซ om wat beweging in de zaak te krijgen.

Hou je goed.
Graag tot later,
Terry

Rilke

Rainer Maria Rilke en Clara Westhoff, 1901

Beschouwingen n.a.v. enkele Rilke citaten uit het artikel ” The Difficult Art of Giving Space in Love: Rilke on Freedom, Togetherness, and the Secret to a Good Marriage” (Brainpickings, Maria Popova, 03/09/2018).

De aangehaalde citaten van Rilke komen, zoals in het artikel vermeld, uit โ€œRilke on Love and Other Difficulties: Translations and Considerations”, John J.L. Mood, 1994) en willen verduidelijken dat in iedere hechte relatie zowel de behoefte aan samenzijn als die van autonomie aanwezig zijn. “Rilke offered some spectacular advice on managing the bipolar pull of autonomy and togetherness in a way that assures the longevity of any close bond and protects love from self-destruction”, aldus Popova.
In tegenstelling tot wat gesuggereerd wordt komen de fragmenten niet uit รฉรฉn, maar uit verschillende brieven aan telkens andere correspondenten (o.a. aan de 10-jarige Friedrich Westhoff), en ze worden in het artikel van Popova niet chronologisch weergegeven. Hieronder de betreffende brieven in hun volledige oorspronkelijke Duitse versie, met korte context situering. In cursief de fragmenten die in het artikel vermeld worden. Popova’s volgorde wordt behouden. Deze brieven werden door Rilke geschreven in de periode 1901-1904, hij was toen 26-29 jaar oud (zie foto hierboven met echtgenote).

Ik vind het soms interessant om citaten, zeker uit brieven, tegen het licht van de biografische achtergrond te houden en ze terug te plaatsen in hun oorspronkelijke context. Zo ontstaan vaak verrassende inzichten. Wat naar de voorgrond getrokken wordt verhindert wel eens die achtergrond te zien.


Brief 1: ย Rilke aan de expressionistische schilderes Paula Modersohn-Becker, gedateerd 12/02/1902. Zij was zeer goed bevriend met Clara Westhoff, ook beeldhouwster en later schilderes en de echtgenote van Rilke met wie hij in 1901 getrouwd was. Twee maanden voor deze brief werd Rilkes dochter geboren. Het echtpaar zou slechts kort echt samenwonen, maar scheidde nooit en bleef een vriendschapsband behouden. Enkele maanden na deze brief vertrok Rilke naar Parijs om er een monografie over Rodin te schrijven. Het is dus niet verwonderlijk dat aan het thema van de eenzaamheid, ook in relaties, zoveel beschouwingen worden gewijd.
Paula-Modersohn-Becker overleed op 31-jarige leeftijd op 20 november 1908, enkele weken na de geboorte van haar enige kind, een dochter. Twee jaar daarvoor was ze teruggekomen op haar beslissing om te scheiden.

An Paula Becker-Modersohn

Bremen, am 12. Febr. 1902 Liebe Frau Modersohn, erlauben Sie, daรŸ ich einige Worte zu Ihrem Brief an meine liebe Frau sage: er geht mich ja sehr an, wie Sie wissen, und wenn ich nicht in Bremen wรคre, wรผrde ich Gelegenheit suchen, mit Ihnen selbst รผber die Sache zu sprechen, – die … ja, รผber welche Sache? Wollen Sie mir glauben, daรŸ es mir schwer fรคllt, zu verstehen, wovon Sie eigentlich reden? Es ist doch nichts geschehen – oder vielmehr: es ist viel Gutes geschehen, und das MiรŸverstรคndnis beruht darin, daรŸ Sie, was geschehen ist, nicht gelten lassen wollen. Alles soll sein, wie es war, und doch ist alles anders, als es gewesen ist. Wenn Ihre Liebe zu Clara Westhoff jetzt etwas tun will, dann ist ihre Arbeit und Aufgabe diese: nachzuholen, was sie versรคumt hat. Denn sie hat versรคumt zu sehen, wohin dieser Mensch gegangen ist, sie hat versรคumt, ihn zu begleiten auf seiner weitesten Entwicklung, sie hat versรคumt, sich auszubreiten รผber die neuen Weiten, die dieser Mensch umfaรŸt, und sie hat nicht aufgehรถrt, ihn dort zu suchen, wo er an einem gewissen Punkte seines Wachstums war, sie will mit Hartnรคckigkeit eine bestimmte Schรถnheit festhalten, die er รผberschritten hat, statt, im Vertrauen auf kรผnftige neue gemeinsame Schรถnheiten, auszuharren.
Das Vertrauen, welches Sie mir, liebe Freundin, erwiesen haben, als Sie mir einen kleinen Einblick in Ihre Tagebuchblรคtter gewรคhrten, berechtigt mich (wie ich glaube), Sie zu erinnern, wie fremd und fern und unvergleichlich Ihnen anfangs Clara Westhoffs Wesen schien, wie umgeben von einer Einsamkeit, deren Tรผren Sie nicht kannten … Und diesen ersten wichtigen Eindruck haben Sie so sehr vergessen kรถnnen, daรŸ Sie es nur mit Tadel und Warnung begleiten, wenn dieser Mensch, den Sie um seiner Andersheit und Einsamkeit willen zu lieben begannen, in eine neue Einsamkeit eintritt, deren Grรผnde Sie sogar besser รผberschauen kรถnnen als die Grรผnde jener ersten Abgeschlossenheit, die Sie doch nicht mit Vorwรผrfen, sondern mit einer gewissen bewundernden Gewรคhrung betrachtet haben. Wenn Ihre Liebe wachsam geblieben ist, dann hat sie sehen mรผssen, daรŸ die Erlebnisse, welche zu Clara Westhoff kamen, eben dadurch ihren Wert erhielten, daรŸ sie mit dem Innern des Hauses, in welchem die Zukunft uns finden soll, sich eng und unlรถsbar verbanden: wir muรŸten alles Holz auf unserm eigenen Herd verbrennen, um unser Haus erstmal auszuwรคrmen und wohnlich zu machen. MuรŸ ich es Ihnen erst sagen, daรŸ wir Sorgen hatten, schwere und bange Sorgen, die ebenso nicht hinausgetragen werden durften wie die wenigen Stunden tiefen Glรผcks? … Wundert es Sie, daรŸ die Schwerpunkte sich verschoben haben, und ist Ihre Liebe und Freundschaft so miรŸtrauisch, daรŸ sie immerfort sehen und greifen will, was sie besitzt? Sie mรผssen fortwรคhrend Enttรคuschungen erfahren, wenn Sie erwarten, das alte Verhรคltnis zu finden, aber warum freuen Sie sich nicht auf das neue, das beginnen wird, wenn Clara Westhoffs neue Einsamkeit einmal die Tore auftut, um Sie zu empfangen?
Auch ich stehe still und voll tiefen Vertrauens vor den Toren dieser Einsamkeit,

weil ich fรผr die hรถchste Aufgabe einer Verbindung zweier Menschen diese halte: daรŸ einer dem andern seine Einsamkeit bewache. Denn wenn das Wesen der Gleichgรผltigkeit und der Menge darin besteht, keine Einsamkeit anzuerkennen, so ist Liebe und Freundschaft dazu da, fortwรคhrend Gelegenheit zur Einsamkeit zu geben. Und nur das sind die wirklichen Gemeinsamkeiten, die rhythmisch tiefe Vereinsamungen unterbrechen…

Denken Sie daran, als Sie Clara Westhoff kennen lernten: da wartete Ihre Liebe geduldig auf ein aufgehendes Tor, dieselbe Liebe, die jetzt ungeduldig an die Wรคnde pocht, hinter denen die Dinge sich vollziehen, die wir nicht kennen, die ich ebensowenig kenne wie Sie, – nur daรŸ ich das Vertrauen habe, daรŸ sie mich tief und verwandt berรผhren werden, wenn sie sich mir einmal offenbaren. Und kann Ihre Liebe kein รคhnliches Vertrauen fassen? Aus diesem Vertrauen allein werden ihr Freuden kommen, von denen sie leben wird, ohne zu hungern. –
Ihr: Rainer Maria Rilke.


Brief 2: 17/08.1901. Rilke aan de schrijver en dichter Emanuel von Bodman. Bodman had blijkbaar huwelijksproblemen, het jaar daarna (1902) zou hij scheiden van zijn eerste vrouw. Zijn tweede huwelijk (waarin een dochter geboren werd die echter in hetzelfde jaar stierf) mondde eveneens uit in een scheiding (1909). In 1914 volgde een derde huwelijk dat duurde tot zijn overlijden in 1946.

An Emanuel von Bodman

Westerwede bei Bremen, am 17. August 1901/ Mein lieber Bodman, ich danke Ihnen fรผr Ihren Brief und die Verse, diese Zeichen lieben und aufrichtigen Vertrauens. Ich weiรŸ es wohl zu schรคtzen, dass Sie mir aus so ernsten Tagen schreiben konnten, und Sie werden es nicht aufdringlich empfinden, wenn ich daraus das Rechte ableite, Ihnen etwas von meiner Meinung รผber derartige Kรคmpfe zu vermitteln.
In einem solchen Fall heiรŸt es [nach meiner persรถnlichen Meinung], sich auf sich selbst zurรผckziehen und weder zu dem einen noch zu dem anderen Wesen hinzustreben, das Leiden, welches beide verursachen, nicht auf die Ursache des Leidens [die so weit auรŸerhalb liegt] beziehen, sondern fรผr sich selbst fruchtbar machen. Wenn Sie die Vorgรคnge Ihres Gefรผhls in die Einsamkeit รผbertragen und Ihr schwankendes und zitterndes Empfinden nicht in die gefรคhrliche Nรคhe von Magnetkrรคften bringen, so wird es mit der ihm eigenen Beweglichkeit von selbst diejenige Lage einnehmen, welche ihm die natรผrliche und notwendige ist. โ€“ Es tut in jedem Falle gut, sich sehr oft zu erinnern, dass es รผber allem Seienden Gesetze gibt, die niemals zu wirken versรคumen, die vielmehr herbeistรผrzen, um an jedem Stein und an jeder Feder, die wir fallen lassen, sich zu bewรคhren und zu versuchen.

Alles Irren besteht also nur im Nichterkennen der GesetzmรครŸigkeit, unter welcher wir im gegebenen Fall stehen, und alle Lรถsung beginnt mit unserer Aufmerksamkeit und Sammlung, die uns leise in die Kette der Ereignisse einreiht und unserm Willen seine wiegenden Gleichgewichte wiedergibt.

Im รœbrigen bin ich der Meinung, dass die โ€žEheโ€œ als solche nicht so viel Betonung verdient, als ihr durch die konventionelle Entwicklung ihres Wesens zugewachsen ist. Es fรคllt niemandem ein, von einem Einzelnen zu verlangen, dass er โ€žglรผcklichโ€œ sei, โ€“ heiratet aber einer, so ist man sehr erstaunt, wenn er es nicht ist! [Und dabei ist es wirklich gar nicht wichtig, glรผcklich zu sein, weder als Einzelner noch Verheirateter.] Die Ehe ist in manchen Punkten eine Vereinfachung der Lebensumstรคnde, und der Zusammenschluss summiert natรผrlich die Krรคfte und Willen zweier junger Menschen, so dass sie geeint weiter in die Zukunft zu reichen scheinen als vorher. โ€“ Allein, das sind Sensationen, von denen sich nicht leben lรคsst. Vor allem ist die Ehe eine neue Aufgabe und ein neuer Ernst, โ€“ eine neue Anforderung und Frage an die Kraft und Gรผte eines jeden Beteiligten und eine neue groรŸe Gefahr fรผr beide.
Es handelt sich in der Ehe fรผr mein Gefรผhl nicht darum, durch NiederreiรŸung und Umstรผrzung aller Grenzen eine rasche Gemeinsamkeit zu schaffen, vielmehr ist die gute Ehe die, in welcher jeder den anderen zum Wรคchter seiner Einsamkeit bestellt und ihm dieses grรถรŸte Vertrauen beweist, das er zu verleihen hat. Ein Miteinander zweier Menschen ist eine Unmรถglichkeit und, wo es doch vorhanden scheint, eine Beschrรคnkung, eine gegenseitige รœbereinkunft, welchen einen Teil oder beide Teile ihrer vollsten Freiheit und Entwicklung beraubt.

Aber, das Bewusstsein vorausgesetzt, dass auch zwischen den nรคchsten Menschen unendliche Fernen bestehen bleiben, kann ihnen ein wundervolles Nebeneinanderwohnen erwachsen, wenn es ihnen gelingt, die Weite zwischen sich zu lieben, die ihnen die Mรถglichkeit gibt, einander immer in ganzer Gestalt und vor einem groรŸen Himmel zu sehen.

Deshalb muรŸ also auch dieses als MaรŸstab gelten bei Verwerfung oder Wahl: ob man an der Einsamkeit eines Menschen Wache halten mag, und ob man geneigt ist, diesen selben Menschen an die Tore der eigenen Tiefe zu stellen, von der er nur erfรคhrt durch das, was, festlich gekleidet, heraustritt aus dem groรŸen Dunkel.

So ist meine Meinung und mein Gesetz. Und, wenn es mรถglich ist, lassen Sie bald wieder Mutiges und Gutes von sich hรถren.
โ€“ Ihren getreuen Rainer Maria Rilke


Brief 3: 29/04/1904ย  Rilke aan Friedrich Westhoff, broer van Clara, toen 10 jaar oud (*).

An Friedrich Westhoff

Rom, am 29. April 1904 / Mein lieber Friedrich, wir haben durch Mutter in dieser Zeit รถfters von dir gehรถrt, und, ohne Genaueres von dir zu wissen, fรผhlen wir doch, dass du eine schwere Zeit hast. Mutter wird dir nicht helfen kรถnnen, denn im Grunde kann keiner im Leben dem anderen helfen; das erfรคhrt man immer wieder in jedem Konflikt und jeder Verwirrung: dass man allein ist.

Das ist nicht so schlimm, wie es auf den ersten Blick scheinen mag; es ist auch wieder das Beste im Leben, dass jeder alles in sich selbst hat: sein Schicksal, seine Zukunft, seine ganze Weite und Welt. Nun gibt es freilich Momente, wo es schwer ist, in sich zu sein und innerhalb des eigenen Ichs auszuhalten; es geschieht, dass man gerade in den Augenblicken, da man fester und โ€“ fast mรผsste man sagen โ€“ eigensinniger denn je an sich festhalten sollte, sich an etwas ร„uรŸeres anschlieรŸt, wรคhrend wichtiger Ereignisse den eigenen Mittelpunkt aus sich heraus in Fremdes, in einen anderen Menschen verlegt. Das ist gegen die allereinfachsten Gesetze des Gleichgewichts, und es kann nur Schweres dabei herauskommen.

Clara und ich, lieber Friedrich, wir haben uns gerade darin gefunden und verstanden,

dass alle Gemeinsamkeit nur im Erstarken zweier benachbarter Einsamkeiten bestehen kann, dass aber alles, was man Hingabe zu nennen pflegt, seinem Wesen nach der Gemeinsamkeit schรคdlich ist: Denn wenn ein Mensch sich verlรคsst, so ist er nichts mehr, und wenn zwei Menschen beide sich selbst aufgeben, um zueinander zu treten, so ist kein Boden mehr unter ihnen und ihr Beisammensein ist ein fortwรคhrendes Fallen.

โ€“ Wir haben, mein lieber Friedrich, nicht ohne groรŸe Schmerzen, solches erfahren, haben erfahren, was jeder, der ein eigenes Leben will, so oder so zu wissen bekommt.

Ich werde einmal, wenn ich reifer und รคlter bin, vielleicht dazu kommen, ein Buch zu schreiben, ein Buch fรผr junge Menschen; nicht etwa, weil ich glaube, etwas besser gekonnt zu haben als andere. Im Gegenteil, weil mir alles so viel schwerer geworden ist als anderen jungen Menschen von Kindheit an wรคhrend meiner ganzen Jugend.

Da habe ich immer und immer wieder erfahren, dass es kaum etwas Schwereres gibt, als sich lieb haben. Dass das Arbeit ist, Tagelohn, Friedrich, Tagelohn; weiรŸ Gott, es gibt kein anderes Wort dafรผr. Sieh, und nun kommt noch dazu, dass die jungen Menschen auf so schweres Lieben nicht vorbereitet werden; denn die Konvention hat diese komplizierteste und รคuรŸerste Beziehung zu etwas Leichtem und Leichtsinnigem zu machen versucht, ihr den Schein gegeben, als kรถnnten sie alle. Dem ist nicht so. Liebe ist etwas Schweres, und sie ist schwerer denn anderes, weil bei anderen Konflikten die Natur selbst den Menschern anhรคlt, sich zu sammeln, sich ganz fest mit aller Kraft zusammenzufassen, wรคhrend in der Steigerung der Liebe der Anreiz liegt, sich ganz fortzugeben. Aber denke doch nur, kann das etwas Schรถnes sein, sich fortzugeben nicht als Ganzes und Geordnetes, sondern so dem Zufall nach, Stรผck fรผr Stรผck, wie es sich trifft? Kann solche Fortgabe, die einem Fortwerfen und ZerreiรŸen so รคhnlich sieht, etwas Gutes, kann sie Glรผck, Freude, Fortschritt sein? Nein, sie kann es nicht โ€ฆ Wenn du jemandem Blumen schenkst, so ordnest du sie vorher, nicht wahr? Aber junge Menschen, die sich lieb haben werfen sich einander hin in der Ungeduld und Hast ihrer Leidenschaft, und sie merken gar nicht, welcher Mangel an gegenseitiger Schรคtzung in dieser unaufgerรคumten Hingabe liegt, merken es erst mit Staunen und Unwillen an dem Zerwรผrfnis, das aus aller dieser Unordnung zwischen ihnen entsteht.

Und ist erst Uneinheit unter ihnen, dann wรคchst die Wirrnis mit jedem Tage; keiner von den beiden hat mehr etwas Unzerschlagenes, Reines und Unverdorbenes um sich, und mitten in der Trostlosigkeit eines Abbruchs suchen sie den Schein ihres Glรผckes [denn um des Glรผckes willen sollte all das doch sein] festzuhalten. Ach, sie vermรถgen sich kaum mehr zu entsinnen, was sie mit Glรผck meinten. In seiner Unsicherheit wird jeder immer ungerechter gegen den anderen; die einander wohltun wollten, berรผhren einer den anderen nun auf herrische und unduldsame Art, und im Bestreben, aus dem unhaltbaren und unertrรคglichen Zustand ihrer Wirrnis irgendwie herauszukommen, begehen sie den grรถรŸten Fehler, der an menschlichen Beziehungen geschehen kann: sie werden ungeduldig. Sie drรคngen sich zu einem Abschluss, zu einer, wie sie glauben, endgรผltigen Entscheidung zu kommen, sie versuchen ihr Verhรคltnis, dessen รผberraschende Verรคnderungen sie erschreckt haben, ein fรผr allemal festzustellen, damit es von nun ab โ€žewigโ€œ [wie sie sagen] dasselbe bleibe.

Das ist nur der letzte Irrtum in dieser langen Kette von aneinander festhaltenden Irrungen. Totes nicht einmal lรคsst sich endgรผltig festhalten [denn es zerfรคllt und verรคndert sich in seiner Art] wie viel weniger lรคsst sich Lebendes und Lebendiges ein fรผr alle Mal abschlieรŸend behandeln.

Leben ist ja gerade Sichverwandeln, und menschliche Beziehungen, die ein Lebensextrakt sind, sind das Verรคnderlichste von allem, steigen und fallen von Minute zu Minute, und Liebende sind diejenigen, in deren Beziehung und Berรผhrung kein Augenblick dem anderen gleicht.

Menschen, zwischen denen nie etwas Gewohntes, etwas schon einmal Dagewesenes vor sich geht, sondern lauter Neues, Unerwartetes, Unerhรถrtes.

Es gibt solche Verhรคltnisse, die ein sehr groรŸes, fast unertrรคgliches Glรผck sein mรผssen, aber sie kรถnnen nur zwischen sehr reichen Menschen eintreten und zwischen solchen, die jeder fรผr sich, reich, geordnet und versammelt sind, nur zwei weite, tiefe, eigene Welten kรถnnen sie verbinden.

โ€“ Junge Menschen โ€“ das liegt auf der Hand โ€“ kรถnnen ein solches Verhรคltnis nicht gewinnen, aber sie kรถnnen, wenn sie ihr Leben recht begreifen, langsam zu solchem Glรผck anwachsen und sich vorbereiten dafรผr. Sie mรผssen, wenn sie lieben, nicht vergessen, dass sie Anfรคnger sind, Stรผmper des Lebens, Lehrlinge in der Liebe, โ€“ mรผssen Liebe lernen, und dazu gehรถrt [wie zu jedem Lernen] Ruhe, Geduld und Sammlung!

Liebe ernst nehmen und leiden und wie eine Arbeit lernen, das ist es, Friedrich, was jungen Menschen nottut. โ€“ Die Leute haben, wie so vieles andere, auch die Stellung der Liebe im Leben missverstanden, sie haben sie zu Spiel und Vergnรผgen gemacht, weil sie meinten, dass Spiel und Vergnรผgen seliger denn Arbeit sei; es gibt aber nichts Glรผcklicheres als die Arbeit, und Liebe, gerade weil sie das รคuรŸerste Glรผck ist, kann nichts anderes als Arbeit sein. โ€“ Wer also liebt, der muss versuchen, sich zu benehmen, als ob er eine groรŸe Arbeit hรคtte: Er muss viel allein sein und in sich gehen und sich zusammenfassen und sich festhalten; er muss arbeiten; er muss etwas werden!

Denn, Friedrich, glaube mir, je mehr man ist, je reicher ist alles, was man erlebt. Und wer in seinem Leben eine tiefe Liebe haben will, der muss sparen und sammeln dafรผr und Honig zusammentragen.

Man muss nie verzweifeln, wenn einem etwas verloren geht, ein Mensch oder eine Freude oder ein Glรผck; es kommt alles noch herrlicher wieder. Was abfallen muss, fรคllt ab; was zu uns gehรถrt, bleibt uns, denn es geht alles nach Gesetzen vor sich, die grรถรŸer als unsere Einsicht sind und mit denen wir nur scheinbar im Widerspruch stehen. Man muss in sich selber leben und an das ganze Leben denken, an alle seine Millionen Mรถglichkeiten, Weiten und Zukรผnfte, denen gegenรผber es nichts Vergangenes und Verlorenes gibt. โ€“

Wir denken so viel an dich, lieber Friedrich; unsere รœberzeugung ist die: Dass du in der Wirrnis der Ereignisse lรคngst, aus dir heraus, den eigenen einsamen Ausweg gefunden hรคttest, der allein helfen kann, wenn nicht die ganze Last des Militรคrjahres noch auf dir lรคge โ€ฆ Ich erinnere mich, dass nach meiner eingesperrten Militรคrschulzeit mein Freiheitsdrang und mein entstelltes Selbstgefรผhl [das sich erst allmรคhlich von Bรผgen und Beulen, die man ihm beigebracht hatte, erholen musste] mich zu Verirrungen und Wรผnschen, die gar nicht zu meinem Leben gehรถren, treiben wollte, und es war mein Glรผck, dass meine Arbeit da war: In ihr fand ich mich und finde mich tรคglich in ihr und suche mich nirgends anders mehr. So tun wir beide; so ist Claras und mein Leben. Und du wirst auch dazu kommen, ganz gewiss. Sei guten Mutes, alles ist vor dir, und die Zeit, die mit Schwerem hingeht, ist nie verloren. Wir grรผรŸen dich, lieber Friedrich, von Herzen:

Rainer und Clara


Brief 4: 14/04/1904 Rilke aan Franz Xaver Kappus

De 10 brieven van Rilke aan Franz Xaver Kappus zijn bekend als “Briefe an einen jungen Dichter” en geschreven in de periode 1902-1908. De jonge Kappus (19 in 1902) vraagt raad aan Rilke ivm de keuze tussen het dichterschap of het volgen van een militaire loopbaan. Dit is de zevende brief, waarin Rilke ook het hem door Kappus toegestuurde sonnet bespreekt, overschrijft en mee insluit.

An Franz Xaver Kappus,

Rom, am 14. Mai 1904 /Mein lieber Herr Kappus, es ist viel Zeit hingegangen, seit ich Ihren letzten Brief empfangen habe. Tragen Sie mir das nicht nach; erst war es Arbeit, dann Stรถrung und endlich Krรคnklichkeit, was mich immer wieder von dieser Antwort abhielt, die [so wollte ich es] aus ruhigen und guten Tagen zu Ihnen kommen sollte. Nun fรผhle ich mich wieder etwas wohler [der Frรผhlingsanfang mit seinen bรถsen, launischen รœbergรคngen war auch hier arg zu fรผhlen] und komme dazu, Sie, lieber Herr Kappus, zu grรผรŸen und Ihnen [was ich so herzlich gerne tue] das und jenes auf Ihren Brief zu sagen, so gut ich es weiรŸ.

Sie sehen: Ich habe Ihr Sonett abgeschrieben, weil ich fand, dass es schรถn und einfach ist und in der Form geboren, in der es mit so stillem Anstand geht. Es sind die besten von den Versen, die ich von Ihnen lesen durfte. Und nun gebe ich Ihnen jene Abschrift, weil ich weiรŸ, dass es wichtig und voll neuer Erfahrung ist, eine eigene Arbeit in fremder Niederschrift wiederzufinden. Lesen Sie die Verse, als ob es fremde wรคren, und Sie werden im Innersten fรผhlen, wie sehr es die Ihrigen sind. โ€“ Es war eine Freude fรผr mich, dieses Sonett und Ihren Brief oft zu lesen; ich danke Ihnen fรผr beides.

Und Sie dรผrfen sich nicht beirren lassen in Ihrer Einsamkeit, dadurch, dass etwas in Ihnen ist, das sich herauswรผnscht aus ihr. Gerade dieser Wunsch wird Ihnen, wenn Sie ihn ruhig und รผberlegen und wie ein Werkzeug gebrauchen, Ihre Einsamkeit ausbreiten helfen รผber weites Land. Die Leute haben [mit Hilfe von Konventionen] alles nach dem Leichten hin gelรถst und nach des Leichten leichtester Seite; es ist aber klar, dass wir uns an das Schwere halten mรผssen; alles Lebendige hรคlt sich daran, alles in der Natur wรคchst und wehrt sich nach seiner Art und ist ein Eigenes aus sich heraus, versucht es um jeden Preis zu sein und gegen allen Widerstand. Wir wissen wenig, aber dass wir uns zu Schwerem halten mรผssen, ist eine Sicherheit, die uns nicht verlassen wird; es ist gut, einsam zu sein, denn Einsamkeit ist schwer; dass etwas schwer ist, muss uns ein Grund mehr sein, es zu tun.

Auch zu lieben ist gut: denn Lieben ist schwer. Liebhaben von Mensch zu Mensch:

das ist vielleicht das Schwerste, was uns aufgegeben ist, das ร„uรŸerste, die letzte Probe und Prรผfung, die Arbeit, fรผr die alle andere Arbeit nur Vorbereitung ist.

Darum kรถnnen junge Menschen, die Anfรคnger in allem sind, die Liebe noch nicht: Sie mรผssen sie lernen. Mit dem ganzen Wesen, mit allen Krรคften, versammelt um ihr einsames, banges, aufwรคrts schlagendes Herz, mรผssen sie lieben lernen. Lernzeit aber ist immer eine lange, abgeschlossene Zeit, und so ist Lieben fรผr lange hinaus und weit ins Leben hinein โ€“: Einsamkeit, gesteigertes und vertieftes Alleinsein fรผr den, der liebt. Lieben ist zunรคchst nichts, was aufgehen, hingeben und sich mit einem Zweiten vereinen heiรŸt [denn was wรคre eine Vereinigung von Ungeklรคrtem und Unfertigem, noch Ungeordnetem โ€“?], es ist ein erhabener Anlass fรผr den Einzelnen, zu reifen, in sich etwas zu werden, Welt zu werden, Welt zu werden fรผr sich um eines anderen willen, es ist ein groรŸer, unbescheidener Anspruch an ihn, etwas, was ihn auserwรคhlt und zu Weitem beruft. Nur in diesem Sinne, als Aufgabe, an sich zu arbeiten [โ€žzu horchen und zu hรคmmern Tag und Nachtโ€œ] dรผrften junge Menschen die Liebe, die ihnen gegeben wird, gebrauchen. Das Aufgehen und das Hingeben und alle Art der Gemeinsamkeit ist nicht fรผr sie [die noch lange, lange sparen und sammeln mรผssen], ist das Endliche, ist vielleicht das, wofรผr Menschenleben jetzt noch kaum ausreichen.

Darin aber irren die jungen Menschen so oft und so schwer: Dass sie [in deren Wesen es liegt, keine Geduld zu haben] sich einander hinwerfen, wenn die Liebe รผber sie kommt, sich ausstreuen, so wie sie sind in all ihrer Unaufgerรคumtheit, Unordnung, Wirrnis โ€ฆ: Was aber soll dann sein? Was soll das Leben an diesem Haufen von Halbzerschlagenem tun, den sie ihre Gemeinsamkeit heiรŸen und den sie gerne ihr Glรผck nennen mรถchten, ginge es an, und ihre Zukunft? Da verliert jeder sich um des anderen willen und verliert den anderen und viele andere, die noch kommen wollten. Und verliert die Weiten und Mรถglichkeiten, tauscht das Nahen und Fliehen leiser, ahnungsvoller Dinge gegen eine unfruchtbare Ratlosigkeit, aus der nichts mehr kommen kann; nichts als ein wenig Ekel, Enttรคuschung und Armut und die Rettung in eine der vielen Konventionen, die wie allgemeine Schutzhรผtten an diesem gefรคhrlichsten Wege in groรŸer Zahl angebracht sind. Kein Gebiet menschlichen Erlebens ist so mit Konventionen versehen wie dieses: Rettungsgรผrtel der verschiedensten Erfindung, Boote und Schwimmblasen sind da; Zuflรผchte in jeder Art hat die gesellschaftliche Auffassung zu schaffen gewusst, denn da sie geneigt war, das Liebesleben als ein Vergnรผgen zu nehmen, musste sie es auch leicht ausgestalten, billig, gefahrlos und sicher, wie รถffentliche Vergnรผgungen sind.

Zwar fรผhlen viele junge Menschen, die falsch, d. h. einfach hingebend und uneinsam lieben [der Durchschnitt wird ja immer dabei bleiben โ€“], das Drรผckende einer Verfehlung und wollen auch den Zustand, in den sie geraten sind, auf ihre eigene, persรถnliche Art lebensfรคhig und fruchtbar machen โ€“; denn ihre Natur sagt ihnen, dass die Fragen der Liebe, weniger noch als alles, was sonst wichtig ist, รถffentlich und nach dem und jenem รœbereinkommen gelรถst werden kรถnne; dass es Fragen sind, nahe Fragen von Mensch zu Mensch, die einer in jedem Falle neuen, besonderen, nur persรถnlichen Antwort bedรผrfen โ€“: aber wie sollten sie, die sich schon zusammengeworfen haben und sich nicht mehr abgrenzen und unterscheiden, die also nichts Eigenes mehr besitzen, einen Ausweg aus sich selbst heraus, aus der Tiefe der schon verschรผtteten Einsamkeit finden kรถnnen?

Sie handeln aus gemeinsamer Hilflosigkeit, und sie geraten, wenn sie dann, besten Willens, die Konvention, die ihnen auffรคllt [etwa die Ehe], vermeiden wollen, in die Fangarme einer weniger lauten, aber ebenso tรถdlichen konventionellen Lรถsung; denn da ist dann alles, weithin um sie โ€“ Konvention; da, wo aus einer frรผh zusammengeflossenen, trรผben Gemeinsamkeit gehandelt wird, ist jede Handlung konventionell: jedes Verhรคltnis, zu dem solche Verwirrung fรผhrt, hat seine Konvention, mag es auch noch so ungebrรคuchlich [d. h. im gewรถhnlichen Sinn unmoralisch] sein; ja, sogar Trennung wรคre da ein konventioneller Schritt, ein unpersรถnlicher Zufallsentschluss ohne Kraft und ohne Frucht.

Wer ernst hinsieht, findet, dass, wie fรผr den Tod, der schwer ist, auch fรผr die schwere Liebe noch keine Aufklรคrung, keine Lรถsung, weder Wink noch Weg erkannt worden ist; und es wird fรผr diese beiden Aufgaben, die wir verhรผllt tragen und weitergeben, ohne sie aufzutun, keine gemeinsame, in Vereinbarung beruhende Regel sich erforschen lassen. Aber in demselben MaรŸe, in dem wir beginnen, als Einzelne das Leben zu versuchen, werden diese groรŸen Dinge uns, den Einzelnen, in grรถรŸerer Nรคhe begegnen. Die Ansprรผche, welche die schwere Arbeit der Liebe an unsere Entwicklung stellt, sind รผberlebensgroรŸ, und wir sind ihnen, als Anfรคnger, nicht gewachsen. Wenn wir aber doch aushalten und diese Liebe auf uns nehmen als Last und Lehrzeit, statt uns zu verlieren an all das leichte und leichtsinnige Spiel, hinter dem die Menschen sich vor dem ernstesten Ernst ihres Daseins verborgen haben, โ€“ so wird ein kleiner Fortschritt und eine Erleichterung denen, die lange nach uns kommen, vielleicht fรผhlbar sein; das wรคre viel.

Wir kommen ja doch eben erst dazu, das Verhรคltnis eines einzelnen Menschen zu einem zweiten Einzelnen vorurteilslos und sachlich zu betrachten, und unsere Versuche, solche Beziehung zu leben, haben kein Vorbild vor sich. Und doch ist in dem Wandel der Zeit schon manches, das unserer zaghaften Anfรคngerschaft helfen will.

Das Mรคdchen und die Frau, in ihrer neuen, eigenen Entfaltung, werden nur vorรผbergehend Nachahmer mรคnnlicher Unart und Art und Wiederholer mรคnnlicher Berufe sein. Nach der Unsicherheit solcher รœbergรคnge wird sich zeigen, dass die Frauen durch die Fรผlle und den Wechseln jener [oft lรคcherlichen] Verkleidungen nur gegangen sind, um ihr eigenstes Wesen von den entstellenden Einflรผssen des anderen Geschlechtes zu reinigen. Die Frauen, in denen unmittelbarer, fruchtbarer und vertrauensvoller das Leben verweilt und wohnt, mรผssen ja im Grunde reifere Menschen geworden sein, menschlichere Menschen als der leichte, durch die Schwere keiner leiblichen Frucht unter die Oberflรคche des Lebens herabgezogene Mann, der, dรผnkelhaft und hastig, unterschรคtzt, was er zu lieben meint. Dieses in Schmerzen und Erniedrigungen ausgetragene Menschentum der Frau wird dann, wenn sie die Konventionen der Nur-Weiblichkeit in den Verwandlungen ihres รคuรŸeren Standes abgestreift haben wird, zutage treten, und die Mรคnner, die es heute noch nicht kommen fรผhlen, werden davon รผberrascht und geschlagen werden. Eines Tages [wofรผr jetzt, zumal in den nordischen Lรคndern, schon zuverlรคssige Zeichen sprechen und leuchten], eines Tages wird das Mรคdchen da sein und die Frau, deren Name nicht mehr nur einen Gegensatz zum Mรคnnlichen bedeuten wird, sondern etwas fรผr sich, etwas, wobei man an keine Ergรคnzung und Grenze denkt, nur an Leben und Dasein: der weibliche Mensch.

Dieser Fortschritt wird das Liebe-Erleben, das jetzt voll Irrung ist [sehr gegen den Willen der รผberholten Mรคnner zunรคchst], verwandeln, von Grund aus verรคndern, zu einer Beziehung umbilden, die von Mensch zu Mensch gemeint ist, nicht mehr von Mann zu Weib. Und diese menschlichere Liebe [die unendlich rรผcksichtsvoll und leise, und gut und klar in Binden und Lรถsen sich vollziehen wird] wird jener รคhneln, die wir ringend und mรผhsam vorbereiten, der Liebe, die darin besteht, dass zwei Einsamkeiten einander schรผtzen, grenzen und grรผรŸen.

Und das noch: Glauben Sie nicht, dass jene groรŸe Liebe, welche Ihnen, dem Knaben, einst auferlegt worden ist, verloren war; kรถnnen Sie sagen, ob damals nicht groรŸe und gute Wรผnsche in Ihnen gereift sind und Vorsรคtze, von denen Sie heute noch leben? Ich glaube, dass jene Liebe so stark und mรคchtig in Ihrer Erinnerung bleibt, weil sie Ihr erstes tiefes Alleinsein war und die erste innere Arbeit, die Sie an Ihrem Leben getan haben. โ€“ Alle guten Wรผnsche fรผr Sie, lieber Herr Kappus!

Ihr:
Rainer Maria Rilke

(toegevoegd: het sonnet van Kappus, overgeschreven door Rilke:

Sonett

Durch mein Leben zittert ohne Klage,
ohne Seufzer ein tiefdunkles Weh.
Meiner Trรคume reiner Blรผtenschnee
Ist die Weihe meiner stillsten Tage.

ร–fter aber kreuzt die groรŸe Frage
Meinen Pfad. Ich werde klein und geh
Kalt vorรผber wie an einem See,
dessen Flut ich nicht zu messen wage.

Und dann sinkt ein Leid auf mich, so trรผbe
Wie das Grau glanzarmer Sommernรคchte,
die ein Stern durchflimmert dann und wann -:

Meine Hรคnde tasten dann nach Liebe,
weil ich gerne Laute beten mรถchte,
die mein heiรŸer Mund nicht finden kann…

(Franz Xaver Kappus)

 


+ Bronnen:
Brief 1: “Rainerย Mariaย Rilke,ย Briefeย ausย denย Jahreย 1892-1904, Verona, 2016, Nachdruck des Originals, 1939, via books.google.be;
Brief 2, 3 en 4: via http://www.marschler.at/worte-rilke-briefe.htm .

+ (*) Lang gezocht naar deze “Friedrich Westhoff”. In verwijzing naar deze brief wordt hij in een voetnoot “broer van Clara” genoemd in “Letters of Rainer Maria Rilke“, Greene, Norton, 1945, note 62. Deze Friedrich werd geboren in 1894, wat zou betekenen dat hij bij ontvangst van deze brief (1904) 10 jaar oud was. Dit kan nagegaan worden in de stamboom van Clara Westhoff, die je hier vindt. Daaruit blijkt ook dat Clara geboren werd uit het tweede huwelijk van haar vader, en dat zij nog twee stiefbroers en รฉรฉn stiefzus had.
Ook aan Helmuth, een andere broer van Clara, schrijft Rilke een brief in november 1901, deze was toen eveneens slechts 10 jaar.
Uit de inhoud van deze brief blijkt dat Rilke de jonge Friedrich op erg volwassen wijze toespreekt en hem wegwijs probeert te maken in het “liefhebben: “Sie mรผssen, wenn sie lieben, nicht vergessen, dass sie Anfรคnger sind, Stรผmper des Lebens, Lehrlinge in der Liebe, โ€“ mรผssen Liebe lernen, und dazu gehรถrt [wie zu jedem Lernen] Ruhe, Geduld und Sammlung!”.

+ Rilke was een veelschrijver: ” Von Rilkes Briefen sind bis heute ungefรคhr 7000 verรถffentlicht worden. Diese Zahl zeigt schon, daรŸ sie mehr sind, als nur eine aufschluรŸreiche Quelle fรผr Biographen. Tatsรคchlich kann man sie als eigenstรคndigen Teil seines literarischen Werkes sehen, dem sie an Ausdruckskraft und Schรถnheit nicht nachstehen. Der Dichter geht feinfรผhlig auf seine Briefpartner ein, nutzt die Korrespondenzen aber auch zur Selbstreflexion.” (in “Rilke, Briefe/Index“)

Pale Blue Dot

In his speech at Cornell University (October 13th, 1994) Carl Sagan (1934-1996) left us his immoral thoughtsย  on looking at the picture of Earth “Voyager 1 Space Probe” sent back to us in 1990 at a distance of 6 billion kilometres. They are still so true today, almost 25 years later…
The picture became known as “The Pale Blue Dot“:

“From this distant vantage point, the Earth might not seem of particular interest. But for us, itโ€™s different. Consider again that dot. That’s here. That’s home. That’s us. On it everyone you love, everyone you know, everyone you ever heard of, every human being who ever was, lived out their lives. The aggregate of our joy and suffering, thousands of confident religions, ideologies, and economic doctrines, every hunter and forager, every hero and coward, every creator and destroyer of civilization, every king and peasant, every young couple in love, every mother and father, hopeful child, inventor and explorer, every teacher of morals, every corrupt politician, every “superstar,” every “supreme leader,” every saint and sinner in the history of our species lived there–on a mote of dust suspended in a sunbeam.
The Earth is a very small stage in a vast cosmic arena. Think of the rivers of blood spilled by all those generals and emperors so that, in glory and triumph, they could become the momentary masters of a fraction of a dot. Think of the endless cruelties visited by the inhabitants of one corner of this pixel on the scarcely distinguishable inhabitants of some other corner, how frequent their misunderstandings, how eager they are to kill one another, how fervent their hatreds.
Our posturings, our imagined self-importance, the delusion that we have some privileged position in the Universe, are challenged by this point of pale light. Our planet is a lonely speck in the great enveloping cosmic dark. In our obscurity, in all this vastness, there is no hint that help will come from elsewhere to save us from ourselves.
The Earth is the only world known so far to harbor life. There is nowhere else, at least in the near future, to which our species could migrate. Visit, yes. Settle, not yet. Like it or not, for the moment the Earth is where we make our stand.
It has been said that astronomy is a humbling and character-building experience. There is perhaps no better demonstration of the folly of human conceits than this distant image of our tiny world. To me, it underscores our responsibility to deal more kindly with one another, and to preserve and cherish the pale blue dot, the only home we’ve ever known.”

Loodlijn

(I.M. Fleur, 2002~2017)

Mag ik wat bij jou vertoeven,
nog ietwat schuchter, zijdelings?
Ik kijk de bloemen aan die al
aan het verwelken gaan maar
toch nog aanliggen bij jou,
de afstand tussen ons wordt
overbrugd door een plataan,
hij spreidt zijn armen uit naar
jou maar raakt je niet, hij reikt,
hij neigt, een onbestemd
verlangen, een hunkering naar
wat zou kunnen zijn,
bezoekers lopen langs,
een grootvader
met kleindochters
die al hun schooltassen
ontschouderen, ook hij
buigt naar je toe en spreekt
je naam en leeftijd uit,
je komt tot leven, even,
je rustplaats ligt pal
op de loodlijn die
de kinderen huiswaarts voert,
en daar een grootmoeder
die kleindochter naar opvang
duwt, wijst hemelhoog:
daar: zie je?
Het is een af en aan dit uur,
het leven gaat zijn gang,
een lieve lust, zo zal het
altijd zijn, maar nooit meer
zoals het zou moeten,
er is enkel dit vertoeven
in wat is
onder een bladerdak van hoop,
in wat onaf lijkt maar toch
zo volledig,
hoe zou het anders kunnen
zijn?

Wijgmaal, Ymeriaplein, 12 juni 2018, 16:05

1948 Sim als zangeres en actrice

ALS ZANGERES

“Posa la mano sul mio core, mio tenero amore…”


Inleidend muziekje uit 1936 om de sfeer te scheppen …

“Vrouwen zijn het mooist in ons leven” (“Frauen ย sind so schรถn wenn sie lieben”, 1936 – Tango)

Hier en daar wijkt de Nederlandse tekst af van het Duitse origineel (“von ihren lokkend sรผรŸen Kรผssen” wordt bv. “en ze allemaal vergeten” en “Ja, sie strahlen wie Sterne, denn Liebe verschรถnt ihre Zรผge, man verzeiht ihnen gerne, denn Liebe verschรถnt manche Lรผge” wordt: “Voor de liefde der vrouwen verloor een man zijne zinnen, en eenmaal na het trouwen wilt hij opnieuw gaan beginnen). De identiteit van de vertaler/vertaalsterย  werd nog niet gevonden.

Eerste strofe (tweede strofe: zie partituur):

Ik zei meermaals reeds:โ€œNu is โ€™t voorbij,
โ€˜k Wil van de vrouwen niets meer weten.
En ze allemaal vergeten,
Nooit was een enkโ€™le vrouw me trouw.โ€
En trots dien eed, is โ€™t onmogโ€™lijk
โ€˜k Blijf minnen tot ik ben versleten.
Want er is op de aard niet eene man,
Die toch zonder liefde kan.
Vrouwen, zijn het mooist in ons leven,
Heeft een Dichter geschreven,
Dat is werkelijk waar.
Vrouwen, zijn het mooist in ons leven,
Waar wij alles voor geven,
Alleen uit liefde voor haar.
Voor de liefde der vrouwen
Verloor een man zijne zinnen,
En eenmaal na het trouwen
Wilt hij opnieuw gaan beginnen.

Ich schwur mir zu: Nun istโ€™s vorbei!
ich will von Frauen nichts mehr wissen,
von ihren lokken sรผรŸen Kรผssen,
denn keine einzโ€™ge war mir treu.
Aber schon bald sach ich es ein:
Man kann sie leider doch nicht missen!
Denn sicht eine Frau so zรคrtlich uns an,
dan widersteht doch kein Man!
Frauen sind so schรถn, wenn sie lieben,
hat ein Dichter geschrieben,
und das hรถren sie gern!
Frauen sins so schรถn, wenn sie kรผssen,
und weil alles dies wissen,
darum kรผssen sie gern.
Ja, sie strahlen wie Sterne,
denn Liebe verschรถnt ihre Zรผge;
man verzeiht ihnen gerne,
denn Liebe verschรถnt manche Lรผge.

 

Een Duitse versie die de partituur trouw volgt, gezongen door Henry De Winter (ยฐ1959), een hedendaagse zanger die zich specialiseert in de muziek van de 20er, 30er en 40er jaren:


Het is pas na het ontrafelen van Sims archief dat bleek wat ze opgaf na haar huwelijk met Nand. Het is alsof er een tijdscapsule wordt geopend dieย  een periode openbaart waar Sim bijna nooit over sprak. En als ze dat toch deed was dat, ietwat schamper lachend, als: “mijn jeugdzonden”.
Over het waarom daarvan en de contrasten met het dramatische wereldgebeuren in die tijd wordt dieper ingegaan op de pagina X.

De merkwaardigste vondst was een muzieknotatie schrift uit 1934, Sim was toen 14. Op de eerste bladzijde: een lied op tekst van haar broer (“Opsteller”) voor de plaatselijke voetbalclub”Winghe Vooruit!” waar zij de muziek voor componeerde รฉn noteerde, gedateerd: 4 Maart 1934. Op de titelbladzijde is, niet verwonderlijk, “Cahier de Musique” doorstreept voor “Muziek Schrift”:

Als puber maakte ik ooit een geluidsopname van een zingende Sim (Kerst 1970), in de doos dook haar zelf uitgeschreven partituur van dit liedje op. Het betreft “Wer einmal verliebt war”, dat Sim toen uit het hoofd zong. Het gebeurde niet vaak, maar het was altijd een belevenis. Zie verder op deze pagina een filmpje van een zingende Zarah Leander, dat geeft een idee van Sims “performances”.

Opname Sim 1970 (je kan de tekst volgen door op de partituur te klikken):

Het lied dateert van 1934, een Engelse Wals (Gerhard Mohr/ Ewald Walter), hier gezongen door Walter van Lennep en het dansorkest van Fritz Domina:


Er is een hele doos met partituren en liedjesverzamelingen, evenals boeken over pianolessen. Bijna alles is getekend met haar naam en woonplaats: ‘Sint-Joris-Winge’. Daarenboven vertonen vele boeken en partituren sporen van intensief gebruik, er werd dus vaak gespeeld en gezongen. Sommige partituren zijn op verstevigend karton geplakt om mooi recht te staan op standaard of piano tijdens het spelen en/of zingen.

Een, ietwat wazige, foto van Finneke, Sims zusย  aan de piano thuis in Sint-Joris-Winge in 1939, herkenbaar omwille van haar specifieke jurk:

(Op de piano het (opengevouwde) rouwprentje van de verongelukte Oom Albert, links daarvan de trouwfoto van Sims ouders. Achter Finneke waarschijnlijk Sim, luisterend met een foto-album in de hand, tenzij zijzelf de fotograaf is.)

De partituren schetsen een goed beeld van Sims wereld voor ze Nand leert kennen, een wereld die bol staat van romantiek en “Weltschmerz” als we de titels doornemen. Het is iets dat we ook terugvinden in Sims “Celdagboeken” uit 1944 en later in haar “Brieven aan Nand” (1989-2007): telkens als ze een film terugziet met de liedjes uit die jaren vloeien de tranen.

De verzameling is zeer omvangrijk. Heel wat Duitse liederen, maar ook Franse, Italiaanse, Nederlandse, Vlaamse en Engelse songs vaak gezongen door de sterren van toen: Marika Rรถkk, Zarah Leander, Tino Rossi, Rina Ketty, Maurice Chevalier, etc., naast liedjes die op zichzelf bekend zijn zonder daarom specifiek met een zanger of zangeres verbonden te zijn, bv. “M’n Tante Veronika, een nieuwe wereldschlager” (1936/1938):

1938: Willy Derby zingt “M’n Tante Veronika” (de Nederlandse tekst wijkt af van de “Vlaamsche”):

Er zijn een hondertal tweebladige partituren (24x18cm), vaak met een lied uit een zeemzoete film. De voorkant meestal met titel, zanger/zangeres of een scรจne uit de film en de vertaler(s). Op de achterzijde vermeldt de verdeler een lijst met beschikbare titels. De partituren zijn te dateren tussen 1936 en 1943. De “jongste” dateert van oktober 1949.

Twee lijsten met titels die de sfeer scheppen. Naast de titel ook het type: tango, wals, fox-trot, etc. De meeste vermelde partituren had Sim in bezit.:

Sommige liedjes werden vertaald om in het Nederlands รฉn Frans gezongen te worden, bv deze “Etoile de Rio”/”Ster van Rio”, oorspronkelijk een Duitse film “Stern von Rio”:

De filmliedjes komen vaak uit UFA-films en vermelden “Deze uitgave mag alleen in Belgiรซ verkocht worden”. De UFA studio, gesticht in 1917, was de belangrijkste in Duitsland. Na de nationaal-socialistische machtsovername werd de studio een krachtig propagandamiddel (bv. met de wekelijkse ‘Deutsche Wochenschau”, die ook in de bezette gebieden getoond werd).

Enkele voorbeelden van partituren:

Marika Rรถkk (1913-2004): “Ik wil toch zoo gaarne” (Hab mich lieb), “Als de lente komt” (Wenn es Frรผhling wird), “Niets als muziek! muziek! muziek!” (Ich brauche keine millionen), “Zoo schoon als nu, zoo moet het blijven” (So schรถn wie heut’ so mรผss es bleiben):

Marika Rรถkk zingt “Ich brauche keine millionen” in de film “Hallo Janine” , 1939:

Zarah Leander(1907-1981): “Waarvoor om liefde weenen” en “Kan de liefde zonde zijn?” (1938):

Binnenblad van “Kan de liefde zonde zijn?”:

Zarah Leander zingt “Kann die Liebe Sunde sein?”, een voorbeeld waar Sim zich aan spiegelde:


Kann die Liebe Sรผnde sein?
Darf es niemand wissen
Wenn man sich kรผsst
Wenn man einmal alles vergisst
Vor Glรผck?
Kann das wirklich Sรผnde sein
Wenn man immerzu an einen nur denkt
Wenn man einmal alles ihm schenkt
Vor Glรผck?
Niemals werde ich bereuen
Was ich tat
Und was aus Liebe geschah
Das mรผsst ihr mir schon verzeihen
Dazu ist sie ja da
Liebe kann nicht Sรผnde sein
Auch wenn sie es wรคr’
So wรคr’s mir egal
Lieber will ich sรผndigen mal
Als ohne Liebe sein
Jeder kleine SpieรŸer macht
Das Leben mir zur Qual
Denn er spricht nur immer von Moral
Und was er auch denkt und tut
Man merkt ihm leider an
Dass er niemand glรผcklich sehen kann


Sagt er dann
โ€žZu meiner Zeit
Gab es so was nicht!โ€œ
Frag’ ich voll Bescheidenheit
Mit lรคchelndem Gesicht
โ€žKann die Liebe Sรผnde sein?
Darf es niemand wissen
Wenn man sich kรผsst
Wenn man einmal alles vergisst
Vor Glรผck?โ€œ
Kann das wirklich Sรผnde sein
Wenn man immerzu an einen nur denkt
Wenn man einmal alles ihm schenkt
Vor Glรผck?
Niemals werde ich bereuen
Was ich tat
Und was aus Liebe geschah
Das musst du mir schon verzeihen
Dazu ist sie ja da!
โ€žHallo, gnรคdige Frau
Hierher sehen
Hier ist die Sรผndeโ€œ
Liebe kann nicht Sรผnde sein
Auch wenn sie es wรคr’
So wรคr’s mir egal
Lieber will ich sรผndigen mal
Als ohne Liebe sein

Speciale vondst: De handtekening en groet van Zarah Leander zelf (“Meinen Freunden / mit einen herzlicher Grรผss”) in haar groot Liedboek, 40 blz., 30x24cm (12 liederen met partituren uit 12 films en 12 portretten). Met rechts bovenaan de tekst “Sim Wolfs, Winge Paschenย  1941“, daaronder een stempel van haar vader Juul Wolfs met adres en handelsregisternummer (hij was brandstoffenhandelaar). Waarschijnlijk zijn dit vooraf gesigneerde boeken die te koop werden aangeboden. Zarah Leander was een Zweedse, die erg populair was, ook in Duitsland waar ze nog tijdens de oorlogsjaren optrad, zie de link op haar naam voor haar biografie en haar relatie met het regime toen (met een opmerkelijke anekdote over haar ontmoeting met Goebbels).


De “Lambeth Walk“, “Chantรฉ et dansรฉ par Nita Raya dans le Revue du Casino de Paris avec Maurice Chevalier, de la Comรฉdie musicale ‘Me and My Girl'”(1938)ย  รฉn een weergave van de danspasjes “Comment danser “Le Lambeth Walk”:

Uit “Me and My Girl”, 1939: The Lambeth Walk:

(ps: het lied speelde een opmerkelijke rol voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, zie de link hierboven)


“Ik hou van Holland”, “Het plekje bij den molen”, “Bij ’t deurke stond een meisje”:

1937: Joseph Schmidt met “Ik hou van Holland”:

“Wanneer zult gij weer bij mij zijn?”, “Nu zal je altijd bij mij zijn”, “Dat moet je niet doen! (Amalia)” gedateerd op “Oogst 1938”, toen Sim nog regentaat volgde:

Een 78 toeren opname ca 1940 van “Dat moet je niet doen Amalia” door Albert de Booij:

“Garde-moi ton amour” op karton geplakt, en veelvuldig gebruikt:

Dit liedje uit de film “Aprรจs l’amour” (1931):

Een ode aan Raymond Braine, de bekende voetballer: “De Nieuwe voetbalmarsch: Hup, Hup, Hup!, aan onzen wonderbaren footballer!” (1938):

“Adieu Hawaรฏ”/”Goodbye Hawaรฏ” (1935) door Tino Rossi (1907-1983) en “Poney, Poney!”/”Horsey, Horsey!”:

“Adieu Hawaรฏ” door Tino Rossi:

“Hei, Hei, Meisjelief” en “We gaan de wijde wereld in”:

“Hei hei meisjelief” door ‘The Kilima Hawaiians’


Waarschijnlijk Sims laatste aanwinst, “Op 21 October 1949”: “Everybody’s Favorite Grand Opera”, met Aรฏda, Carmen, Faust, etc. Een groot en lijvig boek van 224 blz. partituren.


Uitsmijter. Sim zingt “La Folletta” (“Die Lustige”/”The Merry Lady”) van Salvator Marchesi in het Italiaans, uit het hoofd, eveneens uit de geluidsopname van 1970.
“Posa la mano sul mio core, mio tenero amore…”, “Laat je hand rusten op mijn hart, mijn tedere geliefde…”.ย Deze beginregel verwoordt misschien best het karakter van Sim, haar romantische ziel, haar ‘Weltschmerz’.
Ik heb de video voorzien van een Engelse vertaling, de foto van Sim voor haar VW-kever dateert van ca 1950/1951:


ALS ACTRICE

Enkel uit de liefdesbrieven kunnen we afleiden dat Sim ook toneel speelde, zeer tegen de zin van Nand. Op zijn vraag gaf ze dat op. Uit de brieven blijkt dat ze inzag dat Nand gelijk had, maar het valt te betwijfelen of dat ten diepste wel zo was. Uiteindelijk gaf ze ook haar leven op zoals ze dat gewoon was tot voor ze Nand leerde kennen, bv het schrijven van poรซzie, ze vond haar persoonlijke creativiteit minderwaardig, zie daarvoor de inleidende beschouwingen bij de liefdesbrieven.

Uit die brieven ook enkele fragmenten over die keuze:

Sim, brief 12:

โ€˜k Gaf ontslag bij de toneelgroep โ€“ ben anders hoffelijk verplicht zondag te offeren.. Openluchttheater te Maaseik. Davidsfonds geloof ikโ€ฆ

Nand antwoordt, brief 12:

Het stemt mij ook tot dankbaarheid dat je bij den toneelgroep ontslag hebt ingediend. Ik hoop dat het voor jou geen al te grote beroving zal betekenen niet meer op de planken te verschijnen? Ik zal mij inspannen om je dit verlies veel-veelvuldig te vergelden.

In brief 63 schrijft Sim hoe ze nog worstelt met het opgeven van haar optredens:

Waarom worden we al te dikwijls door vreemde krachten van een schoon vooropgesteld doel weggerukt, bijna willoos. Zo weet ik dat jij zondag bij mij zijn moest, ik bij jou, en nochtans vond ik mezelf in een onooglijk gemeentezaaltje een tranerig zoet toneeltje vertolkenโ€ฆ Je zal weer eens meewarig glimlachen zoals jij alleen dat kunt, bij mij bewering maar zondag e.k. wordt het definitief de laatste vertoning. Ik heb zulks zeer kordaat Hens en Co diets gemaakt, niet dat ik het aldus vroeger vergat. Je weet hoe ik nu eenmaal in die conventioneel toegeeflijke wereld bewoog. Ja ik zal een verleden tijd gebruiken. Sinds ettelijke maanden, (bijna zeven!) word ik losgerukt uit die wereld. Ik schreef het je en zegde het reeds dikwijls, Nand, ย al sta je soms nog zeer sceptisch tegenover bepaalde resultaten van mijn pogen.

Antwoord van Nand, brief 64:

In verband met jou toneelspelen heb ik je gevraagd of je dat als een eigen kunsttaak opvatte, een โ€œberoepโ€ waaraan je niet kon verzaken : je hebt geantwoord : neen. In dat geval kan ik moeilijk begrijpen hoe je er toe komt nog te gaan spelen โ€“ de vergoeding is immers belachelijk. Je roept je โ€œgoed hartโ€ in .. Ik herken graag dat je een goed hart hebt .. maar laat het ook eens denken aan mijn werkloze โ€œzeemansarmenโ€ ! Ik neem nota van je verklaring dat je besloten hebt niet meer mee te spelen โ€“ en dit met (zoals dat in dergelijke zinswendingen past) grote voldoening.ย 


 

1948-2022 Nand: “Gevangeniskerkhof Merksplas”

Bezoek 2022 en voorlezing “Gevangeniskerkhof te Merksplas”, gedicht aldaar geschreven door Nand op woensdag 24 maart 1948 in gevangenschap:

Zacht wekt de koele wind de spitse sparrebomen
die, lauw van heidegeur, meewarig zuchtend wuiven;
’t bleek-blauw blazoen der kim met witte wolkenkuiven
heft, vlekloos boven ’t groen, zijn zilvergrijze zomen.

De grond is geluw zand, en geluw zand de paden,
dor wervelt eikenloof in fluisterende kringen;
‘k hoor over ’t ijle land den specht zijn lachlied zingen;
fazanten fonklen plots in ranke goudgewaden.

Bemost en molm-verteerd staan star-gerijde kruisen:
hout, zonder terp noch naam, in naakten grond te hope;
zinken schuin in ’t zand, zij liggen groen op hopen
als dorrend sprokkelhout waar dennenpalmen ruisen.

Wien bergt het norse zand met zijn benard stilzwijgen?
Wie boet hier in den dood zijn onbezonnen zonden?
Burger en boef, ’t dient al tot maal van stomme monden,
zij azen niet op schuld als zij ten maaltijd tijgen.

Doden, welk deemstrend lot heeft U ten doem gedreven?
Wat anders dan het hart waar rode driften draven?
En nu gij aarde werdt waar blinde maden graven,
hoe zou de mens den mens zijn dolen niet vergeven?

Gij hebt mijn hart, een hart geschapen om te falen,
’t hart dat uw hart begrijpt, door eendren drang bevolen,
dat dolensmoede pijnt, en haakt om voort te dolen,
dat zoekt, van rouwmoed murw, nog op zijn nood te pralenโ€ฆ

Hier is de stilte vroom, en tijdloos ingetogen:
+gij sluimert aan God’s hart, beveiligd voor ’t misleiden,
voor hartstocht en den dood dien wij in ’t harte lijden,
voor angst, en haat, en hoop die noodloos wordt belogen.

Lig ik, uw lotgenoot, eens zalig aan uw zijde
in ’t geluw heidezand waar lauwe sparren wuiven,
waar giert de groene specht en zilvren wolken schuiven,
waar bleek de Heiland hangt in moedig medelijden?

o Stof te zijn en stom in smartenvrij vergeten!โ€ฆ
Hoe nu, gij staart mij aan met worm-verknaagde ogen,
uw lippenloze mond grijnst grof en zonder logen,
uw wang is bars doorboord, uw hand tot ’t been vervretenโ€ฆ

Daar gaapt, daar gaapt een put, een open muil van aarde,
vierhoekig opgesperd om gulzig te verslinden;
een walm van klam bederf besmeurt de voorjaarswinden
die krijsen, plots en schril, in ’t groen der dodengaarde.

Ik huiver ะพั€ den rand in radeloos benauwen:
neen! niet in ’t riekend zand bij krielenszieke maden!
En ‘k sluip voorbij den kuil langs sluikse schemerpaden,
daar achter ’t sparrengroen de zuivere einders blauwen.

Ik lijd, ik leef! Ik ken den weemoed van ’t verblijden.
Ik zing des levens doem, niet ’t vunzig bed der doden!
Heil, wolkenzilver in ’t azuren schild der goden:
gun mij de dure gunst vervoerd te mogen lijdenโ€ฆ

Manuscript, laatste strofe.

Het was voor Nand, tijdens zijn  bijna dagelijkse wandelingen door het โ€œdomeinโ€ de uitgelezen plaats om te mijmeren over leven en dood. Later zou hij dit gedicht opnemen in de bundel โ€œDe Gouden Helmโ€ (1955), maar met een andere titel: โ€œOp een dorpskerkhofโ€, om begrijpelijke redenen.

Daarna maakte ik een ‘rondrit’ langs de gevangenis:

1947 Sim: “Haar mooiste Kerstfeest”

Dit Kerstverhaal schreef Sim in de gevangenis te Vorst. Het werd gepubliceerd in het Kerstnummer 1947 van het tijdschrift “Klein Kasteel”, waarin van Sim ook al enkele gedichten waren opgenomen. Dit tijdschrift was een “Maandblad van het interneringscentrum Klein Kasteel”, dat in verschillende interneringscentra werd verspreid en samengesteld was door de geรฏnterneerden, onder toezicht (en censuur) van de gevangeniscentra en het Ministerie van Justitie.

Sim wist in haar tekst de censuur te omzeilen door niet expliciet te verwijzen naar de toestand in de gevangenissen toen, maar het toch te hebben over wat een vrijheidsberoving teweeg brengt, zeker tijdens de Kersttijd. Het zal enkel voor familie en vrienden duidelijk geweest zijn dat Sim het wel degelijk had over de gebeurtenissen van de voorbije tijd. Het personage “Dis” uit haar verhaal is immers bijna letterlijk gebaseerd op haar broer Bert. De vertelling ademt de heimwee naar de tijd in vrijheid en de herinneringen aan de sterke familieband en de moederliefde. Verder zijn er ook nog verwijzingen naar wat “het Vlaamse volk” is aangedaan. Dat dit de censuur passeerde is opmerkelijk. Of bv het zinnetje: “Toen hij in September 1944 aangehouden werd, dacht ze dat het een vergissing was”.
Maar in verhalen als deze in dit tijdsgewrichtย  worden op subtiele wijze vaak hints binnengesmokkeld, zoals de voornaam “Dis”, die een afkorting (of verbastering) is van het Latijnse “Desideratus/Desiderius” wat “verlangen” of “vol van verlangen” betekent, in dit geval: het verlangen naar vrijheid.

Er is geen manuscript bewaard, enkel een typoscript (in drie doorslagen). Of Sim het verhaal onmiddellijk op de schrijfmachine schreef is onduidelijk. Wel zijn er hier en daar geschreven verbeteringen van haar hand in de tekst.

Fragment uit het typoscript van de tekst, eerste bladzijde, met een verbetering onderaan (“vermogen te onwaren” wordt “kunnen vatten”, vreemd genoeg werd deze wijziging niet aangepast in de tekst die verscheen in het maandblad, andere wijzigingen wel, bv. de invoeging van “hoop”, ook de titel veranderde, van “Haar kerstavond” naar “Haar mooiste Kerstfeest”):

De eerste en de laatste bladzijde zoals afgedrukt in het maandblad. Onderaan de vermelding: “Gev. Vorst, afd. vrouwen”, daaronder voegde Sim haar naam toe in potlood:

HAAR MOOISTE KERSTFEEST

ZE had het oude kreupele kerststalleke zoals ieder jaar op de kast gezet; elk jaar verweerden de figuurtjes wat meer, gelijk zij zelve stilaan verouderde, ze voelde het aan het beven van haar handen. Het vermolmde kribbeke wankelde, ze had het ietwat onbeholpen uit de handen laten glippen, kijk, zo stond het vast op een dubbel gevouwd papiertje. Het dromerige Lieve Vrouwke en de bezorgde Sint Jozef knielden weer devoot, misschien ook wat meer gebogen sedert het vorige jaar, tussen de schamele herderkens. Voor het tafereel stonden de kaarsjes, rood en groen. Toen ze haar werkje bekeek werd ze weer bewogen en haar ogen vochtig. Bij de nietigste gebeurtenissen in haar drentelleven schoten die ogen vol tranen. Daaraan vermoedde ze ook hoe haar weerstand geleidelijk verminderde.

Toen het leven hard sloeg had ze nochtans haar leed niet uitgeschreeuwd; de mensen zegden: een kranige vrouw en van een taai geslacht! Neen, ze had niet luide gejammerd wanneer de bittere oorlog haar weduwe maakte en de zware zorgen om haar kleine jongen had ze aanvaard in ruil voor een vroeg-oud zijn.

Haar kleine jongen… ze fluisterde zijn naam naast het kerststalleke, waar zijn beeld de kleine doening van haar dagen overschouwde. Ze sprak voor zich uit, de laatste tijd gebeurde het dikwijls dat ze luide in haar eenzaamheid praatte, vooral als zijn brieven, om de veertien dagen geregeld toekwamen. Dan beantwoordde ze zijn vragen bij het beeld en glimlachte ; toen hij herhaaldelijk de laatste keren zijn terugkomst meldde, was haar hoop samengebald op dit Kerstfeest. โ€œMet Kerstmis ben ik thuis… en wat het worden zal, o moeke…โ€.ย  Hij schreef over de voorwaardelijke in vrijheidstelling, Wet Lejeune, maar van al zijn uitweidingen over die administratieve werkingen bleef die ene belofte in haar uitgroeien : Met Kerstmis zou hij komen. Het was alsof ze voor een tweede maal haar jongen onder het hart droeg, zo innig voelde ze zijn bijzijn in de belofte van terugkeer, ja, hij zou herboren worden, een nieuwe geboorte voor hen beiden, na al de doorstane weeรซn en de pijnlijke tijd der verwachting.

โ€œGe zult het zien, moeke, dit wordt ons Kerstfeest, we vieren het eindelijk weer samen, want lang kan dit alles niet meer duren, dan maakt uw jongen het u dubbel goed. Ik weet hoe eenzaam uw leven was en die bekommernis om mij. Als ik aan uw trouwe en opofferende liefde denk, word ik beschaamd om het besef hoe weinig ik u kan weergeven en wat gij steeds trotseerde om uw kind. Of vindt de liefde slechts voldoening in het offer? Toen ge de lange lastige reis naar uw gevangen jongen ondernaamt en ik u van ver ontwaren kon tussen alle andere mensen uit, toen ik u hunkerend voor de omheiningsdraad zag staan, geduldig wachtend naar het bezoek, heb ik wel gans kunnen omvatten wat uw, door het leed zo fijngevoelig moederhart, glimlachend heeft aanvaard? Ik weet het niet en zal ik het ooit ten volle kunnen begrijpen? Ik zag de zorgentrek om uw fijne mond en de te vroege rimpels in je teer gelaat. Dit weet ik, niemand heeft zo’n moeke als het mijne. Gij voedde in mij naast uw beeld de herinnering van vaderke. Ik geloof dat het uw diep geluk is zijn beeld in mij zelve te ontwaren. In uw liefde heb ik het gemis nooit kunnen vatten. Boven het verwijt der mensen heen groeide het vertrouwen naar uw kind. Dat ik nooit uw vertrouwen moge schenden, moeder, is mijn bede.
Ach moeder, dit te kunnen zeggen ver van u… Ik volg uw doening in ons huizeke en als de engheid mij te machtig wordt, als de zon spettert over de Limburgse heide en de wolken uitdagend wentelen over deze dagen, dan breng ik blijde bijna dit offer om het besef dat ik in de eenzaamheid de schonere waarde mocht bepalen der eenvoudigste dingen, de waarden die we reeds lang aanvaarden, omdat ze ons lief waren, groeven hun bedding dieper uit in onze geest. Moederke, als ik tegen Kerstmis terugkeer, wordt het een nieuwe geboorte in ons huizeke, waarover de goede engel waakt… dan maak ik alles weer goed…โ€

Ze moest lachen om dit ยซ goed maken ยป. Wat moest ze hem vergeven ? het was haar kind.

Dit was, sedert zijn heengaan, de derde keer dat de dagen naar Kerstmis heen weifelden. Ze weifelden ja, waren ze niet voldragen met zoveel herinneringen en verlangens van alle rustelozen, eenzamen van huis en ook van hen die in de kerstavonden de kerenden verbeiden? Zovelen zouden vruchteloos wachten. Maar wie gelooft niet aan de blijde levensboodschap of het wonder in het sprookje? Dit kindzijn hebben we wel nooit verleerd.

De stoomfluit gilde over de velden in ’n sliert van witte uitschietende dampen, ze gaven zich vlug verloren in de adem der sterke vrieslucht, waarin het huizeke lag, onbeduidend aan de rand van het deftige dorp. De middaghemel lag klaar open tegen het vergezicht, waardoor het hijgende hortende stoomtrammetje een haperend- schokkende lijn naar het dorp trok.

โ€œNe groene Kerstmis… ne witte Pasenโ€ mijmerde de stem voor het raam. Groen gelijk de rillende grassprietjes, groen gelijk het kaarsje voor het kerststalleke, groen gelijk Disโ€™ briefomslag, groen gelijk de hoop, de verwachting ja, ze had steeds graag een sneeuwkerstmis gewenst vol stemmige innigheid, maar nu was ie groter van betekenis.

Na een paar minuten zouden de mensen voorbijkomen over de harde steenweg. Ze hoorde van verre de komende stappen kletterend over de kasseien. Eerst het huppelend jong studenten volkske met rode neuzen en stijfuitstekende haarklissen onder hun petten, daarachter volgden met groter gemeten stappen het werkvolk, de handen diep in hun rafeljassen en tegen hun lijven de zwarte versleten maletten. Ze gingen in vlugger bewegingen, verlangend naar de rode warmte hunner leuvense stoven en naar de innigheid van de nakende Kerstavond.

Tussen die groep was Dis ook vroeger naar huis gekomen, dan had hij van verre zijn moeke reeds ontdekt achter het raam. Die tijd… toen hij stoeiend uit de dorpsschool aankwam, wanneer hij voor de eerste keer uit het college haar tegemoet kwam gelopen. Ze moest diep ademen voor dit stil geluk, haar jongen zou geen zorgenkommer kennen, geen slaafs wroeten. Hij moest iets worden. Meneer Pastoor had haar in die droom geholpen, toen hij zegde dat Dis voortstuderen moest. De studiebeurs die hij verkregen had en haar karig pensioentje hadden schril afgestoken legen de werkelijke onkosten, maar ze had dapper gewoekerd met het werk harer handen en alle leed had ze gedragen in haar lichaam en ook in haar geest, de afgunst der simpele menskes die haar in haar droom benijden. In de eenzaamheid van haar afgetrokken leven was ze naar de herinnering gegroeid en naar het kind dat er de bloei van was.
En die late Octoberavond keerde hij weer met zijn wijnrode pet gelijk de kleur van de slingerende wingerd om het raam. Ze was zo fier geweest om haar grote student. Hij had haar in zijn sterke armen genomen en uitgelaten hadden ze in het stille keukentje een waaiende wals gemaakt, dat de stoelen er verwonderd schuins van helden en de oude kast verloren in haar voegen kraakte.

En al die avonden bij de schemerlamp had ze naar hem opgekeken, zijn blonde hoofd gebogen over geleerde cursussen en werkplannen.

Dat was haar schoonste tijd …

Ze herinnerde zich die eerste meiavond voor O. L. H. Hemelvaart als de studentenbedevaart uit de hogeschoolstad naar Scherpenheuvel trok in luidruchtige slierten door het kalme dorp. Dis was komen aanlaveren tegen middernacht met zijn kameraden. Nooit had het keukentje zoveel leven gezien. Dis had lachend achter haar gestaan en met bei zijn forse handen om haar armen gezegd: โ€œDat is nu mijn moeke…โ€. Ze was even bedeesd geweest om al die onbekende gezichten, maar ze noemden haar allen โ€œMoekeโ€. Hun petten lagen gemoedelijk tegen de stoelen en hun wandelknuppels hingen aan hun lussen onschuldig aan de leuningen. En โ€œMoekeโ€ zette dampende koffie dat ’t huizeke ervan geurde. Toen hief dat studentenvolk het clublied aan en bij het refrein … โ€œVivat Hagelandi-a-a-a…โ€ dreunden de ruiten en rilde de glazen stolp om het reikende H. Hartbeeld.

Toen stond Dis langzaam recht. Ze zag een rood leeuwtje klauwen op de vergulde grond van een breed schouderlint, de kameraden droegen eveneens een smaller witgestreept klublint. Dis had het haar uitgelegd. Ze wist dat hij aan ’t hoofd stond van de groep, โ€œPraesesโ€ noemden z’n kameraden hem. Weer moest ze diep ademhalen om dat stil geluk. Hij sprak nu met trage volle stem. Zo had ze hem nog niet gekend… die stem… rustig klonk ze uit over de luisterende hoofden … Ze beefde van ingehouden ontroering … er woei een tere seringengeur binnen door ’t half geloken raam… die stem … en langzaam groeide ’t beeld van zijn vader naast hem. Hij sprak over z’n land, zijn streek en zijn huis, over zijn vader die hij niet gekend had en die met zijn gesneuvelde kameraden voor vrede en verzoening door recht, onder de gekruiste bee van de IJzertoren rustte. Hij sprak over een vredesboodschap in de troebele tijd, over de plaats die dit volk veroveren moest, over zijn ontvoogding. Hij sprak, o, er was veel dat ze niet begrepen had, maar schoon was het, dat voelde ze, het lag in de gloedglans van zijn blauwe ogen.

En toen hij nadruk legde op de grondslag van zijn vertrouwen in dit volk, namelijk de traditie van zijn diep geloof, sprak hij over de betekenis der bedevaart. De reine Maagd zou hun patrones zijn in het beeld van Onze Lieve Vrouwke van Scherpenheuvel en hun patroon, om de trouw te belijden aan de Hagelandse stam, de Sint Jan Berchmansfiguur.

Ze waren daarop de heldere meinacht ingetrokken die vol hing van verwachting en nachtelijke bloei. Ze was hen gevolgd op het kleine wegeltje tot aan de straatweg, toen ze langzaam keerde, hoorde zij in de echo van het Broekbos, de stemmen naklinken, ze galmden uit boven het veie rustige Hageland om uit te sterven in de bee:

โ€œLiefste Lieve Vrouw van Vlaanderen …โ€ het was de bee die opsteeg voor ’t bedreigde land.

In de grote panische terugtocht voor het oprukkend wapengeweld, was Dis plichtgetrouw met zijn kameraden naar Frankrijk uitgeweken. Na een paar weken echter keerde hij terug in het bezette land, waar de werkelijke oorlog pas begon, waar hij tragisch rukte tot in de kleinste hoeken van het Hageland – onbarmhartig โ€“ en ook de geesten werden ontredderd.

In het huizeke was er niet veel van aanschijn veranderd. Dis werd licentiaat en bereidde zijn thesis voor. Telkens keerde hij ’s avonds nog weer tot plots de eerste scheiding viel. Hij vertrok naar het hartje van Thรผringen, naar een vreemde universiteitsstad, hij zou er zijn thesis afwerken met de aangeboden studiebeurs die hij overmoedig aanvaard had.

Toen moeder hem in de frisse herfstavond tot bij de nachttrein vergezeld had, voelde ze een vreemde pijn, die ze moeilijk bepalen kon. Bij haar thuiskomst leek het huizeke zo kil, alsof de volle winter zich reeds in alle hoeken had genesteld. Ze rilde, dit leek de rust niet die ze gewoonlijk in haar eenzaamheid vond.

Wat Dis in Thรผringen precies gedaan had, wist ze niet. Ze had het hem ook nooit gevraagd.

Toen hij in September 1944 aangehouden werd, dacht ze dat het een vergissing was.

Nu mijmerden haar ogen om het beeld dat hij komen kon zoals vroeger. Nu het Kerstavond werd, keerden de mensen vlugger naar huis, nu werden de handen stilgelegd en elke wrok werd minder scherp, zelfs de haat ging sluimeren in deze nacht, opdat het kindeke niet schrikken zou, in de vrede boodschap. Nu rezen de herinneringen aan de tijd dat ze zelf nog kind was en de ogenblikken van klaar geluk.

Haar trage handen beefden om het visioen dat hij komen zou. Elk beeld van haar jongen kreeg gestalte voor haar geest. Was het O.L.Heer die haar sloeg om de te grote dromen die ze, schamel als ze was, had durven uitbouwen omdat Dis de grond was ontgroeid, zijn eenvoud en de engheid van het dorp? Was het Zijn alwijze hand die haar jongen geleid had tot dit mijnwerkersbestaan, opdat hij de edele schoonheid van het handwerk zou begrijpen?

Ze keek naar het stalleke en de scheefkijkende herderkens, ze waren ook tot het kerstekindje gekomen in hun schamelheid, ja, zelfs de eersten waren ze geweest. Ook zij was armer dan ooit te voren deze avond in haar naakte eenzaamheid…

De schemeravond viel onhoorbaar in de klaarte van de vriesnamiddag en gleed naar de avond der sterren,

Ze sluit de blinden.

Ze vouwt de handen in de schoot, ze kijkt naar de nukkig krinkelende vlammetjes van het rode en het groene kaarsje. Er bewegen dansende schaduwen in het stalleke… โ€œWees gegroet Maria, vol van gratie…โ€. Ver gilt de late stoomfluit over het dorp, een klank buitelt verloren tegen de sidderende blinden… โ€œde Heer is met U, gebenedijd zijt gij boven alle vrouwen…โ€ – dit is de laatste stoomtram in de avond, zal hij komen ?… โ€œen gebenedijd is de vrucht uw lichaams Jesus…โ€. ย Er klinken voetstappen op de straat, ze hoort het duidelijk… ze glijden af op het veldwegeltje doffer, trager, trager… โ€œHeilige Maria…โ€. Ze vouwt haar handen op haar wild-kloppend hart… gluurt er iemand binnen door de blindenreten? Hij komt… Tarzan, de waakhond rukt aan zijn keten. Ze neemt alle indrukken op met half open mond… de deurklink beweegt. Ze zwijmelt recht… โ€œMoeder Gods, bid voor onsโ€ฆโ€. Ze steunt op de tafelrand en sluit de ogen… een gulp frisse lucht waait binnen.

Dis staat in de deuropening. Ze wil haar armen reiken… ze kan niet, ze glimlacht, maar haar mondhoeken beven. Plots is de keuken vol licht, het schiet in stralenbundels uit het stalleke, het zet Dis in een onwezenlijke gloed. Hij heeft z’n rode studentenpet op het hoofd en in de hand houdt hij een mijnwerkerslampje. Ze hoort zijn stem… โ€œMoeder, met Kerstmis eindelijk thuis…โ€.

Ze wil antwoorden, maar er komt geen geluid over haar droge lippen, en naast haar stijgt een stem, ze herkent ze als de hare โ€“ bevend… โ€œNu wordt alles weer goed…โ€.

โ€œVeel schoner nog. Moeder…โ€.

Plots wordt hij weer de kleine jongen, die zoals vroeger, in zijn kinderleed naar haar toekwam. Ze neemt z’n blonde jongenskop in haar magere rimpelhanden en geeft hem een kruisje.

Er glijdt een wondere warmte door haar en haar leed groeit naar intens geluk, machtig en leer.

En het visioen verdwijnt. Ze schiet wakker uit haar onrustige sluimering, daar staat het slalleke met de verweerde figuurtjes, de kaarsjes weifelen nog even. Ze glimlacht pijnlijk voor zich uit om het teer visioen dat ze niet vatten kan. Ze is klaar wakker nu en toch stijgt diezelfde stem in de avond, helder- verlangend.

Het is de stem die ze daar even in droom hoorde aanzwellen.

โ€œDe herderkens lagen bij nacht in de wei..โ€.

Het is het kerstlied dat hij als kleine jongen met zilveren stemmetje zong in de kerstnachtmis.

โ€œ St Jozef vroeg binnen, wie staat er daar veur ?โ€ —- ย Ja, met nadruk smeekt deze vraag.

โ€œZe zeiden goรช lieden doet open,
โ€œToen vonden z’een kind in een krib op stro,
โ€œen dachten โ€˜t is Jesus voorwaar,
โ€œvertelden wat d’ englen hun zeiden daarzo,
โ€œZALIG KER STEEST
โ€œGELUKKIG NEUWJAAR!โ€

– Mijn jongen! — Moeder! Het was haar schoonste Kerstavond.

(Gev. Vorst, afd. vrouwen. 1947)

1947 “To Escape!” – Het motto van Sim

Dit is een hoofdstuk uit de familiegeschiedenis over Sim, mijn moeder. Alle hoofdstukken van dit project vind je hier: “Raratonga“

“Oh, to be free, to escape, escape! But from oneโ€™s Self there is no escape! A nameless, causeless, baseless Horror was upon me. An abject Misery fettered me, clung to me. Dark shadows (…), the sorrowful predictions in the wailing choruses of the Greek tragedies seemed to fill the air.”


Kann die Liebe Sรผnde sein?
Darf es niemand wissen
Wenn man sich kรผsst
Wenn man einmal alles vergisst
Vor Glรผck?
(Zarah Leander)


“To Escape!” – Het motto van Sim

In haar latere jaren, toen ze al voorbij de 80 was, debiteerde Sim vaak het volgende citaat: โ€œOh, to escape, to escape, but from oneself there is no escapeโ€. Samen met haar hebben we tot in den treure gegoogeld om te weten te komen wie het geschreven had, waar het vandaan kwam, tevergeefs. Ze ging er van uit dat het een citaat van Nand was (haar overleden echtgenoot).ย  In 2011 opende ze een Twitter account (ze was toen 91!) waar ze het citaat de wereld instuurde, toen nog met de toevoeging โ€œanonymusโ€:

Na Sims overlijden (2015) vond ik in haar archief echter haar gedicht โ€œInkeerโ€, geschreven in september 1947 (ze was toen 28) in de gevangenis van Vorst (eenย  jaar internering na eenย  veroordeling wegens lidmaatschap van de โ€œDietsche Meisjesscharenโ€ in 1942). Bovenaan het bewuste motto, met vooraan toevoeging van โ€œto be freeโ€ (dat was ze later blijkbaar vergeten), een niet onbelangrijk detail in deze context. Het werd toegeschreven aan een zekere Victoria Cross (zie verder voor de tekst van het gedicht):

ย 

Detail:

ย 

โ€œOh to be free, to escape, to escapeโ€ฆ but from one self there is no escapeโ€

De afkorting โ€œA Wโ€, links bovenaan,ย  verwijst naar Sims broer Albert Wolfs. Hij was toen ook geรฏnterneerd (IC Het Klein Kasteeltje, Brussel). Hij was er redacteur van het IC maandblad met dezelfde naamย  voor de geรฏnterneerden (zie infra).

De locatie is tegenwoordig opnieuw bijzonder actueel (asielzoekers).
Ikzelf heb er ooit ook tijd gebracht: dat werd toen de “drie dagen” genoemd, men moest zich daar aanmelden voor o.a. een medisch onderzoek voorafgaand aan de legerdienst. Verhalen zijn legio over sommigen die zich lieten afkeuren om de “gekste” redenen.

Naast “A W” ook het cijfer โ€œ2โ€, omdat dit gedicht deel uitmaakt van een reeks getiteld โ€œHet Bezitโ€œ (een hoofdstuk uit een tweede dichtbundel van Sim die echter nooit zou gepubliceerd worden, ondanks aandringen van haar uitgever). Haar eerste bundel “De Dagtocht” was verschenen in 1939, ze was toen 19 jaar.


Gevangenis Vorst, huidige toestand:


Tekst vanย  Sims gedicht โ€œInkeerโ€, in het licht van haar gevangenschap krijgt de inhoud een diepere laag. De titel is ook dubbel: enerzijds โ€˜tot inkeer komenโ€™, anderzijds โ€˜zich naar binnen kerenโ€™:

โ€œInkeer

Geen rustigheid al zijn we eenzaam God.
De dagen groeien uit naar nieuw begeren,
Zal het begrijpen van ons eender lot
in het geleden leed, de zorgen zachter weren?

Zullen wโ€™aan elke daad een milde toedracht geven
en ze bepalen naar het eigen hart?
Is waarheid dat de gesel van het harder leven
de sterke peiler van โ€™t geluk meet na de smart?

O, alles wat ons dierbaar was in โ€™t veilig huis,
de linde aan het erf, de bloesems op de bomen,
de wei, de laan, de tuin, is dit het kruis
dat wโ€™aan dโ€™herinnering der dagen niet ontkomen?

We weten wilde bloemen bloeien in een tuil
langs โ€™t hoge raam. We zien de zwaluw scheren
naar โ€™t veilig nest, een weelde houdt zich schuil
onder een mijmring slechts, die we zo node weren,

Maar die ons het besef der waarde zou vergaren
van wat we vroeger als ons tastbaar goed hebben beheerd
doch wat wโ€™in week bezit niet wisten te ontwaren,
dat heeft de greep der eenzaamheid ons gans geleerd

(Sim, september โ€™47, Vorst)โ€

(Engelse vertaling infra)


Wie is Victoria Cross?

Het blijkt รฉรฉn van de pseudoniemen te zijn van de schrijfsterย Annie Sophie Coryย (1868-1952), โ€œa British author of popular, racy, exoticย New Womanย novelsโ€. Met โ€œracyโ€ wordt โ€œpikantโ€, โ€œpittigโ€ bedoeld.
(โ€œTheย New Womanย was aย feministย ideal that emerged in the late nineteenth century and had a profound influence on feminism well into the twentieth century. In 1894, Irish writerย Sarah Grandย used the term โ€œnew womanโ€ in an influential article, to refer to independent women seeking radical changeโ€ฆ Theyย pushed the limits set by aย male-dominatedย societyโ€œ).

(Portret van Cory uit haar boek โ€œLifeโ€™s Shop Window, 1907)

Ann Sophie Cory had ook nog een bekendere oudere zus,ย Adela Florence Nicolson, die dichteres was (zie infra).

Cory schreef tussen 1895 en 1937 zesentwintig romans, waarvan een gedeelte online staan, bv viaย Project Gutenberg, hetย Internet Archiveย  etc. In die periode verkocht ze wereldwijd meer dan 6 miljoen (!) boeken. Daarna raakte ze in de vergetelheid, haar citaat achterna.

Het heeft me heel wat tijd gekost om het boek te vinden waaruit het bewuste citaat komt, maar het is me uiteindelijk toch gelukt. Het gaat om โ€œSelf and the Otherโ€ p. 6, uit 1911. Je kanย het volledige boek hier lezen. De link leidt je naar de pagina waar het citaat te vinden is. Vooraan een citaat dat wordt toegeschreven aan Plato:

“The lover of the Soul remains its lover throughout his life, inasmuch as he has united himself to that which is everlasting”

Dit citaat vond ik niet letterlijk terug, maar in Plato’s “Republiek”, Boek V-VI, “Over de Filosoof”, vond ik toch enkele uitspraken over de Ziel die daar dicht bij in de buurt komen.ย 

Pagina 6 uit “Self and the Other”;

ย 

Ik heb het fragment overgetikt, omdat het zo toepasselijk is op de mentale toestand van Sim, zeker na het overlijden van Nand (ook het citaat van Plato vooraan sluit hierbij aan). Het lijkt soms de letterlijke weergave van Sims gedachtenproces zoals dat te lezen is in haar dagboeken en brieven.

Cross schrijft een ik-verhaal met een mannelijk hoofdpersonage, Francis, die hopeloos verliefd is op een Indische vrouw: โ€œNaranyahโ€ (niet vanzelfsprekend in die tijd). Het verhaal speelt zich af in Brits-Indiรซ, waar Cross geboren is (haar vader, Colonel Arthur Cory, was er legerofficier) :

โ€œย [Theย horror born of my shaken nerves grew upon me. In the silence of the empty room I could hear the wheezing of the lungs like the creaking of girding cart wheels.
Suppose I became a cripple? a consumptive cripple ? unable to work ? perhaps anย early]ย death? My imagination, always feverish, extravagant, and more or less disordered, always prone to picture the worst of all possible evils as about to fall upon me, rushed away with me now headlong. Vision upon vision of hopeless breakdown, of helpless invalidism, of death, rushed through my mind. Dark shadows, like the presage of evils days, fled across the blank wall fronting me, the sorrowful predictions in the wailing choruses of the Greek tragedies seemed to fill the air.
A nameless, causeless, baseless Horror was upon me. An abject Misery fettered me, clung to me.ย Oh, to be free, to escape, escape! But from oneโ€™s Self there is no escape.
I got up, and with trembling fingers struck a match and lighted up the two gas โ€“ jets, one on each side of the fireplace, drew down the blind, and then returned to my chair.
I must not read, must not embrace my beloved mistress that night. What then? One must think, think always. I looked round my room to try and find some trivial occupation for my thoughts, but what could that same old room, familiar to me for the last three years, afford? There were the old walls, hung with the large maps; theย [caseย of college books on the right ; the large table littered with my own on the left, and an imitation mahogany pedestal with a cheap little cast of Plato standing on it by theย window.]ย โ€

โ€œSelf and the Otherโ€ is een lijvig boek, 340 paginaโ€™s (A5-formaat), dat Sim las tijdens haar eerste internering in de gevangenis van Leuven (oktober 1944 tot februari 1945). Uit haar celdagboeken blijkt dat ze Engels studeerde, en waarschijnlijk las ze Engelse boeken om te oefenen: (uit โ€œCeldagboek 2โ€œ) (**):

โ€œ9 november: Een koude rillige herfstdag. We leeren Engelsch โ€“ en โ€™t loopt van stapel โ€“ we hunkeren er naar om te weten of er reeds gelost werden maar elke dag brengt nog nieuwe aanhoudingen. De V. bommen houden ons danig wakker en er heerscht dan een hysterische stemming.โ€

Over die bommen, de schrik zat er wel degelijk in, zie bv “Het bombardement op Leuven, in mei 1944, toen verloor Sim Lies, haar beste vriendin en collega in de Rijksmiddelbare school van Hasselt, ze stierf samen met haar broer in de schuilkelders van het Drievuldigheidscollegeย  (Oude Markt Leuven) door een voltreffer, Sim schreef het gedicht op hun rouwprentje:


Drievuldigheidscollege Leuven, Oude Markt, mei 1944 na het geallieerde bombardement. Meer dan 30 foto’s hierover vind je hier


“Self and the Otherโ€ was voor zijn tijd (1911) best wel pittig! Ten bewijze deze commentaar door โ€œChristoph Ehland: Middlebrow and Gender, 1890-1945, March 17, 2016โ€ over dit boek (met nog wat interessante weetjes over Cross):

โ€œI do not mean to claim with certainty that Cross herself was queer, although in the absence of much biographical knowledge about Crossโ€™ private life and given the prevalence of queer themes in several of her novels, one should not exclude the possibility. In her astonishing science fiction novel Martha Brown, M.P., whose narrative is based on completely reversed gender roles, for example, Cross quite lovingly enshrines the main character Martha as a chivalrous butch cross-dresser with short hair, pilotโ€™s outfit, and evening tux, and in many of her novels the female face and figure are quite striking sexual subjects of the male narratorโ€™s gaze (Victoria Cross, Martha Brown, M.P: A Girl of To-Morrow, London: Laurie, 1935).
Inย 
โ€˜Self and the otherโ€™, the male narrator Francis effectively describes Naranyahโ€™s face during orgasm, which also signifies spiritual ecstasy (Victoria Cross, Self and the other, London: Laurie, 1911, p. 150). We do know that Cross never married and lived a mobile life with lots of travel, first with her mother, then after her motherโ€™s death) with her uncle Heneage Griffin. She did have an intense friendship, and perhaps even romantic relationship with, an American consul, and later with an Italian diamond dealer to whom she bequeathed her fortune, but no details of these relationships survive.โ€

(Zie bewuste fragment infra, of lees het hier)


“Inkeer” in tijdschriften

Sims gedicht “Inkeer” werd ook gepubliceerd in het โ€œWelfareโ€ tijdschrift โ€œHet Klein Kasteelโ€ voor en door gevangenen (zie hierover bv โ€œInterneringskampen na WOIIโ€˜). Haar broer Bert was er, als geรฏnterneerde, redacteur en kon zo af en toe teksten van Sim laten plaatsen (ook van hemzelf). Zoals vaak in deze publicaties werd de naam van de auteur niet vermeld, hoogstens soms de initialen. Sim schreef er hier zelf haar naam onder in potlood. Ook het citaat van Victoria Cross ontbreekt niet. Het gedicht verscheen in het kerstnummer van 1947 (formaat: A4, 48blz.). Verder in dit nummer ook nog het Kerstverhaal โ€œHaar mooiste Kerstfeestโ€ย van 4 blz. geschreven door Sim. Ze noemde het โ€œeen novelleโ€. Opvallend: net voor Kerstmis, op 24 december 1947, zou Sim in voorlopige vrijheid worden gesteld. Een verhaal apart, zie daarvoor de pagina โ€œIn vrijheidโ€œ.

ย 

ย 

Het gedicht verscheen ook in โ€œOpbouwโ€ van 15 februari 1948, een ander interneringsmagazine. Op dat ogenblik was Sim al vrij, vandaar dat in potlood werd geschreven: โ€œlibรฉreรฉโ€ (rechts bovenaan). Deze keer wordt Sims voornaam vermeld, de familienaam wordt nog afgekort. Eigenaardig genoeg wordt ook โ€œIC Vilvoordeโ€ als locatie toegevoegd, Sim verbleef in het IC Vorst. Dat was omdat de verschillende IC maandbladen met elkaar teksten deelden (of elkaar vroegen om nieuwe โ€œkopijโ€). Hier wordt het citaat van Victoria Cross niet toegevoegd, misschien omdat Sim โ€œfreeโ€ was of omdat de redactionele hulp van broer Bert ontbrak?

ย 

Detail (โ€œlibรฉreรฉโ€ rood onderstreept!):

ย 

โ€œInkeerโ€ (links bovenaan), hier niet zo prominent als in โ€œHet Klein Kasteelโ€, waar het een volle bladzijde kreeg:


Ook van Nand zijn gedichten verschenen in “Opbouw”. Twee van die gedichten worden in een apart hoofstuk besproken, als voorbeeld van hoe hij via zijn creatief werk de soms penibele omstandigheden het hoofd biedt. Ook wordt een vergelijking gemaakt tussen deze gedichten en Sims gedicht “Inkeer”


Terug naar Victoria Cross

Fragment uit โ€œSelf and the Otherโ€ waarin de protagonist Francis het gelaat beschrijft van Naranyah. De interpretatie die Christoph Ehland (zie supra) hiervan geeft (“Inย โ€˜Self and the otherโ€™, the male narrator Francis effectively describes Naranyahโ€™s face during orgasm, which also signifies spiritual ecstasy”) laat ik aan de lezer overโ€ฆ In ieder geval: Sim heeft het boek wel gelezen!

โ€œWhen I stopped before her door, I saw it was already open about a foot. How like her, I thought ; and I gently pushed it open and went in. It was a large room; the window was open, too, wide up to its fullest extent, and in it stood a table and a chair pushed back, evidently where she had been sitting. A heavy, wide bed stood between window and door, far removed from both, and by it another console table with a weighty reading-lamp upon it. The wick was turned down, and there was a thick lamp-shade over it, but the steadily burning flame from underneath sent a flood of yellow light over the bed, leaving the ceiling and rest of the room in shadow. And she was lying there asleep between open window and door ; her rings and watch, and some gold, lying in a heap by the lamp ; careless, thoughtless, heedless as usual of all that appertained to self. She was lying on her back, the inimitable grace of her figure, clearly outlined under the thin covering, fully revealed. Both arms were loosely clasped above her head; the linen in the hot night lay open from her chest and throat; showing jts rounded softness and the warm, transparent skin, pulsating gently with her even breath. The face was upturned and sideways, so that the light fell fully on the enchanting curve of the head, in its deep blackness, resting on the pillow. Oh for a pen which should immortalise the divinity, the dignity, the quiet of that perfect face! The arch of the eyebrow, the curve of the nostril, the form of the mouth I approached and stood at the foot-rail of the bed, as a devotee stands at the rail of a shrine. There lay all that to me was highest and sweetest in human nature, all that I really prized on earth.โ€

Laten we Victoria zelf een antwoord geven. Ik vond een brief waarin ze zich verdedigt tegen haar critici. Daarmee hebben we naast het handschrift van Sim (รฉn Nand!), nu ook dat van Victoria. In vergelijking met het handschrift van Sim schrijft Victoria, zo schijnt me toe, toch wat “jachtig”:

July 20, 1909

Dear Mr. Morris

I am sending you an autograph copy of Lifeโ€™s Shop window and I should be so glad if you will read it through carefully from beginning to end and form your own opinion on it. People who are jealous of me always howl at my writings the reproach that they are immoral From my own point of view I have never written a single immoral line in my life. I am immensely proud of my books and would read them aloud to a jury of Bishops with the greatest of pleasure any time.
It is most important for you to feel the same confidence as I do in them and to know personally the contents of one at least so that you can combat the rediculous [sic] statements made about me. I know how extremely busy you are but if you will make time to read it carefully, I know when you are in the U. S. and can speak with authority on my work, you will feel the time spend in reading it was not wasted.

With so many thanks for all the trouble you have taken for me already
Yours sincerely
Victoria Cross


Het trauma van Sim

Als we Sims levensloop en karakter beschouwen mogen we stellen dat het citaat van Victoria Cross op haar lijf geschreven is, zeer waarschijnlijk werd het gedicht โ€œInkeerโ€ erdoor geรฏnspireerdโ€ฆ: voelde ze zich ooit รฉcht vrij? Het is bv typisch dat ze dacht deze uitspraak via Nand geleerd te hebbenโ€ฆ Aldus lijkt het of Sim op latere leeftijd geen toegang meer had tot haar oorspronkelijke gevoel, of dat (bewust of onbewust?) verdrong.

De laatste 10/15 jaar van haar leven was Sim ten prooi aan zware depressies, die hield ze voor de buitenwereld meestal verborgen, maar ze getuigt er wel over in haar latere memoires. En dat ze net uit dร t boek van Cross citeert is opmerkelijk, maar ook natuurlijk ingegeven door de omstandigheden van de gevangenschap toen. De lectuur van haar dagboek dat ze in gevangenis schrijft (oktober 1944- februari 1945) (**)ย  toont zelfs toen al die “moodswings”: diep verdriet, de afschuw voor de omstandigheden in de cel tegenover de komische uitspattingen met haar celgenotes.
Vandaar de herkenbaarheid toen met wat Victoria Cross schrijft, en het zich niet meer herinneren later dat het een citaat was dat ze zelf gevonden had. Sommige trauma’s worden verdrongen omdat ze te pijnlijk zijn, maar restanten blijken dan toch nog te overleven, maar niet meer gekoppeld aan de oorspronkelijke pijn.

Zo’n trauma kan ook leiden tot persoonlijkheidsverlies. Het is een gedachte die bij me opkwam omdat Victoria Cross onder verschillende pseudoniemen gepubliceerd heeft, en zelfs in haar dood een andere naam gebruikt: Annie Sophie Cory (haar โ€œpaspoortnaamโ€), Victoria Crosse, Victoria Cross, Vivian Cory, V. C. Griffin (= Vivien Cory Griffin, haar “grafnaam”, naar de familienaam van haar oom Heanage McKenzie Griffin, een gefortuneerd man die haar zijn fortuin schonk bij overlijden: 100.000ยฃ).

Het is รฉรฉn van de redenen waarom het citaat zo moeilijk op te sporen was, ik werd er, tijdens het eindeloos googelen, soms zelf hopeloos van.ย  Zelfs in de uiteenzetting van dit hoofdstuk gebruik ik enkele van haar namen door elkaar.
Het is een bekend fenomeen bij kunstenaars (bv. Fernando Pessoa, of Friedrich Hรถlderlin die in zijn latere leven de greep verloor over zijn vroegere zelf).

En bij Laurence, de zus van Victoria treedt hetzelfde naamfenomeen op, zie verder.


Cross in ‘Self and the Other’ p. 6: “Vision upon vision of hopeless breakdown, of helpless invalidism, of death, rushed through my mind. Dark shadows, like the presage of evils days, fled across the blank wall fronting me, the sorrowful predictions in the wailing choruses of the Greek tragedies seemed to fill the air. A nameless, causeless, baseless Horror was upon me. An abject Misery fettered me, clung to me.ย Oh, to be free, to escape, escape! But from oneโ€™s Self there is no escape.”

In dit fragment schrijft Cross ook: “the sorrowful predictions in the wailing choruses of the Greek tragedies”. Sims was leerkracht geschiedenis, en de Griekse tragedies en de Hellenistische wereld waren haar wel bekend. Ze putte er vaak uit in haar latere gelegenheidsgedichten voor vrienden, collega’s en kennissen.
Lees bv haar “Ode aan de Vriendschap en de Droom reizen“, voorgelezen op haar typische manier en via een afrolbaar manuscript van aan elkaar gekleefde bladzijden van een meter of twee, soms meer afhankelijk van de breedte van het blad, die dan langzaam afdaalden naar de vloer, als een soort omgekeerde autocue.
Dit is de laatste strofe, ik las ze voor, naast haar, bij haar teraardebestelling, niet zonder emotie:

“En komt de laatste bocht in zicht
stuur dan de vrienden dit bericht:
de reis gaat naar het Eeuwig Licht,
daar wacht op u aan d’ overkant
nog hechter dan de aardse band
de Vriendschap in โ€™t Beloofde Land.”

Foto: Sim leest haar “Ode aan de Vriendschao” voor tijdens het huwelijksjubileum van een bevriend koppel, bemerk “de rol”:


Addendum: how way leads onto way…

Naast het jarenlange zoeken naar de oorsprong van het citaat, raakte ik, eenmaal de bron gevonden, in de ban van Victoria Cross. Dat kwam omdat er maar heel weinig fotoโ€™s van haar te vinden zijn, wat vreemd is, gezien haar succes als schrijfster. Daarom heb ik verschillende auteurs gecontacteerd die over haar en deze periode geschreven hebben. Dat bracht me naar universiteiten in Engeland en Amerika (*). Maar ook daar bleef men het antwoord schuldig: Victoria Cross bleek heel gesteld te zijn op haar privacy. Er circuleerde slechts รฉรฉn foto (zie hierboven) van een portret schilderijtje dat op zijn beurt gebaseerd was op een foto waarop Victoria blijkbaar poseerde. Eรฉn van de gecontacteerden raadde me aan te informeren bij de National Portrait Gallery in Londen. Die bleken in het bezit te zijn van drie โ€œglass plate negativesโ€, helaas nog niet gedigitaliseerd. Dat kon wel na betaling. Maar de National Portrait Gallery was zo vriendelijk ze gratis te digitaliseren, tezamen met nog een hele reeks andere portretten. Of misschien heb ik het instituut op het juiste moment aangeschreven?
Door mijn doorgedreven onderzoek, o.a. bij deย familie websiteย waarin Victoria Cross ook is opgenomen, kwam ik te weten waar ze begraven is:ย Lanzo dโ€™Intelvi, een dorpje op de grens van Zwitserland en Italiรซ, met uitzicht op het Lago di Lugano. Een prachtige streek.

Ingang begraafplaats (Google Streetview), het lijken wel de “two roads diverged in a wood… And looked down one as far as I could/To where it bent…”‘ van Frost (zie supra):

ย 

De beheerder van de familiewebsite was ook dankbaar dat ik de weg gevonden had naar meer fotoโ€™s. Het is nu ook duidelijk dat dit waarschijnlijk de enige fotoโ€™s zijn waar ze voor poseerde, en dat bijgevolg de schilderijtjes hiervan zijn afgeleid.
Victoria (Ann Sophie Cory) poseerde op 2 maart 1915 voor de camera van deย Bassano Sudio in Londen, in een typische pose, die me onmiddellijk aan Sim doen denken, zeker die tweede, maar Sim lachte daarbij veel meer dan die wat geforceerde glimlach, nee: Victoria poseerde absoluut niet graag, but from One’s Self there is no escape…

ย 

ย 


Victoria Cross: haar laatste rustplaats…

Woensdag 15ย  (!) december 2021: Lanzo d’Intelvo, Italiรซ

Op mijn vraag ging Joachim Braeckmans, een oud-collega die in de buurt woont en er les geeft, opnames en foto’s maken van de begraafplaats.

Ter plaatse volgde een nieuw hoofdstuk in wat niet alleen een “trip down memory lane” is maar ook meer en meer een โ€œnever ending storyโ€ lijkt te worden: aan de ingang van het kerkhof een bericht dat enkele grafconcessies verlopen waren en binnenkort zouden verwijderd worden. Onderaan de lijst: twee maal de naam โ€œGriffinโ€, die van Victoria Cross (begraven als Vivien Cory Griffin) en haar oom Heanage MacKenzie Griffin. Na contact met de gemeente blijkt dat beide concessies kunnen verlengd worden tot 2039 voor de prijs vanโ€ฆ 2 x 1250โ‚ฌ (geen tikfout!). Ik heb de familie op de hoogte gebracht (augustus 2022). Benieuwd naar hun reactie.

De melding aan de ingang van het kerkhof. Op de lijst rechts: โ€œnr. 29 GRIFFIN 1959 โ€“ LOC 261โ€ en โ€œnr. 30 GRIFFIN 1959 โ€“ LOC 260โ€. Het jaartal verwijst naar de aanvang van de concessie (die liep tot 2019), LOC = locatie.

Nr. 261 is het graf van Victoria Cross (Vivien Cory Griffin), met een kleine foto.

De graven zijn ingebouwd in rijen boven elkaar in de muren. Het is een prachtig staaltje architectuur:


Bezoek aan de laatste rustplaats van Victoria Cross/Vivien Cory Griffin in Lanzo D’Intelvi (Italiรซ, grens met Zwitserland, enkele kilometer verder is het Lago di Lugano), woensdag 15 december 2021:


Victoria Cross: Bio

Voor wie zich in het opmerkelijke levensverhaal van Victoria wat meer wil verdiepen dan wat er op Wikipedia staat: hier een artikel (10blz.) van Shoshanna Milgram (Dep. Of English, Virginia Polytechnic Institute and State University, USA), prettig om te lezen en goed onderbouwd. Met Shosanna heb ik een leuke emailconversatie gevoerd, ze vond mijn specifieke interesse in Victoria Cross boeiend.

Je kan de handige handler gebruiken onderaan het ebookvenster en naar believen vergroten per bladzijde, full screen gaan, single page, double page enz.:

 


Laurence Hope:ย  zus van

In mijn zoektocht naar Victoria Cross kwam ik ook in contact met (whatโ€™s in a name!)ย Victoria Jealousย (Australรฏe). Zij schreef een boek over haar zoektocht naar de zus van Victoria Cross, de dichteresย Laurence Hopeย (Adele Florence Nicholson): โ€œRaptureโ€™s Roadwayโ€œ. Zij ondernam deze zoektocht om het werk van haar overleden vader voort te zetten. Ik bestelde het boek, dat na een maand eindelijk in mijn brievenbus belandde. Jealous besteedde jaren aan haar onderzoek, en reisde daarvoor de halve wereld rond. Net als ik voor Victoria/Annie/Vivien ging ze ook op zoek naar de laatste rustplaats van zus Laurence/Adele.

Dit is de eerste zin uit het boek (het eerste hoofdstuk draagt de symbolische titel “Dead Poet’s Society”, naar de bekende film met Robin Williams, een titel die me natuurlijk aansprak):

“He was sixty and she’d already been dead for eighty years when he became obsessed with her”

Onmiddellijk voelde ik me hier thuis: “he” is de vader van Jealous, “her” is Laurence Hope. “Obsessed” is misschien niet de juiste omschrijving van mijn werk aan deze biografie, maar er is iets fascinerend dat een zeer grote aantrekkingskracht uitoefent als je zo’n reis maakt, en zeker als je ronddwaalt in het landschap van je eigen familieverleden, het houdt je bezig, Ik betrap me er soms op dat ik af en toe met overleden familieledenย  (luidop) in gesprek ga wanneer ik over hen iets schrijf terwijl hun foto fullscreen schittert op het tweede computer scherm ernaast, soms lijkt zo’n foto plots levend te worden.

Voor wie geรฏnteresseerd is in de beschrijving van een dergelijke odyssee is dit boek zeker een aanrader. Hope overleed op tragische wijze: zij stapte zelf uit het leven, slechts 39 jaar oud.

Uit haar bio: โ€œShe was among the most popular romantic poets of the Edwardian era. Her poems are typically about unrequited love and loss and often, the death that followed such an unhappy state of affairs. Many of them have an air of autobiography or confession.ย Virginia Jealous: โ€In the first years of the twentieth century she was the most famous poet in the world; by World War II she was forgotten.โ€

De titel van het boek โ€œRaptureโ€™s Roadwayโ€ is ontleend aan een bekend gedicht van haar: โ€œKashmiri Songโ€ (1901). Het werd ook op muziek gezet,ย โ€œit emerged as a most popular song, quickly becoming a drawing room standard and remaining popular until the Second World Warโ€,ย de twee eerste versregels waren zeer gekend, o.a. door de versie vanย Rudolph Valentino. De laatste versregels zijn misschien al een voorbode van Hopeโ€™s levenseindeโ€ฆ:

โ€œPale hands I loved beside the Shalimar,
Where are you now? Who lies beneath your spell?
Whom do you lead onย Raptureโ€™s roadway, far,
Before you agonise them in farewell?
Oh, pale dispensers of my Joys and Pains,
Holding the doors of Heaven and of Hell,
How the hot blood rushed wildly through the veins
Beneath your touch, until you waved farewell.
Pale hands, pink tipped, like Lotus buds that float
On those cool waters where we used to dwell,
I would have rather felt you round my throat,
Crushing out life, than waving me farewell!โ€

Omdat zowel Nand als Sim het wel eens over Valentino hadden (ze hadden in het interbellum natuurlijk de films gezien die af en toe opnieuw werden uitgezonden), zocht en vond ik deze leuke opname: Valentino zingt โ€œKashmiri Songโ€. โ€œThe voice of Valentino was recorded for the first and only time (…) on May 14th 1923โ€ klinkt het hier krakend bij het begin, een zin uitgesproken met een opvallend rollende “r”, maar dat past in de setting en maakt hetย  nog authentieker:


Engelse vertaling van “Inkeer”

In het licht van de uitgebreide Engelstalige correspondentie maakte ik, naar best vermogen, ook een Engelse vertaling van Sims gedicht. Ik koos als titel โ€œRepentanceโ€, hoewel die niet de dubbelzinnigheid weergeeft van de Nederlandstalige titel. Tijdens het vertalen stelde ik vast dat hier ook “we cannot escape” opduikt, dat voelde als een puzzelstukje dat perfect op zijn plaats viel. Het rijmschema aanhouden in het Engels was ver boven mijn petje.

Repentance

No calmness though we are lonely God,
while days are growing into new desiring.
Shall understanding of our equal fate
in hardships suffered soften worries?

Shall we attribute to every act mild cause
defining them with our own hearts?
Is truth the scourge of hardened life
measuring luckโ€™s strong pillar after tears?

Oh, everything we held dear in our safe house:
the yard, its linden and the blossoms,
the meadow, the avenue, the garden: is this our cross
that we cannot escape the memory of days?

We think of flowers wild and how they bloom
high up the windowsills. We see the swallows skim
to their safe nest: what wealth is hiding
behind faint memories we unwillingly suppress!

If only we would gather the sense of value
in all this, possessions, we once managed, tangible,
of which the preciousness back then went unperceived
now by the grip of loneliness we are obliged to see.


Gezinsfoto ten huize uit 1949ย  (Schaarbeek), verhuisd tijdens de zomer van 1945 uit Sint-Joris-Winge. Van het open platteland naar de stad en rijhuisstraten, maar noodgedwongen.
Na 5 jaar was het gezin opnieuw samen.

In september 1944 bij de bevrijding werd het hele gezin aangehouden en verspreid over drie gevangenissen (Leuven Tiensestraat, Leuven Centraal, Gevangenis Tienen). De aanhoudingen gebeurden niet tegelijkertijd, en niemand wist aanvankelijk wie waar zat.ย 

In Sims celdagboek (*) uit die periode (oktober 1944 tot februari 1945) kunnen we de chronologie volgen. Er waren geen officiรซle aanklachten, welk enkele “verhoren”. Op een bepaald ogenblik was het gezinshuis in Sint-Joris-Winge onbewoond en was er een begin van plundering. Enkele buren konden dit verhinderen.

Later, toen de meubelen werden overgeladen om te verhuizen, werd Finneke (oudere zus van Sim) zwaar mishandeld en toegetakeld, ze stond gewoon toe te kijken naar de verhuizers op de stoep van de ouderlijke woning en moest naar het ziekenhuis worden overgebracht…
Dus uIteindelijk besloten Sims ouders om maar te verhuizen, naar Schaarbeek, omdat de sfeer in het dorp tรฉ vijandig was geworden. Sims moeder had in buurgemeente Evere familie wonen.

Vlnr: Bert, Sim, moeder, Finneke, vader

Geboortehuis van Sim toen Tiensesteenweg, Sint-Joris-Winge.ย  Sim, toen 7, zit, opvallend in het wit aan een tafeltje aan de voordeur, omgeven door haar familie, hier allemaal vrouwen, haar tantes en moeder in de deuropening naast de enige man, haar vader, met gekruiste armen. Tegenover het huis: de โ€œgerijde plantanenโ€, nu reeds lang verdwenen, maar het huis staat er nog steeds.

Geboortehuis Sim, 1926, in het wit voor de deur, 7 jaar oud

Vergelijking toen (1926) en nu (2022).

Slider kan heen en weer geschoven worden:

[ics-comparison-slider id=3]

 


Epiloog

Sims gedicht โ€œInkeerโ€ heeft me mijn moeder beter leren kennen, en was ook een beetje een spiegel. Toen ik het de eerste keer las, snuisterend door de archieven, was ik meer bezig met de vreugde van het plots teruggevonden citaat dan met de inhoud van het gedicht zelf. Pas nadat de โ€œodysseeโ€ op gang kwam en verrassing na verrassing opdook, begon het gedicht zelf ook meer en meer tot leven te komen, zeker toen ik mijn hoofd brak op de Engelse vertaling. Ik begon me zelf meer en meer te herkennen in deze woorden. Vooral het beeld van de vreugdevol beleefde momenten uit ons verleden, die we toen te weinig koesterden en die plots (en soms herhaaldelijk) opnieuw komen bovendrijven, zeker als we ons alleen of afgezonderd voelen, vreugde toen die nu verdriet en pijn oproept โ€œdat heeft de greep der eenzaamheid ons gans geleerdโ€ (laatste versregel).

Ik heb het geluk gehad de laatste jaren van haar leven te kunnen mantelzorgen voor Sim, “geluk”, omdat ik net daardoor opnieuw de moederband ontdekte die heel diep kan gaan, omdat je “lijfelijk” bezig met je moeder. Mocht ik dit niet gedaan hebben was ik waarschijnlijk, na haar overlijden, achtergebleven met een wat ongemakkelijk gevoel wanneer ik geconfronteerd werd met haar inzinkingen en lamentaties, haar agonie. Maar de mantelzorg, รฉn vooral de schat die het archief bleek (blijkt), leerde (leert) me een nieuwe moeder ontdekken: achter het gordijn van de herinnering bracht ze me tot “Inkeer”.ย 
En daar ben ik haar erg dankbaar voor.ย 

Een filmpje waarin ik Sim volg vanaf haar geboorte tot het einde van de Tweede Werledoorlog aan de hand van portretfoto’s (ook nog een korte flits met Sim en mezelf, drie dagen oud, en eindigend met achterkleinkind in haar armen):

Nog deze gedachte: zowel Victoria Cross als haar zus Laurence Hope waren in het begin van de 20steย eeuw wereldberoemd. Na de Tweede Wereldoorlog waren ze al in de vergetelheid geraakt. โ€œSic transitโ€ฆโ€. Het sterkt me in mijn โ€œodysseeโ€ mijn ouders wat uit zoโ€™n vergetelheid te halen met dit project, dat ondertussen een levenswerk is geworden. De Tweede Wereldoorlog was een cesuur in hun leven. Ze waren dan wel niet wereldberoemd, maar ze lieten wel een afdruk achter die het waard is te onderzoeken en naar buiten te brengen enย  ook om enkele hardnekkige misverstanden uit de weg te ruimen.

Hierbij denk ik aan het liedje โ€œHotel Californiaโ€ van The Eagles, dat inhoudelijk wonderwel aansluit bij het door Sim zo vaak geciteerdeย  โ€œOh, to be free, to escape, escape!ย But from oneโ€™s Self there is no escapeโ€:

โ€œYou can check out any time you like, but you can never leaveโ€

The Eagles zingen in dit liedje ook:

โ€œSome dance to remember, some dance to forgetโ€.

Ikzelf kies voor de eerste optie รฉn denk plots ook aan deze twee nummers, die me al troffen als adolescent omdat ze iets vertellen over het schrijfproces (iets waar Nand het ook over had hierboven):

+ een nummer van Stevie Wonder โ€œAll In Love is Fairโ€ uit 1973. Opmerkelijk: de song komt uit zijn album โ€œInnervisionsโ€, titel die wonderwel aansluit bij โ€œInkeerโ€:

+ en een nummer van Joe Dassin โ€œChanson Tristeโ€ uit 1975 (over de Poolse componist Chopin),ย 

Enโ€ฆ. nu we toch in de muzikale sfeer zitten: dit liedje is het perfecte antwoord op โ€œInkeerโ€, niet alleen omwille van de lyrics, maar ook:ย โ€œThe Ohโ€ย is een Oostendse groep, geboorteplaats van Nand:

 


DANKWOORD

Zie de website Raratonga voor het uitgebreide dankwoord.

 

Weinig begrip kan ik opbrengen voor het College van Procureurs-generaal, die me wel de toelating gaven om het krijgsdossier van Sim in te kijken, maar voor Nand kreeg ik een njet. In dit hoofdstuk zeg ik daar wat meer over.


NOTEN

(**) “Celdagboek 2“. Tijdens haar eerste internering (Gevangenis Leuven Centraal), van 2 oktober 1944 tot 14 februari 1945 (Valentijn!) beschrijft Sim bijna dagelijks en nauwgezet de gebeurtenissen en haar gevoelens daarbij. Het begint op het einde van augustus 1944, Sim was net 25 geworden, en zo kunnen we de aanloop naar รฉn de bevrijding van Leuven volgen. Daarna haar internering en de beschrijving van het celleven. Toen ze in februari 1945 werd vrijgelaten was ze ervan overtuigd dat het daarbij zou blijven. Er was immers geen aanklacht. Maar de gerechtelijk molen maalde in haar geval langzaam: pas op 10 januari 1947, dus bijna twee jaar later, volgde haar proces waar ze,ย  zo vertelde ze vaak theatraal met strenge woorden en opgeheven vingertje, “ter zitting werd aangehouden”. Op Kerstavond 1947 om 17u., bijna een jaar later,ย  werd ze vrijgelaten.ย 

Opvallend: haar twee “vrijlatingen” gebeuren op “romantische” dagen: Valentijn en Kerstavond, bij uitstek dagen van warm samenzijn met geliefden in de vertrouwde kring.
Ook op de dag van Kerstavond, maar dan in 1943 nam Nand ontslag bij Zender Brรผssel, nadat hij al hetzelfde had gedaan bij het dagblad “Vollk en Staat”. Zogezegd om”gezondheidsredenen”, dat was hem aangeraden door zijn dokter, en Nand maakte daar dankbaar gebruik van. Hij was de Duitse pesterijen, vooral bij Zender Brussel beu. Hij werd er met “Feldgericht” bedreigd met de woorden: “Sie werden beobachtet!” (omdat hij o.a. haslsstarrig het woord “Diets” bleef gebruiken in zijn teksten), ik denk dat we nu die “gezonheidsredenen” als een ‘burn-out’ zouden bestempelen.ย 

Het dagboek bestaat uit twee in potlood volgeschreven schoolschriftjes (Sim was leerkracht!) met daarin ook mooie en soms grappige tekeningen. Af en toe ook een gedicht. Voor- en achterzijde zijn beschreven, de twee schriftjes samen tellen 67 (genummerde) bladzijden.
De eerste bladzijde “De Septemberdagen 1944” toont een kalender waar de dagen werden afgestreept, daaronder het begin van de beschrijving van een fietstocht naar Brussel waar ze met haar broer had afgesproken, het dagboek begint op 23 augustus 1944. Sim schrijft dit als een terugblik in de cel, pas vanaf 2 oktober (aanhouding)ย  wordt haar dagboek een รฉcht dagboek met dagelijkse invoegingen in de cel, Sim heeft dan al 21 pagina’s volgeschreven.

Het begin (23 augustus 1944):

“Een zonnige augustusdag. In de luwte van de schoon-opbloeiende zomerdag maak ik mijn fiets klaar (nvdr: vanuit Sint-Joris-Winge, haar geboortedorp) voor den frisschen tocht naar broer te Brussel. Zoo was het toch gezegd: trefpunt in โ€œMetiersโ€. Het werd heerlijk rijden. De baan scheen wel ruim zoo breed onder het goud-gele strepen licht. Een kalme baan in den zomerschen voormiddag. Boven mijn hoofd werden de vogeltjes dol verliefd zooals het altijd was geweest in Gods lieve natuur.”

Toen ik wat verder las herinnerde ik mij deze foto, waarvan ik, na lang wikken en wegen, bijna zeker ben dat die dateert van de dag waarover Sim hier schrijft. Wat verder schrijft ze:ย “Roef de wind flapt dol rond mijn bonten strepenrok, bergaf!” (dat zijn de voor fietsers beruchte hellingen op de steenweg van Leuven naar Brussel).
Deze setting: het plaatje klopt helemaal, hier met broer Bert in Brussel, waarschijnlijk in de buurt van de Beurs. Die “bonten strepenrok” draagt Sim hier. Ik had me er van alles bij voorgesteld, maar het lijkt wel een ontwerp van Mondriaan (die was trouwens in hetzelfde jaar, 1944, overleden op 1 februari), en ik denk dat die rok zelfs nu nog “modern” zou zijn.
ย Jammer dat dit geen kleurenfoto is, maar “zwart-wit” hoort nu eenmaal bij ‘die tijd’ (in alle betekenissen).
Hun stuurse blik past ook in dit tijdskader, er is nog in de verste verte geen vermoeden van wat hun (en de hele familie), enkele weken later zal overkomen, of misschien was er toch wel een onbewuste angst (veertien dagen vroeger vond immers “Het Drama van Meensel-Kiezegem”ย  plaats, Sim kende vele inwoners daar persoonlijk, aan beide zijden van de breuklijn, enkelen waren zelfs familie, รฉรฉn van hen overleed als weggevoerde in KZ Neuengamme).

Net geen twee weken later was het de โ€œKoninklijke Nederlandse Brigade โ€˜Prinses Ireneโ€˜ (onderdeel van hetย Tweede Britse Leger) die Sint-Joris-Winge (Sims geboortedorp) zou bevrijden. Er vielen 3 doden tijdens schermutselingen met Duitse soldaten net voor de ingang van het dorp.

Een tekening van Sim uit dit dagboek met aanwijzingen in vier talen. Het is een voorbeeld van wat ik hogerop de “moodswings” van Sim noemde: diepe ellende afgewisseld met komische momenten met de celgenoten. Maar misschien is dat niet zo abnormaal: in een soort overlevingsmodus kan wat humor “bevrijdend” zijn. Het is ook in die periode dat Sim het citaat van Victoria Cross vond (cfr “We leeren Engelsch”). Het zal nu wel duidelijk zijn waarom ze dat onthield.

“The English language –> It’s a great pleasure to skate with my dear Sweatheart!” > “Taal van 333!!! de Pรฉtaal. Kupunt gijpij dapat apallepes veperstepaan dapan zijpijn jupulliepie veperstapandipigepe mapaskepes! >
“Vlaamsche Taal –> Schaatsen rij’en stillekens vrijen ’t gaat te samen wonderwel!..” > “Deutsche Sprache –> Herrliche Winterzeit!” > “Langue Franรงaise –> que c’est gai (bis) a nous deux de patiner!” > “3 Dec 44 Sim

+ย Taal van 333″ = celnummer van Sim
+ “Pรฉtaal”: kinderspelletje: na iedere klinker van een woord komt de letter “P” gevolgd door de voorgaande klinker, vandaar dus de “P”-taal, hier in gewone taal: “kunt gij dat alles verstaan dan zijn jullie verstandige maskes” (‘maskes’: een dialectwoord voor ‘meisjes’).”

Een volledig en chronologisch overzicht van wat de familie overkwam tussen september 1944 en mei 1948 vind je hier.


Nog een voorbeeld van twee zijden van dezelfde medaille: vreugde en verdriet.

“J’attendrai“. Dit liedje kende รฉn leerde ik van Sim, รฉรฉn van haar favorietjes, ze heeft het me vaak voorgezongen. Dalida heeft er ooit mee gescoord in 1976, maar in 1938, toen Sim schoolliep in de Normaalschool te Heverlee,ย  was het ook al een topper, gezongen door Rina Ketty. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het een wereldwijde hit, samen met “We’ll Meet Again” (Vera Lynn) en “Lili Marlene” (Lale Anderson). Sim zal het in haar celletje vaak gezongen hebben, muzikaal als ze was (ik vond in haar archief meer dan 100 boekjes met bladmuziek met “de hits van toen”, die ze thuis op de piano speelde en zong, zie infra). Ketty is Italiaanse (de originele versie van ‘J’attendrai’ is bekend als “Tornerai“), en zingt in het Frans met een heerlijke rollende “r”, onweerstaanbaar.ย 

“J’attendrai
Le jour et la nuitJ’attendrai toujoursTon retourJ’attendrai (j’attendrai)Car l’oiseau qui s’enfuitVient chercher l’oubliDans son nid”

Speciale vondst: Liedboek met notenschiift en tekst van het liedje bovenaan deze pagina. En de handtekening en groet van Zarah Leander zelf (“Meinen Freunden / mit einen herzlicher Grรผss”) in haar groot Liedboek, 40 blz., 30x24cm (12 liederen met partituren uit 12 films en 12 portretten). Met rechts bovenaan de tekst “Sim Wolfs, Winge Paschenย  1941“, daaronder een stempel van haar vader Juul Wolfs met adres en handelsregisternummer (hij was brandstoffenhandelaar). Waarschijnlijk zijn dit vooraf gesigneerde boeken die te koop werden aangeboden.

Een wazige foto met Finneke, zus van Sim, aan de piano in de living van het gezinshuis te Sint-Joris-Winge, huis dat nog steeds bestaat, nagenoeg ongewijzigd. Sim lijkt ‘commentaar” te geven.

Op de piano de trouwfoto (links) van Sims nicht Marguerite. Zij overleed plots een jaar later, รฉn zwanger, nog een jaar later stierf haar echtgenoot, “van verdriet, hij at niet meer”, vertelde Sim me. De foto is bewaard:

In het midden op de piano een foto van Oomย  Bert (broer van Sims moeder), die in 1936 verongelukte met zijn auto op de Leuvense Steenweg te Veltem-Beisem (nu deelgemeente van Herent).ย  Alle vier inzittenden kwamen om.
Ik vond in Sims dagboek deze passage, ingeschreven op de dag van het ongeluk, 74 jaar later op 12 maart 2010, die aantoont dat een diep verdriet nooit overgaat (Sim zou dat jaar 91 worden). Oom Bert was een goede vriend van de bekende wielrenner “Poeske Scherens” (ze gingen wel eens samen op cafรฉ…), en tevens de peter van haar broer Bert, naar hem genoemd. Simย  vertelde vaak hoe Scherens aan zijn bijnaam “Poeske” kwam.

“1936 Oom Bert verongelukt in Veltem Beysem. Ik was in Heverlee en Pa kwam mij halen – Een trieste herinnering en toch geen benauwenis./ Het was minder koud”

Deze korte dagboeknotitie is bijna een samenvatting van al wat ik hierboven geschreven heb in een poging om Sim te doorgronden. Eรฉn jaartal, 26 woorden, en de hele setting waarin en hoe dit geschreven is (“triest” vs “geen benauwenis”).

Foto van de laatste rustplaats van Oom Bert, boven zijn graf een gedenkteken in de vorm van een autowiel, herinnerend aan de tragische afloop van zijn leven:

En Sim bewaarde het overlijdensbericht:

Op de website vind je enkele audiofragmenten uit mijn interview met Sim (1993) waarin ze hierover vertelt.
Op 13 maart 2015 zou Sim overlijden, ik ben er zeker van dat ze ook dan, in haar laatste ogenblikken gedacht heeft aan haar Oom Bert. Deze oom had haar ooit, als 13-jarige in zijn chique auto meegenomen naar Banneux in 1933, waar toen duizenden mensen waren samengestroomd om er de Maria-verschijningen bij te wonen. In 2013 heb ik zelf voor chauffeur gespeeld, en met Sim nogmaals Banneux bezocht, 80 jaar (!) na haar eerste bezoek. Van alle momenten die ik met Sim in haar laatste jaren deelde was dit het meest ontroerende, we mediteerden en bidden op de bankjes voor het heiligdom en ontstaken er enkele kaarsen voor de hele familie.

Lichtpunten

Maar het was niet enkel kommer en kwel. Nand en Sim leerden elkaar รฉcht kennen op zaterdag 5 augustus 1950 op een tuinfeest in “Villa Kriekenberg”, aan de Rode Beukenlaan te Sint-Martens-Latem. In De Standaard werd er een kort artikel aan gewijd na het weekend met opsomming van de aanwezigen, een ‘staalkaart’ van dit soort feesten toen.
Wat gebeurde er op het tuinfeest: een “coup de foudre”, gezien de intense briefwisseling die onmiddellijk op gang kwam, er volgde nog een avondlijke wandeling langs de Leie waar “iets” gebeurde, Nand en Sim hintten er steeds met een knipoog naar, maar “de kroon werd nooit ontbloot”.

De in onze familie “beroemde” foto van die eerste ontmoeting in de tuin van Villa Kriekenberg (die nog steeds bestaat), vlnr: Nand, Tine Gonnissen (Sims beste vriendin), Bert, Sims broer, Sim, en het echtpaar Cloet-Van Ceulen, een bevriend koppel (bemerk de leeuwenvlag achteraan, het tuinfeest was een organisatie van het toen pas opgerichte โ€œVlaams Oud-Hoogstudentenverbondโ€ – VOHV).

De leegstaande stoel vรณรณr Nand is van de fotograaf, advocaat Jan Lancsweert. Het is nog het enige “zwarte gat” dat ik heb over deze foto. Ik vond wel รฉรฉn en ander over hem, maar vind na al die jaren nog steeds geen nabestaanden van hem, waarschijnlijk zal hij in zijn archief nog foto’s van die bewuste dag hebben.

Op zijn terugreis met de trein naar Gistel schreef Nand al koortsachtig een eerste (liefdes)brief die hij de dag erna postte.

En hรนn verhaal, hรนn odyssee, kon beginnen.ย 

Sim schreef in haar memoires dat ze Nands treinkaartje, een heen-en-weertje Gistel van die dag, had bewaard en er na Nands overlijden ’tranen met tuiten’ bij weende toen ze het in de archieven met hun liefdesbriefwisseling terugvond.ย 
Ik heb het nog niet gevonden, maar zo’n klein item in een archief is als deย  spreekwoordlijke “naald”.

Na een snel antwoord van Sim schreef Nand een week later al (11 augustus), zijn tweede brief, met daarin zijn gedicht waarin hij hun wandeling langs de Leie beschrijft, en zo kunnen we ons toch een idee vormen van hun samenzijn toen.
Het is duidelijk dat de vonk zo snel kon overslaan omwille van hun beider lotgevallen tijdens en na de oorlog.
Het isย  zoals ik in het begin van dit hoofdstuk schreef: “hun levenslijnen naderden elkaar vรณรณr die tijdย  zo dicht , dat het wel voorbestemd leek dat ze uiteindelijk volledig zouden versmelten.”.

De volledige liefdesbriefwisseling is chronologisch opgenomen op de website, en in een uitgebreid hoofdstuk neem ik de lezer daar mee langs alweer een wonderbaarlijke odyssee.

Nacht aan de Leie

Topazen maan, de bomen,
en boven ons de nacht;
โ€˜k omvat uw hoofd met schromen:
uw wang is warm en zacht.

Diep-duistre stilte nadert,
omwindt ons lauw en loom;
beneden in โ€™t gebladert
glimt maan in tragen schroom.

En heel ons duister wezen
fluistert een heimlijk woord,
gelijk een bloem gerezen
aan donkren waterboord.

Waatren langs de bomen,
uw diep is stil en zwart,
maar zwarter dan uw stromen,
en dieper, is dit hart.

En aan zijn grond ontloken
bloeit stil een bloesem klaar:
een woord onuitgesproken,
een schoon en schuw gebaar.

Laten wij na dit lijden
weer aadmen, diep en zacht,
zalig-gedreven glijden
als waatren door den nacht.


(***) “poรซtisch celdagboek”: Het dagboek van Nand (geschreven tijdens zijn interneringsperiode (1944-1949) is niet te vergelijken met dat van Sim, of met bv de dagboeken over die periode van Filip De Pillecyn (“Face au mur”) of Ernest Claes (“Cel 269”). Daarin beschrijven de auteurs hun leefomstandigheden tijdens hun gevangenschap en hoe ze zich daarbij voelen: een aanklacht tegen de hen in hun ogen aangedane onrechtvaardigheden. In dit hoofdstuk wordt daar nader op ingegaan.