1948 Nand: Over het scheppingsproces van het kunstenaarschap

Citaten in het PoĆ«tisch Celdagboek van Nand uit het filosofisch essay “Les Abeilles d’AristĆ©e” van Wladimir WeidlĆ© (1936), o.a. ƩƩntje van John Keats, zie 2de gedeelte van dit hoofdstuk.
Neergeschreven in de gevangenis van Merksplas (1948).

De keuze van deze citaten zegt veel over het denken van Nand, en bij uitbreiding over het scheppingsproces van de kunstenaar, daarom sta ik hier wat langer bij stil. Het is ook een visie waarin ik me kan vinden.

Onderaan deze pagina nog een bijzondere toevalligheid over dit boek.

Wladimir Weidlé (ouĀ Vladimir WeidlĆ© “nĆ© leĀ 1er mars 1895Ā Ć Ā St-PĆ©tersbourgĀ (Russie), et mort leĀ Ā Ć Ā ParisĀ (France), est unĀ critique d’artĀ etĀ littĆ©raireĀ russeĀ d’expressionĀ russeĀ etĀ franƧaise”.

Uit: “Les abeilles d’AristĆ©eĀ : Essai sur le destin actuel des lettres et des arts, Paris,Ā DesclĆ©e de Brouwer, 285pp.,

(De titel is een verwijzing naar de mythe van Aristaios (Oudgrieks: į¼ˆĻĪ¹ĻƒĻ„Ī±įæ–ĪæĻ‚) of Aristaeus (Latijn), een figuur uit de Griekse mythologie. Aristaios is een satyr en zoon van Apollo en de nimf Kyrene:

“Zijn bekendste optreden is wellicht in de mythe van Orpheus, waarin hij de mooiste waternimf EurydiceĀ belaagt en opjaagt, met als gevolg dat ze in haar vlucht op een slang trapt die haar een dodelijke beet toebrengt. Hierop nemen de andere nimfen wraak. Ze straffen Aristaios, die imker was, door al zijnĀ bijenĀ te doden. Aristaios kon niet verklaren waarom zijn bijen plots stierven, en zijn moeder stelde voor bijĀ ProteusĀ te rade te gaan. Hier komt Aristaios te weten dat het een straf is voor zijn poging tot aanranding van de nimf Eurydice. Als boete zal hij vier koeien, vier stieren, een kalf en bloemen moeten offeren aan deĀ manes van Euridice. Negen dagen na het offer groeiden uit de kadavers van die runderen nieuwe bijenzwermen“.

WeidlĆ© wil hiermee suggereren dat, hoewel hij pessimistisch is over deĀ  kunstproductie in zijn tijd, een ‘renaissance’ of heropstanding van de kunst mogelijk is, net zoals de bijen van Aristaios.
Niet verwonderlijk dat de titel alleen al Nand aansprak, hij hoopt voor zichzelf hetzelfde: opnieuw opstaan uit de puinen van wat zijn leven op dat ogenblik geworden is.

Nand neemt uit dit boek verschillende fragmenten op, ook een door WeidlĆ© aangehaalde verwijzing naar de dichter John Keats (zie verder). Ik heb via een antiquariaat een eerste druk uit 1936 kunnen bestellen, omdat ik de exacte pagina’s die Nand vermeldt wilde opzoeken. De 2de druk verscheen in 1954, de 3de in 2004, telkens uitgebreid. De laatste druk telt bijna 170 pagina’s meer dan de eerste.


De overgenomen citaten zijn blauw ingekleurd, vaak gaat de aandacht van Nand, niet verwonderlijk,Ā  naar “het mythische” aspect van kunst en poĆ«zie in het bijzonder (Nederlandse vertaling na de fragmenten):

(p.52) La fiction poĆ©tique cessera d’exister et se changera en fiction tout court le jour où elle rompra dĆ©finitivement avec le mythe, avec la pensĆ©e crĆ©atrice des mythes, que l’autre, la pensĆ©e discursive ne remplacera jamais. ā€œNous ne concevons plus – a dit FranƧois Mauriac – une littĆ©rature romanesque dĆ©tournĆ©e de sa fin propre qui est la connaissance de l’hommeā€. C’est peut-ĆŖtre vrai, mais il y a plus d’un mode de connaĆ®tre, et
la pensĆ©e mythique seule sait concilier connaissance et crĆ©ation. Ā C’est prĆ©cisĆ©ment par sa nature illogique et irrationnelle que la facultĆ© de crĆ©er les mondes imaginaires est une nĆ©cessitĆ© de l’art, et il est tout naturel que sa dĆ©cadence doive amener le divorce de l’art et de l’artiste, la solitude irrĆ©mĆ©diable de l’Ć¢me crĆ©atrice. L’art n’est pas une affaire de raison et de logique, mais bien d’intuition indissociable et de foi totale. Le crĆ©puscule des mondes imaginaires est dĆ» au flĆ©chissement de cette foi ; il signifie la ruine d’un des fondements essentiels de l’art et de toute crĆ©ation humaine.

(p.58)  Émile Legouis a eu raison de se demander Ć  propos de Shakespeare: ā€œComprenait-il Hamlet analytiquement ?ā€ – et de rĆ©pondre : ā€œL’horloger comprend la montre qu’il a faite. Le pĆØre ne comprend pas l’enfant qu’il a engendrĆ©ā€.
L’artiste cherche la vĆ©ritĆ© et non pas la vraisemblance ; ce qu’il imite, ce n’est pas la vie, ce sont les forces qui crĆ©ent la vie.
Le romancier

[il] n’est pas un copiste de la nature,
il est, comme Mauriac l’a dit une fois de plus, ā€œle singe du CrĆ©ateurā€.

Les forces avec lesquelles il collabore en crƩant ses personnages sont celles qui, depuis toujours, ont prƩsidƩ Ơ toute crƩation
.

(p. 66) La substitution du ā€œtypeā€ analytique Ć  la personnalitĆ© vivante et inanalysable a contribuĆ© grandement Ć  la dĆ©composition du roman en tant que forme d’art et genre littĆ©raire. L’art, comme dans beaucoup d’autres domaines de la civilisation contemporaine, y a Ć©tĆ© contaminĆ© par la science, et bien souvent encore une science de seconde main.

(p. 226) Plus notre connaissance devient abstraite et nos sentiments diffĆ©renciĆ©s, et plus nous dĆ©sirons la totalitĆ© primitive de la contemplation et de l’expĆ©rience. Plus l’art qui nous entoure Ć©volue vers l’artificiel et le cĆ©rĆ©bral, et plus nous avons la nostalgie d’un art spontanĆ©, enfantin, inconscient de sa propre perfection.

(p. 251) Le retour Ć  la terre, comme le retour Ć  l’enfance, est avant tout une maniĆØre de chercher le miraculeux, d’avoir soif du monde mythique dont on prend connaissance comme d’une rĆ©alitĆ© au lieu de l’inventer comme une fiction qui n’engage Ć  rien.

(p. 257) La psychanalyse est la tentative le plus largement conƧue et la plus systĆ©matique de mĆ©caniser l’inconscient, de rĆ©duire le rĆŖve, l’amour, la vie psychique autre que celle de la raison, la crĆ©ation des mythes, les processus crĆ©ateurs dans les arts et les lettres au fonctionnement rĆ©gulier d’un mĆ©canisme intĆ©rieur.


Vertaling (met hulp van Google Translate, dus soms wat letterlijk…):

(p.52) PoĆ«tische fictie zal ophouden te bestaan ​​en zal helemaal in fictie veranderen op de dag dat die definitief breekt met de mythe, met het denken dat mythen creĆ«ert, die de andere, discursieve gedachte nooit zal vervangen. “We bedenken niet langer – zei FranƧois Mauriac – een romanliteratuur die is afgeleid van zijn eigen doel, namelijk de kennis van de mens”. Dat mag dan waar zijn, maar er is meer dan ƩƩn manier tot kennisname, en alleen het mythische denken weet kennis en schepping met elkaar te verzoenen. Juist door zijn onlogische en irrationele aard is het vermogen om denkbeeldige werelden te creĆ«ren een noodzaak van kunst, en het is niet meer dan normaal dat het verval ervan leidt tot de scheiding van kunst en de kunstenaar, tot eenzaamheid, dat onherstelbaar deel van de creatieve ziel. Kunst is geen kwestie van rede en logica, maar van onafscheidelijke intuĆÆtie en totaal geloof. De schemering van de denkbeeldige werelden is te wijten aan de verzwakking van dit geloof; het betekent de ondergang van een van de essentiĆ«le fundamenten van kunst en van de hele menselijke schepping.

(p.58) (Ɖmile Legouis had gelijk toen hij zich afvroeg over Shakespeare: “Heeft hij Hamlet analytisch begrepen?” – en daarop antwoordt: ā€œDe horlogemaker begrijpt het horloge dat hij heeft gemaakt. De vader begrijpt het kind dat hij verwekte nietā€.)
De kunstenaar zoekt de waarheid en niet de plausibiliteit; wat hij imiteert is niet het leven, het zijn de krachten die het leven creƫren.

(De romanschrijver)
[hij] kopieert de natuur niet,
hij is, zoals Mauriac nogmaals zei, “de aap van de Schepper”.
De krachten waarmee hij samenwerkt bij het creƫren van zijn personages zijn degenen die altijd de hele schepping hebben geleid.

(p. 66) De vervanging van de levende, niet-analyseerbare persoonlijkheid door het analytische ’type’ heeft in grote mate bijgedragen tot de ontbinding van de roman als kunstvorm en literair genre. Kunst is daar, net als op veel andere gebieden van de hedendaagse beschaving, verontreinigd door wetenschap, en vaak nog steeds tweedehands wetenschap.

(p. 226) Hoe abstracter onze kennis wordt en onze gevoelens gedifferentieerd, hoe meer we verlangen naar de primitieve totaliteit van contemplatie en ervaring. Hoe meer de kunst om ons heen evolueert naar het kunstmatige en het cerebrale, hoe meer we heimwee hebben naar een spontane, kinderlijke kunst, niet bewust van haar eigen perfectie.

(p. 251) De terugkeer naar het land (de aarde) is, net als de terugkeer naar de kindertijd, bovenal een manier om het wonderbaarlijke te zoeken, om te dorsten naar de mythische wereld waarvan we kennis nemen als een realiteit in plaats van die uit te vinden als iets fictioneel dat er niets toe doet.

(p. 257) Psychoanalyse is de meest wijdverbreide en meest systematische poging om het onbewuste te mechaniseren, om dromen, liefde, psychisch leven te reduceren tot enkel het domein van de rede, het creƫren van mythen, de creatieve processen in de kunsten en de literatuur tot de reguliere werking van een intern mechanisme.


Over John Keats (1795-1821) en “Negative capability” (“capacitĆ© nĆ©gative”), citaat in het Frans (p. 173-174) omcirkeld in rood potlood, wat wijst op het belang dat Nand hieraan hecht:

5de Hoofdstuk: “Herstel of Wederopstanding?” en daaronder een citaat van de Spaanse dichter Luis de Gongora (1561-1627), de twee laatste verzen van zijn gedicht “A la memoria de la muerte y el infierno” – Gedachtenis aan dood en hel – :
“Con la muerte libraros de la muerte,
Y el infierno vencer con el infierno.”
‘Met de dood zich bevrijden van de dood,
En de hel overwinnen met de hel.’

(in het licht van de door de krijgsauditeur gevraagde doodstraf voor Nand een voor hem erg herkenbaar citaat…)

(ook hier in het blauw de citaten die Nand overschreef)

CAPACITƉ NEGATIVE !

(p. 215) Une lettre de Keats du 22 dƩcembre 1817,
adressĆ©e Ć  ses deux frĆØres, contient un passage maintes fois commentĆ© par la critique anglaise, sans qu’on en ait fait valoir, Ć  ce qui nous semble, tout le sens esthĆ©tique et historique. Le poĆØte raconte qu’il a eu une discussion avec son ami Dilke sur la question de savoir quelle est la
qualitƩ maƮtresse
parmi celles qui contribuent Ć  former un grand homme de lettres,
[qui forme] un grand poĆØte.
Cette qualitƩ, que Shakespeare, dit-il, possƩdait
(p. 216) au plus haut degrĆ©, il l’appelle – en soulignant par des majuscules son importance —
Negative Capability,
CapacitƩ NƩgative, et la dƩfinit comme
le pouvoir de ā€œrester dans l’incertitude, le mystĆØre, le doute, sans recourir impatiemment aux faits et aux raisons
ā€.

(p. 217) La CapacitĆ© NĆ©gative est le don de rester fidĆØle Ć  une certitude intuitive que le raisonnement rejette et que le bon sens n’admet point ; de conserver un mode de penser qui ne peut que sembler dĆ©raisonnable et illogique du point de vue de la raison et de la logique, mais qui d’un point de vue plus approfondi pourrait se rĆ©vĆ©ler comme supĆ©rieur Ć  la raison et transcendant la logique de la pensĆ©e conceptuelle.
Pour le poĆØte, pour l’artiste, ce don est plus essentiel et primitif que tout ce qu’on peut appeler sentiment du beau, que tout ce qui a trait Ć  la BeautĆ© en tant qu’idĆ©e abstraite incapable de contenir sa contradiction. Avant de savoir choisir, avant d’ĆŖtre pourvu de goĆ»t, de discernement esthĆ©tique, du sens de l’harmonie,
l’artiste doit pouvoir contempler l’univers et chacune de ses parties, non pas Ć  un Ć©tat de diffĆ©renciation, de dĆ©sintĆ©gration analytique, mais dans l’unitĆ© premiĆØre de l’ĆŖtre, où le complexe ne dĆ©truit point le simple, où le simple, en l’intĆ©grant, prĆ©serve le complexe.

(p. 218) Rien de plus positif, en rƩalitƩ, que la CapacitƩ NƩgative.
En faire usage, ce n’est pas ā€œse contenter d’une demi-connaissanceā€, c’est connaĆ®tre des vĆ©ritĆ©s qui sans elle resteraient inconnaissables. Il ne fait aucun doute qu’elle doit compatible avec un niveau trĆØs Ć©levĆ© de pensĆ©e abstraite.

(p. 221) EnvisagĆ©e sous son aspect positif, la CapacitĆ© de Keats n’est autre que le don de voir le cĆ“tĆ© miraculeux des choses.

(p. 222) DĆ©sormais le poĆØte, l’artiste — c’est ce qu’avait compris Keats – devait s’efforcer avant tout d’acquĆ©rir le pouvoir de vivre dans ce monde miraculeux, de respirer son air, car l’art et la poĆ©sie ne pouvaient qu’Ć©touffer dans celui du progrĆØs et de la raison pure.


Vertaling (met hulpvan Google Translate, dus soms wat letterlijk…):

(p. 215) Een brief van Keats van 22 december 1817, gericht aan zijn twee broers, bevat een passage die door Engelse critici vaak zonder argumentatie is becommentarieerd, zonder, zo lijkt ons, de nadruk te hebben gelegd op de esthetische en historische waarde ervan. De dichter vertelt dat hij een discussie had met zijn vriend Dilke over de vraag wat
de belangrijkste eigenschap
zou moeten zijn die iemand tot een ​​groot literator maakt,
een groot dichter.
Deze kwaliteit, die Shakespeare, zegt hij, in de hoogste graad bezat, noemt hij -(nvdr: nadrukkelijk in hoofdletters om het belang te onderstrepen)–
ā€œNegative Capabilityā€ (ā€˜negatief vermogen’), en definieert dit als
de kracht om ā€œte verkeren in onzekerheden, mysteriĆ«n, twijfels zonder enig geprikkeld reiken naar feit en rede
ā€.

(p. 217) ā€˜Negatief vermogen’ is de gave om trouw te blijven aan een intuĆÆtieve zekerheid die redenering verwerpt en gezond verstand niet toegeeft; een manier van denken te handhaven die alleen vanuit het oogpunt van rede en logica alleen onredelijk en onlogisch kan lijken, maar die vanuit een meer diepgaand standpunt superieur zou kunnen blijken te zijn aan de rede en de logica van conceptueel denken.
Voor de dichter, voor de kunstenaar, is dit geschenk essentiƫler en primitiever dan alles wat een gevoel van schoonheid kan worden genoemd, dan alles dat betrekking heeft op schoonheid als een abstract idee dat niet in staat is haar tegenstrijdigheid te bevatten. Voordat hij weet hoe hij moet kiezen, voordat hij wordt voorzien van smaak, van esthetisch onderscheidingsvermogen, van een gevoel van harmonie,
moet de kunstenaar in staat zijn om het universum en elk van zijn delen te overdenken, niet in een staat van differentiatie, van analytische desintegratie, maar in de primaire eenheid van het zijn, waar het complex het simpele niet vernietigt, maar waar het simpele, door het te integreren, het complex behoudt.

(p. 218) Niets positiever, in werkelijkheid, dan ā€œnegative capacityā€.
Het gebruiken ervan is niet ā€˜tevreden zijn met halve kennis’, het is om waarheden te kennen die zonder dit onkenbaar zouden blijven. Het lijdt geen twijfel dat dit compatibel moet zijn met een zeer hoog niveau van abstract denken.

(p. 221) Gezien in zijn positieve aspect is Keats’ Ability niets anders dan de gave om de wonderbaarlijke kant van de dingen te zien.

(p. 222) Voortaan moest de dichter, de kunstenaar – zo begreep Keats – er vooral naar streven om de kracht te verwerven om in deze wonderbaarlijke wereld te leven, om zijn lucht in te ademen, omdat kunst en poĆ«zie niets anders konden dan verstikken in die van vooruitgang en zuivere rede.


Zie ook Wikipedia voor meer over “Negative Capability” (Engels): “Negative capability was a phrase first used by Romantic poet John Keats in 1817 to characterize the capacity of the greatest writers (particularly Shakespeare) to pursue a vision of artistic beauty even when it leads them into intellectual confusion and uncertainty, as opposed to a preference for philosophical certainty over artistic beauty. The term has been used by poets and philosophers to describe the ability of the individual to perceive, think, and operate beyond any presupposition of a predetermined capacity of the human being.”

De volledige brief kan je hier vinden, hij was gericht aan zijn beide broers, George en Tom Keats (22-12-1818). Er valt op te merken dat dit ƩƩn van de brieven is waarvan geen origineel manuscript is teruggevonden en enkel bestaat in een transcriptie van John Jeffrey (de tweede echtgenoot van Georgiana Wylie Keats die getrouwd was met de broer van John Keats, George), hetgeen de interpretatie van wat Keats juist bedoelde er niet op vergemakkelijkt. Het fragment:

Ā “I had not a dispute but a disquisition with Dilke, on various subjects; several things dovetailed in my mind, & at once it struck me, what quality went to form a Man of Achievement especially in Literature & which Shakespeare possessed so enormously—I mean Negative Capability, that is when man is capable of being in uncertainties, mysteries, doubts, without any irritable reaching after fact & reason—Coleridge, for instance, would let go by a fine isolated verisimilitude caught from the Penetralium of mystery, from being incapable of remaining content with half knowledge. This pursued through Volumes would perhaps take us no further than this, that with a great poet the sense of Beauty overcomes every other consideration, or rather obliterates all consideration.”

In Het Algemeen Letterkundig Lexicon (2012) staat het zo (via Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren):

“Etym: Eng. negatief vermogen:
Term die de Engelse romantische dichter John Keats een enkele keer gebruikt zou hebben (in een brief van 21 december 1817 gericht aan zijn broers), maar die een enorme weerklank heeft gehad in de literaire kritiek. Keats bedoelt er het vermogen mee (ā€˜capability’) om niet steeds op zoek te willen gaan naar feitelijke en rationele zekerheden (ā€˜negative’). Alleen wie deze negatieve capability bezit, kan ontvankelijk zijn voor de complexiteit, tegenstellingen, twijfels en mysteries van het bestaan. Shakespeare bezat dit vermogen ā€˜enormously’ volgens Keats. Door het concept gaf Keats zowel aan de wereld als aan het individu een diepte en complexiteit die niet in vaste, gesloten en rationele categorieĆ«n te bevatten is, wat ruimte creĆ«erde voor de verbeelding en het esthetische. Het nam daardoor een bijzondere plaats in in het discours van de romantiek, vooral in Engeland.”


Een bijzondere toevalligheid…

Toen ik in het boek op zoek ging naar de citaten die Nand overschreef bemerkte ik bij nader toekijken dat sommige ervan in dit boek ook onderstreept waren. Waarschijnlijk in potlood, en later uitgegomd, maar de afdrukken waren nog duidelijk zichtbaar, bv hier (p. 58):

Op sommige plaatsen in het boek zijn nog andere fragmenten ooit onderstreept geweest, maar die zijn niet door Nand weerhouden. Uit nieuwsgierigheid nam ik contact op met het antiquariaat, maar zij hadden geen idee waar het exemplaar juist vandaan kwam. Het boek maakte deel uit van een reeks, en dit was hun laatste exemplaar.
Heeft Nand dit exemplaar ooit in handen gehad? We zullen het nooit weten, maar het is wel een opwindende gedachte.

Een reactie achterlaten

Ontdek meer van Womb

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder