1987 Laudatio Anton Van Wilderode voor Nand 80

(andere hoofdstukken uit de biografie zie deze pagina)

Viering Nand voor zijn 80ste verjaardag in de Abdij van Grimbergen, tegelijkertijd werd in de Norbertuszaal een veertiendaagse tentoonstelling geopend van zijn schilderwerk.

De feestviering vond plaats, uitzonderlijk vanwege het aantal aanwezigen, in de refter van de abdij.

Hierboven een filmverslag dat ik draaide met Sims 8mm camera, helaas was de belichting ondermaats, maar Nand is toch herkenbaar, en zeker zijn schilderijen.

De viering werd opgeluisterd o.a. door de sopraan Ann Baert, redevoeringen van Anton Van Wilderode en Karel Vermeulen en een dankwoord van Sim

De feestrede werd uitgesproken door dichter Anton van Wilderode (rechts)die erop stond toch aanwezig te zijn, ondanks een gebroken linkerarm na een val van de trap (Sim links, naast Nand met wandelstok):

Tijdens deze toespraak was Nand zeer ontroerd, het was de eerste en enige keer dat ik de tranen over zijn wangen zag rollen. Vreugde en dankbaarheid. Het was ook de eerste keer dat hij de waardering kreeg waar hij zijn hele leven naar gestreefd had, het leek alsof hij het niet kon geloven.
2 jaar later, op vrijdag 12 mei 1989 zou Nand overlijden.

Tom Lanoye schreef naar aanleiding van deze viering en de publicatie van Nandse bundel “De Aardse Staat” een erg kritisch verslag van twee bladzijden in “De Morgen” van 14 augustus 1987, zie deze pagina.
En zeer recent voerde hij Nand ook op als personage in zijn roman “De Draaischijf” (2022), daar kan je hier over lezen.
Gedichten van Nand werden ook voorgedragen in de Bourlaschouwburg in 2007, waar o.a. ook Lanoye en Kristien Hemmerechts, oud-leerling van Sim, op het podium verschenen. Dat gebeuren werd aangekondigd als: “een goed foute avond“.


Eerste bladzijde van de feestrede, met opdracht voor Sim en Nand door Anton van Wilderode (bemerk de onderstrepingen van de woorden/zinnen die hij tijdens het spreken wil beklemtonen, de lay-out om het voorlezen te vergemakkelijken, het eigenzinnige gebruik van de voorkeursspelling, en hier en daar werden nog enkele foutjes verbeterd, ook opvallend: van Wilderode vergist zich in het begin door te schrijven dat Nand op 14 december 1906 tachtig jaar werd, op de geluidsopname van de redevoering klinkt het wel juist.

Geluidsopname van de feestrede:

(blz.1)

F.V.: OORBEELD, VOORBEELD

1. De mens, de vriend en de kunstenaar in ons midden, Mr. in de rechten F.V. werd 14 december 1986 tachtig jaar. Ik zeg niet tachtig jaar jong, want dat is een van de modische eufemismen of ‘verdoezelwoorden’ waarmee wij sedert enige jaren overwoekerd worden (er zijn geen doven meer, enkel gehoorgestoorden; geen losse werklieden maar productiemedewerkers; geen gehandikapten, maar ànders-valieden!)
Ik zeg ook niet: tachtig jaar oud, want dat woord verondersteld of suggereert een verval dat wij Goddank aan de feesteling van deze middag niet kunnen zien.
Gewoon tachtig dus, en -ik citeer psalm 90, vers 10- ‘de dagen van onze jaren/omvatten zeventig jaren, voor de krachtigsten tachtig jaren! Ik weet het: het oude testament is géén optimistisch boek, want in dezelfde kontekst wordt het leven vergeleken met het gras van één dag, met een zucht, met een wiekslag, maar wie de hele psalm leest (bidt!) vindt toch ook, en even duidelijk, woorden van vertroosting:
– ‘leer ons zó onze dagen tellen dat ons wijsheid des harten gewordt’ (vs. 12)
– ‘maak ons morgenlijk rijk met uw goedheid dat wij jubelend vieren onze vreugde telken dage dat we mogen zijn’ (vs. 14)
– ‘schenk ons blijdschap, zovele dagen als de dagen dat gij ons deed lijden’ (vs. 15)
en vooral de slotverzen die ons trouwens ten volle en regelrecht naar deze viering wijzen:
– ‘geef gij het werk onzer handen bestand, ja, bestendig het werk onzer handen’ (vs. 17)
Een deemoedig verzoek van de dichter David dat, uitgedrukt of niet, de wens en de hoop is van alwie, onder de kunstenaars, ‘de ploeg van het woord mag besturen’.

2. Het geboortejaar 1906 van F.V. is literair gezien op zichzelf al merkwaardig, want binnen zijn twaalf maanden zagen niet minder dan tien Zuid- en Noordnederlandse literatoren het levenslicht. Ik vermeld hen – ten bewijze – in chronologische volgorde:

(blz 2)

16 januari dichter en novellist Johan van der Woude
9 april dichter Karel Jonckheere
18 april dichteres Clara Eggink
én literair-historicus Mathieu Rutten
8 mei  dichter en literair criticus Gerrit Kamphuis
3 augustus romancier en novellist Leonard Huizinga
8 augustus romancier dichter en essayist André Demedts
4 september dichter Han G. Hoekstra
7 november dichter Jan Vercammen
en als laatste in de oogst van dat jaar (als jongste dus!)
14 december dichter toneelschrijver en schilder F.V.

Deze toch bijzonder rijke oogst 1906 intrigeerde me zó dat ik uit nieuwsgierigheid – vluchtig en dus heel onvolledig – eens heb nagegaan of dat ook ‘klopte’ voor de buitenlandse literatuur!
Ik vond een vijftal belangrijke auteurs:

13 april Samuel Beckett (Ierland)
11 juni Nicolaas van Wijk Louw (Zuid-Afrika)
26 juni Stefan Andres (Duitsland)
9 oktober Leopold Senghor (Senegal)
18 november Klaus Mann (Duitsland)
zoon van Thomas

Maar voor ons het meest boeiend blijft de vaststelling dat vier te goeder naam en faam bekende Vlaamse auteurs-jaargenoten zijn: Karel Jonckheere, André Demedts, Jan Vercammen en F.V. – ook vier goed geprofileerde schrijvers. Maar dat is in Vlaanderen sedert lang zo dat allen die de pen voeren – of anderzijds op het artistieke plan bedrijvig zijn – een bepaald etiket opgekleefd krijgen (ongeveer van bij hun debuut), waar ze nooit meer echt vanàf geraken. Naar dat ‘label’ werden en worden zij beoordeeld en gekwoteerd nièt naar de werkelijke waarde en zonder rekening te houden met eventuele ontwikkeling in hun werk, non sine ira et studio. Belangrijk is hier niet wat men schrijft maar wie het schrijft. Naargelang van eigen opvattingen kritiekloos geprezen of kritiekloos afgewezen.
Sedert jaar en dag staat F.V. geboekstaafd als politiek (geïnspireerd) dichter.
Terecht of onterecht? Dat hangt mijn inziens af van de inhoud die men aan de term politiek geeft!

(blz 3)

Het is namelijk een begrip dat in het spraakgebruik erg gedegradeerd of gekleurd werd als een bedrijf dat buiten en boven de gewone waarneming ligt, maar dat ons ten zeerste rààkt. De wat ongenuanceerde definitie luidt ‘geheel van beginselen volgens welke een staat, een gewest enz. geregeerd wordt of moet worden’ – èn ‘handelswijze van een overheid ten opzichte van bepaalde objekten’, zelfs ‘handig gemaneuvreer’ wordt met die term aangeduid.
Het is duidelijk dat F.V. géén politiek dichter is in dié betekenis.
Nu is het intussen wèl merkwaardig dat het odium wat lange tijd lag op dichtkunst die welbepaalde vormen van staatsinrichting propageerde of verwierp de jongste decennia met vaandel en slaande trom werd ingehaald, – op voorwaarde dan wel dat zij uit het buitenland komt èn een welbepààld, en felgekleurd, systeem bezingt en prijst. Men denke bijv. aan het entoesiasme waarmee hier o.a. Pablo Neruda en Bertold Brecht om een àndere dan hun reële literaire betekenis werden en worden onthaald. (Het leek er een tijdlang op of het letterwoord BRT een afkorting is van BRechT!)
Maar politiek heeft ook een andere, oudere betekenis, want het woord is afgeleid van het Griekse polis, wat oorspronkelijk burcht betekent (later akropolis, hoog-stad of bolwerk); ook stad als burgerij. Die verwijzing naar de gemeenschap brengt ons dichter bij de juiste en rijke betekenis van het woord politiek – de veelvuldige bezorgdheid om het volk.
En in die zin is F.V. wèl een politiek dichter, die minder kijkt naar het heden, als wel naar een groot welhaast mystisch verleden als schabloon voor een verhoopte toekomst. Oor-beeld als voor-beeld.
In die zin staat hij in de grote traditie van Anna Bijns en Jacob van Maerlant, van Willem Bilderdijk en Isaac da Costa, van Everardus Potgieter en Joost van den Vondel, van Guido Gezelle en René Declercq, van Albrecht Rodenbach en Wies Moens. Zij allen dromers van een betere tijd, en vooral van een beter land.

Dààrom werd hij, F.V., geïnspireerd door een grote visie die we veralgemeend, kunnen omschrijven als volgt:
– de kosmische voortijd, een grenzeloos menselijk gebied zuiver en helder, bevolkt met helden, profeten, barden en zeevaarders, zieners en bevlogenen – ‘een eigen rijk’ vgl. Adrianus Roland Holst: eiland in het Westen, V.: eiland in het Noorden.
– de oorspronkelijke deugden van eenvoud, adel, vriendschap en vroomheid die verloren gingen onder en voor de doem van machts-

(blz 4)

drang en bezit,
– het symbool van de zee vooral – eindeloos zuiver, eindeloos, beweeglijk en bewogen, – zoals de psalmist zegt ‘Mirabiles elationes maris’ – de verbazingwekkende uitgestrektheid van de zee.
Over dit laatste thema van V.’s poëzie wilde ik hier iets zeggen, vooral ook omdat het uniek is in onze poëzie.

4. Wie alleen nog maar de titels leest van zijn zeventien dichtbundels die in de loop van méér dan een halve eeuw poëtische bedrijvigheid het licht zagen – ziet al, vóór hij verder leest, dat de zee een konstant motief is in het oeuvre van F.V.: Zeeland (zijn debuut uit 1934), Kolga, een gedicht van de zee, Het eiland Antilia, Zee in het Westen, Land aan het Zwin, De stad in zee, Moederzee, Deltaland, De zeven zeeën. Méér dan de helft dus, – terwijl de overige verzenbundels (die door hun naamgeving niet zo direkt naar de zee verwijzen) duidelijk in dezelfde inspiratie delen. Zover ik zie is hij in ons taalgebied vrijwel de enige dichter die dat thema zo veelvuldig, gevarieerd en konstant tot onderwerp van zijn poëzie heeft genomen.
In de leer van de symboliek en zinteken staat de zee voor onuitputtelijke levenskracht, maar is zij tegelijk ook de allesverslindende afgrond; zij is gevend en nemend, renoverend en vernietigend, zuiverend en verzwelgend. Zinnebeeld van het onbewuste en van de oneindigheid (dààrom bij de mystici symbool van de opgang in God). Geheimzinnig door haar vreemde fauna en flora, parels en koralen – en de relicten van menselijke herkomst in wrakken en verzonken schatten.
De zee is aanlokkelijk èn beangstigend als alle water – van de Twee koningskinderen tot de knaap Filip de Pillecyn die met huiver en begeerte liep op het smalle pad tussen de metersdiepe putten en de Hamse Bunt.

F.V. bezingt zowel de werkelijke als de gedroomde zee, dat zijn:
– de Noordzee die hij zag in het Oostende van zijn jeugd en – vanaf de overkant, – in Engeland waar hij tijdens de eerste wereldoorlog verbleef (van zijn zevende tot twaalfde levensjaar, de tijd dat alle indrukken zich blijvend aftekenen in het receptieve was van de ziel!) – landinwaarts naar en in de Schelde waarop zijn vader als loods voer; èn
– de verbeelde zee die hij in zijn fantazie ziet (en die hij ‘wereldzee’ heet, ‘diepzee’, ‘moederzee’, ‘wateren ongebaand’),

(blz 5)

met haar golven walend rondom de verdwenen eilanden Wulpenzand en Antilia in het verre westen of Thule in het uiterste Noorden.

F.V. is derhalve méér dan een toeschouwer die visueel of auditief (of hoe dan ook zintuiglijk) die ervaren én verbeelde zee oproept, want hij voelt zich ten diepste aan haar verwant:
– zij wordt door hem ‘beminde’ geheten, ‘harstgeliefde’; ‘zuster van mijn ziel’… – zij wordt voor hem oorbeeld van eeuwige waarden die verloren dreigen te gaan; van oude deugden die verwaarloosd zijn, afgewezen of greidiculiseerd; van een heldere levenshouding, strijdbaar, kompromisloos, vitaal – die zich afzet tegen de mode van moedeloosheid, fatalisme en wanhoop. Ver-zielde contra een verziekte wereld.
Dit is géén vlucht uit de realiteit, want de dichter blijft met de aarde van de mensen verbonden: Zeeland, Land aan het Zwin, Deltaland… van zijn eigen wereld.
Men kan die romantisch noemen, maar dan niet anders, noch méér, dan die van de grote Adrianus Roland Holst – die steevast als een individualist wordt beschouwd, terwijl F.V. even hardnekkig een gemeenschapsdichter heet – met alle negatieve sedimenten die zich  in de loop der jaren op die term hebben vastgezet.
Men kan deze poëzie ook als kosmisch karakteriseren, verwant naar mijn gevoel aan die van Pol le Roy en van Erik van Ruysbeeck.
Een betere, juistere typering lijkt mij evenwel haar mystisch te noemen d.w.z. verwijzend naar de verhalende overlevering die betrekking heeft  op de godsdienst en de wereldbeschouwing van een volk. Dat het epische element daardoor nadruk krijgt (denk aan ettelijke bekende balladen) is logisch. Even logisch is dat de lezer ervan zich de moeite geeft binnen te dringen in de heel aparte denk- en gevoelswereld van de dichter, in het symbolische gebied van Asgard Midgard (van hemel en aarde), van de dodenberg en levensboom Yggdrasil, van het eerste mensenpaar Ask en Embla onder de heerschappij van de goden. Méélezen is voor een goed deel mééleven, zich gewonnen geven aan wat de scheppende dichter als oorbeeld schrijvend tot stand bracht, binnendringen ‘waar men geen kleinheid kan ontwaren’, ademen in de ijslucht van een zuiverere ijlte.

(blz 6)

Toch zou men de dichter F.V. te kort doen wanneer enkel verwezen wordt naar die epische dimensie van zijn werk, of al te eenzijdig naar de zee die in zijn verzen ruist. Want wie echt ‘léést’ en niet zomaar napraat wat sedert jaar en dag wordt voorgeschreven door de etikettenplakkers vindt er evenzeer de lyricus, – vanaf zijn eerste bundels tot De aardse staat die thans wordt aangeboden en waarin nog meer, nog duidelijker, de dingen van alledag worden bezongen: het eenvoudige leven in gezin en buurtschap, de vreugden en verdrietelijkheden van het bestaan, de duurzame liefde voor en van de vrouw, de dankbare herinnering aan zijn ouders en zijn jeugd (die hem dwingend nabijkomt terwijl de meeuwen – al even ‘ontheemd’ als hijzelf! – boven de tuin van ‘De Kogge’ draaien). Een en ander zou ik met vele voorbeelden kunnen illustreren. Ik moet me beperken tot een enkel (liefdes) gedicht dat vol is van de hevigheid en de rust van de herhaling – en dat meteen een hulde is aan de vrouw die Nands leven en geluk deelt.

Mijn lief staat in rijpend koren,
de aren zijn hoog en licht;
mijn lief staat in waaiend koren
met de aren op haar gezicht

Zij grijpt naar de rijpe aren,
de aren zijn hoog en licht;
zij snoert in haar armen de aren,
en bergt erin haar gezicht.

Ik wacht bij de oude bomen,
de bomen staan in de wind;
ik hoor het geruis der bomen,
ik ben een boom in de wind.

Mijn lief roept in ’t rijpend koren,
de aren zijn hoog en licht;
lief, voelt gij in ’t waaiend koren,
mijn adem op uw gezicht?

Laat ik nog even persoonlijk mogen worden en zeggen dat F.V. een van de dichters is die mijn jeugd heeft verblijd.

(blz 7)

Zijn bezwerende verzen hebben wij overgeschreven en doorgegeven in de dertiger jaren binnen de besloten gemeenschap van het internaat in het Sint-Niklase Klein-seminarie. Wij knipten ze uit de (verboden) kranten, kleefden ze aan de binnenkant van onze chambrettekastjes en zegden ze elkaar voor tijdens de lange wandelingen door het Waasland. Conform de ‘geloofsbelijdenis’ van Wies Moens ‘die het wachtwoord ontvangt/ hij zet zijn leven als een bolwerk er omheen’. Het maakt mij gelukkig dat zovele medeleerlingen en vrienden van toen trouw zijn gebleven aan dezelfde idealen waarvan F.V. de bezielde vertolker was. Dankbaar kan ik hem geen beter huldeadres toevoegen dan het vers van onze Rodenbach:

‘o zanger echt en trouw gelijk een kind’!

Anton van Wilderode, 25 maart 1987


Slot- en dankwoord Sim en ontroerde Nand.


In haar slotwoord dankt Sim alle bijdragers aan de viering, en ze besluit met een onverwachte liefdesverklaring voor de feesteling:

1967 > 1998 > 2014 De Elegasten en Laïs zingen een gedicht van Nand

Bruidsnacht

Het gedicht “Bruidsnacht” van Nand uit 1941 werd tweemaal op muziek gezet.

De Vlaamse kleinkunstgroep “De Elegasten” waren de eerste in 1969. Zij behielden de originele versie van het gedicht. Het lied bevindt zich op hun LP “De Elegasten” (zonder specifieke titel), en opent de A-zijde:

Zoals vaak werd de familienaam verkeerd gespeld…:

Hun versie vind je hier:


Ook de  Vlaamse folkgroep Laïs nam “Bruidsnacht” op voor hun eerste CD “Laïs” uit 1998, die erg succesvol was. In 2014 speelde ze hun eerste CD volledig live in de AB (Ancienne Belqique, Brussel) tijdens het “Laïs  plays ‘Laïs’ Rewind Concert”. Hieronder het nummer “Bruidsnacht” zoals toen gebracht (met ondertitels Nederlands/Engels):

De tekst in de versie van Laïs:

Zij is naar ’t duin gegaan
Haar bruidskleed had zij aan
Baren gaan heen en weer
Sterren staan klaar

Eenzaam in doods gebied
Ontwaakt hij en hoort haar lied
Baren gaan heen en weer
Donker is ’t tij

Hij kwam uit zee naar ’t strand
Hij nam haar bij de hand
Baren gaan heen en weer
Sterren staan klaar

Donker duin
Donker duin
Sterren staan helder klaar
Zij rusten eeuwig
Bij elkaar

Toen in dat geurend kruid
Werd zij ’n gekroonde bruid
Baren gaan heen en weer
Donker is ’t tij

Hij nam haar met zich mee
Terug naar de brandende zee
Baren gaan heen en weer
Sterren staan klaar

Donker duin
Donker duin
Sterren staan helder klaar
Zij rusten eeuwig
Mm mm… Bij elkaar

Donker duin
Donker duin
Sterren staan helder klaar
Zij rusten eeuwig
Mm mm… Bij elkaar

Oorspronkelijke versie van het gedicht:

DE BRUIDSNACHT

Zij is bij nacht naar ’t duin gegaan,
haar ruischend bruidskleed had zij aan.
De baren gaan en keeren.

“Ik draag een kroon op mijn blinkend haar.,
het duin is donker, de sterren klaar.”

En eenzaam in zijn doodsch gebied,
ontwaakt hij en aanhoort haar lied.
De baren gaan en keeren.

“Draagt gij een kroon op uw blinkend haar?
Het duin is donker, de sterren klaar.”

Hij kwam uit zee naar ’t duister strand,
hij nam haar bij de bleeke hand.
De baren gaan en keeren.

“Van minne is mijn hart zoo zwaar,
het duin is donker, de sterren klaar.”

Toen, in den zeenacht, in ’t geurend kruid,
werd zij zijn gekroonde bruid.
De baren gaan en keeren.

“Het duin is donker, de sterren klaar:
wij rusten eeuwig bij elkaar.”

Hij nam haar in zijn armen mee,
en keerde terug naar de brandende zee.
De baren gaan en keeren.

Begeleidende illustratie door Nand op blz. 46:

Opmerkingen en auteurschap:

“Bruidsnacht” werd door Nand opgenomen in zijn bundel “Heervaart” uit 1941. In deze bundel bevindt zich ook het controversiële Hitlergedicht, iets wat hem op zijn proces zwaar werd aangerekend. Nand schreef hierover een verantwoording in zijn memoires, zie daarvoor de pagina “Strijd met de bezetter“. Toen ik onlangs telefonisch informatie over Nand vroeg aan Romain Vanlandschoot, auteur van de kritische en bekroonde biografie “Kapelaan Verschaeve” (1998) zei hij me: “Tja, dat gedicht kleeft als een stigma op zijn rug…”.
Toevallig verscheen de CD van Laïs en de biografie over Verschaeve in hetzelfde jaar…

Voor- en achterzijde CD “Laïs”, 1998:

In het begeleidend CD-boekje met alle teksten werd enkel de tekst van “Bruidsnacht” niet vermeld, meer nog, het bleek de tekst van een “Traditional/ Mysterious ballad”… (zie links bovenaan):

“Arr.: Laïs & Kadrill, M.: trad. Schots, T.: trad. /
WEDDING NIGHT: This mysterious ballad is about a young girl in her wedding dress, wandering in the dark dunes, longing for the sea.”

In 2004 verscheen een compilatiealbum “Documenta” (3CD) waarin “Bruidsnacht” ook was opgenomen in de afdeling “A Capella”., hier gedateerd als reeds opgenomen in 1996: “A capella 1996. The first recordings“. Onderaan rechts een verduidelijking: “A Capella recorded in C.C. Geel Belgium in 1996“.  Daar werd Nand wel als auteur vermeld, zij het… verkeerd gespeld (zie rechts bovenaan):

CD 3 “A Capella 1996”:

De a capella versie uit 1996 live in het Cultureel Centrum te Geel, de eerste die dus werd opgenomen voor Laïs het in 1998 uitbracht op CD met begeleiding,  klinkt zo:

(bij uitlezing verschijnt op het scherm als componist: “Traditional”…)

De tekst van “Bruidsnacht” werd ook opgenomen in het “Laïs Liedboek”, eveneens uit 2004 p. 56/57 (gesigneerd):

Het colofon vermeldt de tekst op p. 56 als niet van Laïs, echter zonder toewijzing:

In augustus 2000 heeft Sim éénmalig auteursrechten ontvangen,  zo schrijft ze in haar “Brieven aan Nand”: “Een verrassing kwam er met de afrekening van Sabam. ‘De Bruidsnacht’ heeft 9.000 Bfrs (= 225€) opgebracht – Het stemt me heel weemoedig dat jij het niet meemaakt”.
Hoe Laïs deze tekst op het spoor kwam is mij (voorlopig) onbekend. Misschien kenden zij de versie van “De Elegasten”?
Naast de publicatie in “Heervaart”, werd het gedicht ook opgenomen in de reeks “Vlaamse Pockets /Deltaland / Poëtisch erfdeel der Nederlanden” uit 1973, uitgegeven door “Heideland-Orbis / Hasselt”, p. 23:

(voor- en achterzijde)

“Bruidsnacht”, inhoudstafel en colofon:


Uit “Heervaart” zou Anton Van Wilderode trouwens ook het gedicht “Mijn lief staat in rijpend koren” voorlezen in zijn feestrede bij de viering van Nands 80ste verjaardag:

Mijn lief staat in rijpend koren,
de aren zijn hoog en licht;
mijn lief staat in waaiend koren
met de aren op haar gezicht

Zij grijpt naar de rijpe aren,
de aren zijn hoog en licht;
zij snoert in haar armen de aren,
en bergt erin haar gezicht.

Ik wacht bij de oude bomen,
de bomen staan in de wind;
ik hoor het geruis der bomen,
ik ben een boom in de wind.

Mijn lief roept in ’t rijpend koren,
de aren zijn hoog en licht;
lief, voelt gij in ’t waaiend koren,
mijn adem op uw gezicht?


In het archief vond ik een omwikkelde “Heervaart”, met daarop deze vermelding door Nand: “Heervaart / Niets meer publiceren dan wat  hier instaat / Het spreekkoor mag wegvallen“. O.a. de inleiding van de bundel, een portretfoto, het spreekkoor en het Hitlergedicht (te lezen op Schrijversgewijs), waren (begrijpelijkerwijze…) verwijderd. De bundel werd nooit herdrukt.

1959-1984 Sim als leerkracht

Na een tiental jaren als handelsvertegenwoordigster (1948-1959, zie deze pagina) vond Sim opnieuw werk als leerkracht (ze had al lesgegeven als beginnend leerkracht tijdens de oorlogsjaren, zie infra).

Op de pagina “Getuigenissen over Sim” zijn in het uitklapmenu verschillende interviews verzameld met collega’s en oud-leerlingen over haar jaren als leerkracht.

Uit het overzicht van haar dienstjaren blijkt dat haar eerste naoorlogse lesopdracht een interim was in de rijksmiddelbare school van Oudergem RMS (Brussel) vanaf 9 maart 1959.
Het was het begin van een hele odyssee van 12, meestal zeer korte, interims (soms niet meer dan een week) in verschillende scholen tijdens de periode 1959-1961 (in Sims handschrift), alle in het Rijksonderwijs (“RMS” = Rijksmiddelbare School):

De dienstjaren vermelden ook de 4 scholen tijdens de oorlogsjaren 1940-1944 waar Sim lesgaf: Menen, Vilvoorde, Mechelen en Hasselt. Telkens lange verplaatsingen. In Menen en Hasselt verbleef Sim toen op kamers  (zie verder).

Pas in 1961 kwam ze terecht in de school waar ze zou lesgeven tot haar pensionering en waar ze ook benoemd werd: het Maria-Assumptalyceum te Laken.

De beslissingen tot aanstelling voor de vele interims gebeurden steeds per telegram (alle zijn bewaard) en werden verstuurd door A. Meys, die toen directeur was bij het bestuur van ‘het middelbaar en normaalonderwijs’.” . Een voorbeeld van zo’n telegram (gericht aan “Vercnacke-Wolfs”!) toont dat Sim ad interim werd aangesteld te… Blankenberge, op zo’n 130 km van haar woonplaats (Weerde) – met verkeerd gespelde familienaam! Gelukkig heeft Sim dit kunnen afwimpelen (ze schreef erbij: “Geweigerd”).

En soms moest zo’n interim “onmiddellijk”… :

De naoorlogse loopbaan van Sim in het onderwijs verliep in het begin hortend en stotend, in het archief zijn talloze briefwisselingen bewaard aan bekende en minder bekende personen tot voorspraak om haar toch een betrekking te bezorgen. Zowel Nand als Sim deden beroep op hun (meestal vooroorlogse) contacten om “een goed woordje” te doen. Gezien hun verleden was dit voor hen begrijpelijk, de onzekerheid over een inkomen legde een grote druk op het gezin. Daarenboven moest nog een schuld afbetaald worden aan de Belgische Staat omwille van hun veroordeling (zie opmerking ‘sequester’ onderaan deze pagina).

Een selectie als voorbeeld.

Haar eerste aanstelling in maart 1959 te Oudergem kwam er o.a. na een schrijven aan Gaston Eyskens, toen Eerste Minister, die beloofde voor haar een goed woordje te doen, deze brief van hem is gericht aan R. Lambert. Dat was een oom van Sim, directeur van het Leuvense Kerkhof en later stadsgids van Leuven. Hij was een zoon van een zus van Sims moeder en kende Eyskens persoonlijk (zie de pagina “Interview met Sim over familie“):

Eerste brief van 23 maart 1959:

“Waarde Heer, Ik houd eraan U te laten weten dat ik niet heb nagelaten de zeer welwillende aandacht van de Heer Minister van Openbaar Onderwijs te vestigen op het geval van Mevr. Vercnocke-Wolfs. Ik hoop dat mijn tussenkomst zal mogen bijdragen tot het bijdragen van een goede uitslag en zal U ten gepasten tijde kennis geven van het nieuws dat ik omtrent deze zaak zal mogen vernemen. Met hoogachting (handtekening).”

Een jaar later, op 20 januari 1960,  volgt een tweede brief van Eyskens, ditmaal gericht aan Sim zelf:

“Mevrouw, Ik ontving goed uw brief van 15 januari jl. waarbij U om mijn steun verzoekt in verband met  uw kandidatuur voor de openstaande plaats van letterkundig regentes in de Rijksmiddelbare school te Oudergem. Ingaande op uw verzoek heb ik niet nagelaten andermaal de gans bijzondere aandacht van de Heer Minister van Openbaar Onderwijs op uw geval te vestigen. Ik heb tevens bij mijn Collega aangedrongen op de mogelijkheid om U in de bedoelde betrekking te benoemen met bijzondere welwillendheid zou worden onderzocht. Ik zal er verder zorg voor dragen U op de hoogte te houden van het gevolg dat aan mijn nieuwe interventie zal worden gegeven. Hoogachten (handtekening).”

In deze tweede brief, gedateerd op 20 januari 1960, verwijst Eyskens naar de school in Oudergem, hoewel uit Sims zelfgeschreven nota met “Dienstjaren” (zie hierboven) blijkt dat ze daar lesgaf van 9 maart 1959 tot 21 maart 1959. Misschien een wens van Sim om daar definitief aangesteld te worden?

Een bijkomend probleem was Sim haar diploma, dat ze behaalde via het ‘vrije’ (dus katholieke) net. Dat bemoeilijkte de zaken soms. Hier een brief van Nand aan Joseph Custers, die toen minister van Volksgezondheid en Gezin was (CVP) in de regering Lefèvre van 1961 tot 1965. Nand spreekt hem aan als “Achtbare  Vriend”, omdat hij hem nog kende uit zijn Leuvense studententijd. Custers was na de oorlog ook getroffen door de repressie (zie de link op zijn naam). Blijkbaar was het niet de eerste keer dat Nand op hem een beroep deed, getuige: “Mag ik (…) nogmaals…”, want hij had zijn studiegenoot ook al te hulp geroepen wegens de gevolgen van zijn gevangenschap:

“Excellentie, Achtbare Vriend, Mag ik, onze vroegere vriendschapsbanden inroepend, nogmaals uw bereidwilligheid een beroep doen. Ditmaan is het niet voor mij persoonlijk, mijn zaak zit in een (juridisch) slop, (de commissie voor het sekwester heeft toch eindelijk mijn geval tot zich getrokken). Het geldt ditmaal mijn vrouw, die als regentes een aanstelling poogt te krijgen in het officieel onderwijs. Zij wordt rijkelijk met interims bedacht, waar zij zich met werkelijk schitterende referenties van kwijt (zie bijlagen)… maar zij heeft een “vrij” diploma. Nu staan toch de zaken zo dat zij op het kabinet van Onderwijs een kans zou hebben om te Grimbergen aangesteld te worden, als aldaar een aanbevelingsschrijven toekwam van een Kath. Minister die niet de Heer Van Elslande mag zijn. Zo werd ons van bevoegde zijde bericht.
Wij hopen ten zeerste dat U dat (sic) een dergelijk gebaar U mogelijk zal zijn. Na al die jaren begint dat getroffen zijn zwaar te wegen. Mocht U verdere inlichtingen nodig achten, dan zij wij gaarne bereid op een door U te bepalen uur persoonlijk te woord te staan (sic). Met de verzekering van onze bijzondere achting; F.V.”

Deze brief dateert van 24 september 1961. Uit Sims “Dienstjaren” hierboven blijkt dat ze haar 16de (!) en laatste interim bekwam in Grimbergen, van 4 tot 14 september 1961. Nand schreef deze brief dus na de beëindiging van deze lesopdracht, in de hoop een “aanstelling” te bekomen. Bedoeld wordt: een vaste aanstelling die zou kunnen leiden tot een benoeming (zie ook de verwijzing hiernaar in de tweede brief van Gaston Eyskens).
Verder heeft Nand het over minister Van Elslande, die was toen minister van Cultuur en adjunct voor Nationale Opvoeding. Nand had blijkbaar de raad gekregen van niet rechtstreeks via hem te gaan.

Custers antwoordde Nand dat hij het verzoek had doorgespeeld naar zijn collega Victor Larock, in dezelfde regering Minister Van Onderwijs (socialistisch, en actief in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog…). Hij antwoordt zeer vriendelijk.
De twee brieven samengevoegd:

Antwoord Custers:

“In gevolge mijn aanbeveling bij mijn Collega, de Heer Minister van Nationale Opvoeding en Kultuur, van uw echtgenote, die zich kandidaat stelt voor een betrekking bij het Rijksonderwijs, mocht ik bijgaand voorlopig antwoord ontvangen. Ik wens er U goede ontvangst van en laat niet na U verder te berichten zo me enig nieuws toekomt. Hoogachten, Uw dw. (handtekening).”

Het antwoord van minister Larock aan ‘collega’ Custers:

“Waarde Collega, Betreft: Mevrouw Simone Vercnocke-Wolfs, die een betrekking van regentes letterkunde in het Rijksonderwijs solliciteert. Ik bericht U de goede ontvangst van uw aanbeveling en zal niet nalaten ervoor te waken dat de titels en de verdiensten van de door U gesteunde kandidate met bijzondere aandacht worden onderzocht. Inmiddels verblijf ik, waarde Collega, Uw dienstwillige (handtekening).”

Op 17 oktober 1961 vond Sim werk in de school waar ze tot aan haar pensioen in 1984 zou blijven lesgeven: het Maria-Assumptalyceum te Laken, zoals blijkt uit dit document van 1 september 1963 “Overeenkomst voor een gewone loopbaan”:

Haar vaste benoeming op deze school volgde op 1 september 1964, toevallig het jaar waarin Nand eerherstel kreeg…

In 1984 ging Sim met pensioen. Om haar pensioendossier in orde te krijgen moest ze alle scholen waar ze ooit les had gegeven aanschrijven om officiële bewijzen daarvan te verzamelen (ook de scholen tijdens de oorlogsjaren). Een hele klus, het kostte haar maanden. Zelfs de pensioendienst (Brussel, Zuidertoren) raakte soms het spoor bijster. In het archief getuigen de vele brieven en getuigschriften van dit intensieve zoeken, dat een ware calvarietocht werd voor Sim. Zelfs tot na haar pensionering: want aanvankelijk bleek dat het bedrag dat haar werd uitbetaald niet overeenstemde met de geleverde prestaties.
Tevens wordt duidelijk dat Sim gedurende haar hele loopbaan (en bij uitbreiding: haar hele leven!) elk belangrijk officieel document bijhield en netjes chronologisch ordende, wat haar vaak hielp bij betwistingen.

Getuigenissen over haar loopbaan van collega’s en oud-leerlingen zijn verzameld op deze pagina.

Hieronder beeldimpressies over haar loopbaan als leerkracht.


Foto- en filmgalerij:

Scholen tijdens oorlogsjaren 1940-1944 (zie “Dienstjaren” hierboven)

1940, 10 april: Telegram dat Sims eerste aanstelling als leerkracht bevestigt in de “Rijksmiddelbare jongenschool Meenen”, enkele weken later bezette Duitsland België en moest ze hals over kop naar huis, per trein, tegen de stroom in van vluchtelingen… (zie de pagina “Mei 1940: Het Dorp aan de Wingerbeek – de Duitse inval“).

1940: Sims klaslokaal in Menen:

1942-1944 RMS Hasselt: Sim verblijft er op kamers. Op de foto voor een bord met muzieklijnen: Sim speelde ook piano, zong en kon muziek partituren lezen. Sim vertelt hier over de gunstige getuigenverklaring van haar huisbazin en haar twee zonen die aangesloten waren bij het verzet.
Het was Filip De Pillecyn die, in 1941 benoemd als algemeen bestuurder onderwijs, in 1942 zijn fiat gaf over deze aanstelling. Zie hierover: “Sim en Filip De Pillecyn“.

1943-1944 RMS Hasselt: inspectierapport Sim

Maria Assumptalyceum 1961-1984

1962 Sim zittend rechts:

1963, 8 juni: Eerste steenlegging van het nieuwe schoolgebouw, Sim met hoed:

1964 Sim in de klas (er was geen uniform maar de meisjes moesten wel allen dezelfde nylon schort dragen). Sim gaf toen Nederlands: sommige leerlingen hebben het boek geopend op een pagina met een foto van Ernest Claes. Er hangen ook foto’s op van auteurs, maar te onduidelijk om te onderscheiden (midden links: Stijn Streuvels? Guido Gezelle?). Prominent in de hoek een “Gatenplant” (Monsterosa Deliciosa), Sim had er thuis ook enkele. Aan de muur twee schilderijen van Nand (links een polderlandschap) en twee koperen schotels die Sim nog bewaarde uit het ouderlijk huis te Sint-Joris-Winge en haar zeer dierbaar waren (zie onder deze foto):

De twee koperen schotels (nog steeds in familiebezit), motto’s van Sim: “Een gullen lach / Voor elken dag”, “Vroeg begonnen / Veel gewonnen” (met een zaaiende landbouwer):

 

1965: Film 8mm, 5 min. (zonder geluid, camera: Sim): leerlingen op bezoek bij Sim thuis (Weerde):

1965 Leerkrachten aan de ingang van de school, Sim uiterst rechts:

1965 Leerkachten met directrice Zuster Innocentia in het midden. Sim zittend 2de van rechts, links naast haar Gaby, met wie ze in 1971 de schoolreis zou gidsen naar Griekenland:

1971 Film 8mm, 20 min. (zonder geluid, camera: Sim en Gaby): schoolreis naar Griekenland. De groep bestond uit 40 personen: 38 leerlingen (5de en 6de jaars) en 2 begeleidende leerkrachten: Gaby en Sim. Deze leerlingen hadden in hun 2de en 3de jaar bij Sim les gevolgd. Gaby was hun huidige leerkracht Duits. Ter plaatse sloot ook nog een gids aan. De reis gebeurde met het reisagentschap “Fratelzon” via een vliegtuigcharter. Ook Sims dochter die aan dezelfde school les volgde naam deel.

1971 Griekenlandreis: Akropolis

1971 Griekenlandreis: Stadion van Delphi. Aanschouwelijk onderwijs: Sim als ‘winnares’ van de loopwedstrijd op de Pythische Spelen! :

1971 Griekenlandreis: groepsfoto in het Delphi Stadion, Sim links vooraan met donkere bril, Gaby (midden)  met zonnehoed en gids in de hand. 2de links van Gaby: Veerle, zus van Kristien Hemmerechts en 10de van rechts, zittend net voor de hoogste rij, Goedele, dochter van Sim:

Filmfragment Delphi Stadion dat de twee bovenstaande foto’s bewegend maakt:

Panoramafoto van het Delphi Stadion. Sim vertrok  op de stenen startlijn. De groepsfoto is rechts vooraan getrokken op de tribune:

(foto © @BHFieldSchool)

ca 1978 klasfoto op de speelplaats van de school

1979 + 1980, juni: Film 8mm, 17 min. (camera: Sim, zonder geluid): Personeelsfeest van de school ten huize Gaby & Sim: “Gabsim” (Weerde) viering einde schooljaar:

Inschrijvingslijst voor de “Gabsim” ad valvas in de school, 26 juni 1979. Sim schreef de rijmende uitnodiging, een collega maakte de poster:

1983 Film 8mm, 3 min. (camera: Sim, zonder geluid) leerlingen 3de jaar op bezoek ten huize Sim (Weerde):

1984 Film 8mm, 10 min. (camera: Sim, zonder geluid): Schoolreis Firenze, Italië. De reis vond plaats van donderdag 12 april tot en met woensdag 18 april. De groep bestond uit 43 personen: 37 leerlingen (laatstejaars) en 6 begeleidende leerkrachten, waaronder Sim. Zij had aan deze leerlingen les gegeven toen zij hun 2de en 3de jaar volgden. Het vertrek met de bus gebeurt aan de trappen bij de ingang van de school:

1984 Pensionering, alle personeel en directie, Sim vooraan in het wit:

1984: Speech Sim bij haar afscheid aan de school:


1983-1984 Laatste schooljaar voor pensionering. Inkijk in de schoolagenda van Sim van dat “afscheidsjaar”.

Links: titelblad, rechts de gebruikte handboeken in het 2de en 3de jaar:

Sims (laatste) lesrooster. 20 lesuren Geschiedenis in alle 2de en 3de jaars ASO (Latijnse en Moderne humaniora) en 1 lesuur “Wacht” (W), om in te springen bij ziekte of afwezigheid van een collega. De cijfers naast de klassen verwijzen naar de nummers van de klaslokalen.

De eerste lesdagen in september: In de 2de jaars werd de Romeinse tijd bestudeerd, in de 3de jaars de Middeleeuwen. En al meteen enkele overhoringen:

Links: periode van de proefwerken in april, met vermelding van de reis naar Firenze (zie hoger). Rechts: Sims laatste lesuren in juni voor het begin van de examens: herhalingslessen en tot slot het klaarmaken van het lokaal in “examensetting”. En dan: “Einde!”.

 

Bedankingskaartjes leerlingen bij afscheid:

3de Moderne:

Naast de (nu nog steeds) bekende spreekwoorden en uitdrukkingen, ook enkele unieke. Een selectie:

Ondanks de gemene streken, gemengde oh sorry, gemeende groeten van 3MD”
“Ik hoorde U zo vertellen over ‘Alea iacta est’ alsof het nu nog echt gebeurde!”
“Je bent een prachtexemplaar!”
“U als kathedraal moet met steunberen, losse bogen en al, gesteund worden.”
“Hier haast ik mij dan langzaam door de Middeleeuwen heen en zeg U: Dank U”
“Dank u voor het voorbije jaar. Vale (Latijn). Je ziet dat ik nog iets geleerd heb.”

3de Latijnse:

“Vale Simona! Amamus te. Utinam te revideamus. Tibi gratias agimus. Vale!”


Zowel Nand als Sim hadden een schuld af te betalen aan de Belgische Staat, zij stonden “onder sequester”.

Uit: Luc Huyse & Steven Dhondt, Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België, 1942-1952, Kritak, Leuven 1991:

““Een categorie apart is het sequester*. Strikt genomen was dat geen sanctie maar een preventieve maatregel die de uitvoering van de vermogens-straffen en van de schadevergoedingen moest verzekeren. De goederen van verdachten werden daartoe onder een stelsel van dwangbeheer gebracht tot het strafgeding beëindigd was en, bij veroordeling, tot aan alle geldelijke verplichtingen jegens de Belgische Staat voldaan was. Ook deze maatregel riep tal van juridische problemen in het leven: bijvoorbeeld over de rechtspositie van de gesequestreerde en over zijn handelingsbekwaamheid. Er werden 15.134 sequesterdossiers geopend.”

1950-2010 Sim: auto’s

(een leuke “auto-anekdote” uit 1933 staat onderaan, mét de stem van Sim)

De vroegste autofoto’s zijn deze van Sim op een uitje, Pasen 1948, met een bevriend koppel in een cabrio (een Lancia Aprilia Cabriolet uit het atelier van Ludwig Weinberger, München, bouwjaar 1937/1939 ) waarvan maar enkele gemaakt zijn. Ze reed toen nog niet zelf, dat zou pas een jaar later gebeuren.

Hier een oorspronkelijk model:

Wanneer Sim haar eerste eigen auto aanschafte komen we te weten in het interview dat ik van haar afnam in 1993. Toen ze eind december 1947 na een jaar vrijkwam uit het interneringscentrum te Vorst vond ze na een tijdje werk als reizend vertegenwoordigster voor de firma “Van Loo Biscuits & Chocolade”. Dat vereiste een rijbewijs. Het was de directeur van de firma die Sim in 1949 leerde autorijden “in een klein Fiatje” van de firma, waarmee ze de eerste tijd rondreed. Daarna kocht ze een eerste auto die ze afbetaalde. Dat was een VW-kever.
Hier haar relaas over haar prille rijervaringen, bij haar eerste reis kon ze nog niet achteruit rijden!

“Het kleine Fiatje, een bolhoedje” van de firma zal waarschijnlijk een Fiat 500 (“Topolino”) geweest zijn (geproduceerd tussen 1936 en 1955) waarmee Sim aanvankelijk rondreed.:

Haar eerste eigen auto was een Volkswagen Kever. Later zouden er nog verschillende volgen. De Kever komt regelmatig aan bod in de liefdesbrieven. Er bestaan enkel zwart-wit foto’s van, maar in liefdesbrief nr. 14 van 1 september 1950 schrijft Sim aan Nand:

“Tegen 10 september heb ik de nieuwe wagen (groene kleur) ‘k verkoos “wijnrood” maar ook thuis kregen ze een woordje mee te praten!”

1951 voor het huis waar Nand woonde te Gistel:

Een onderhoudsrekening voor de auto uit 1951. De factuur staat op naam van Sims zus. Dat had waarschijnlijk te maken met het feit dat Sim, gezien haar veroordeling, onder ‘sekwester’ stond, d.w.z. een schuld moest terugbetalen aan de Belgische Staat. Op die manier kon geen beslag gelegd worden…

Tijdens de verlovingstijd heeft Sim geprobeerd Nand het autorijden aan te leren, maar tevergeefs… hij was te bang!
In zijn woorden: “éénmaal, maar nooit meer!”
Nand zou altijd passagier blijven.

1952 Met Truda (rechts) de huishoudhulp, die oud-leerling was van Sim:

1956 Filmfragment (8mm) waarin Sims VW kever figureert (opname door Sim) tijdens de vakantie (juli) in “De Haan aan Zee”, Residentie “Littoral” (nu afgebroken):

In totaal zou Sim 5 VW Kevers ‘verslijten’ op 14 jaar (zonder ongelukken) omdat ze zoveel reisde voor haar werk en dus “heel wat kilometers” maakte.

1964 Borgward Isabella Coupé (een sportwagen, overgenomen van haar broer)

Sims moeder en zus, foto getrokken door haar broer:

Toen Sim de wagen overnam was hij wit geschilderd:

De  auto bood slechts comfortabel plaats aan twee volwassenen, op de achterbank konden de kinderen nog net plaatsnemen “als in een sardienenblikje”. Vaak wilden de versnellingen (aan het stuur) niet mee, wat een hels gekraak veroorzaakte…
Op cruciale ogenblikken vertikte de wagen soms te starten, met veel gevloek en getier tot gevolg…

Vakantie-uitstap naar Walcheren, aanschuiven voor de veerboot (1964):

Vergelijkbaar model (met converteerbaar dak):

Na de Borgward besliste Sim een grotere en zwaardere wagen te kopen, en vierdeurs, in de eerste plaats om Nand ter wille te zijn, die voldoende (been)ruimte en comfort wou.

1968 Mercedes 190

De wagen werd aangekocht als “directiewagen”, maar bleek na aankoop al betrokken geweest bij een ongeval… Na een lange lijdensweg kreeg Sim alsnog een gedeelte van de aankoopprijs terugbetaald. Kort daarna ging de dealer failliet, het bleek niet zijn eerste bedrog!

Damme, 1970:

Vertrek naar de luchthaven om te vertrekken op schoolreis naar Griekenland (1974):

Vergelijkbaar model:

1975 Toyota Crown (bijgenaamd “de tank”!):

Ikzelf die de auto inlaadt voor het vertek naar vakantie aan zee vanuit Weerde (1980). Nand komt even kijken naar mijn “werkzaamheden” (Sim filmt)…:

Vergelijkbaar model:

1991 Toyota Carina II

Sims laatste auto, ze zou er mee rijden tot 2010, ze was toen 91. Ze voelde zich niet zeker meer achter het stuur. Het was een moeilijke beslissing, omdat ze besefte dat ze nu een stukje vrijheid en ongebondenheid kwijtspeelde… En dat verdroot haar zeer, in haar eigen woorden: “Ik voel me geamputeerd…“..

Sim neemt afscheid van haar wagen, een ontroerend beeld:

Kilometerstand van de Carina II bij het afscheid: 145.271 na 19 jaar… De laatste jaren reed Sim slechts een 1000 km per jaar.

In haar meer dan 60 jaren als chauffeur had Sim slechts een tweetal ongelukken, telkens met lichte schade.


Anekdote:

In 1933 mocht Sim, toen 13, mee in de Ford van haar oom Albert: ze reden naar Banneux, waar op dat ogenblik de Maria-verschijningen plaatsvonden.  In het interview dat ik van Sim afnam in 1993 bij het bladeren door rouwprentjes van de familie vertelt ze over “haren nonkel” Constant-Albert Crabbé en zijn auto’s, vaak maakte hij grote reizen, bv naar Amerika, vandaar “mon oncle d’Amerique”, en er is ook een ongelukkige liefde…

 

Constant-Albert Crabbé (18 november 1883 – 12 maart 1936) verongelukt met zijn auto op de Leuvense Steenweg te Veltem-Beisem, alle vier inzittenden op slag dood. Broer van Sims moeder.

     

Hier doet Sim het verhaal over deze man (interview 1993), de broer van haar moeder en peter van haar broer (uit het hoofd draagt ze ook het gedicht voor dat haar broer toen voor zijn peter schreef) en brengt hem zo even opnieuw tot leven:

(Over hem als “jachtopkoper” schrijft Sim ook in “Het Dorp aan de Wingerbeek” manuscript pagina XV / 15)

Dat het ongeluk van haar oom een diepe en blijvende indruk naliet bewijst deze opmerking van Sim in haar dagboek van 12 maart 2010 (= 74 jaar later!):

“1936 Oom Bert verongelukt in Veltem Beysem. Ik was in Heverlee en Pa kwam mij halen – Een trieste herinnering en toch geen benauwenis”.

80 jaar later, in 2013, bezocht ik met Sim, opnieuw Banneux, voor haar (en voor mij) een emotioneel moment. We hebben dan samen enkele kaarsjes gebrand aan het heiligdom voor de familie.

1950-1989 Nand: Schilderkunst

Vernissage Nand 1987, Abdij Grimbergen:

Handtekening op doek (olieverf):


1969-1970 (zie DBNL tijdschrift “Vlaanderen”, jaargang 1970 p. 344):

“Tijdens het seizoen 1969-1970 stelde Ferdinand Vercnocke zijn schilderwerk tentoon te Keerbergen (zaal Bloemendaal), te Brussel (V.T.B.-studio Rik Wouters) en in het Rogiercentrum, zaal Descartes (Kunst in Europa). Enkele van zijn marines werden geselekteerd voor de finale groepstentoonstelling in het Stadsmuseum van Luik.”

Bezoek van (toen nog Prinses) Paola, tentoonstelling Europese Kunstenaars, Brussel:


OVERZICHT (niet volledig)

Alle schilderijen hieronder: olie op doek, tenzij anders vermeld. De collectie omvat een 300-tal schilderijen, slechts een 80-tal is nog in familiebezit.  Onderstaande afbeeldingen ook van verkochte doeken. Sommige foto’s van mindere kwaliteit, omdat het kopieën zijn van soms kleine, gefotografeerde originelen. Ook de kleuren zijn soms niet in overeenstemming met het origineel…

1950-1960 (te donkere foto’s)

Strand (100x80cm)

Polder (80x100cm)

Polderhoeve (80x60cm)

(80x60cm)

(80x60cm)

Zwin (100x80cm)

Staketsel (60x100cm)

Veerman (110×75)

Houthakker (100x80cm)

Boeteprocessie (120x80cm)

Boeteprocessie (2) (120x80cm)

Praalgraf (120x80cm, olie op hout)

Karel De Stoute (Praalgraf) (olie op hout 120x80cm)

Antwerpen Steen (80x60cm)

Poldermolen (80x60cm)

Magog (120x80cm, betekenis zie: “Gog en Magog“, enkel zwart/wit kopie gevonden)

1962

Kerstgedachte (80x60cm)

Madonna (80x60cm)

Ruimtetijdperk (80x70cm)

Charlemagne (60x40cm)

Branding (100x80cm)

1964

(Vier Ruiters van de) Apocalyps (120x100cm)

1965

Vliegenier (100x80cm)

1967

Marine (100x80cm)

 

1970

Sint-Hubertus (100x80cm)

1972

Geboorte (Putto) (80x60cm)

Putto (2) 80x60cm)

1975-1985

Mens onder de mensen (100x80cm)

Landing op Mars (100x80cm)

Astronaut (100x80cm)

Hiroshima (100x80cm)

Contestatie (100x80cm)

Marine (80x60cm)

Vloed (80x50cm)

Branding (100x80cm)

(80x60cm)

Sint-Michiel (Brussel) (120x80cm, olie op hout)

Staketsel (80x60cm, olie op hout)

Paaseiland (Moai) (80x60cm)

De Judaskus (100x80cm)

(Man van) Belfort (Brugge) (80x60cm)

Man van het Westen (Belfort 2) (80x60cm)

Man van Belfort (3) (80x60cm)

Toetanchamon (80x60cm)

Heilige Goedele (Brussel) (120x80cm)

Sint-Michiel (2) (100x80cm)

Herakles (80x60cm)

Pax Tibi (100x80cm)

Assyrië “Persepolis” (100x80cm)

Assyrië (100x80cm)

Assyrië / Faravahar Ahura Mazda “Nirwana” (100x80cm)

(Assyrië) 100x80cm)

(Peter Paul) Rubens (100x80cm)

Het Schegbeeld (100x80cm)

Het Schegbeeld (2) 100x80cm)

Muur (100x80cm)

Sloep (100x80cm)

Damme (80x60cm)

Zeewijding in Venetië (100x80cm)

Echnaton (80x60cm)

Echnaton (80x60cm)

Charlemagne (80x60cm)

(Giordano) Bruno (100x80cm)

Giordano Bruno (100x80cm)

Maskers (100x80cm)

Viking (100x80cm)

Vlieger (100x80cm)

Sinterklaas ontheemd (100x80cm)

Pegasos (80x60cm)

Seraf (80x60cm)

Divina CommediaUta / Dante / Béatrice) (100x80cm)

Uta (80x60cm)

(80x60cm)

Bach – Beatles (100x80cm)

Beethoven – Nirvana (100x80cm)

Buccentaur (100x80cm)

Golfbreker (100x80cm) (Stadhuis Zemst)

Kust (100x60cm)

Marine (100x80cm)

Zonneruiter (100x80cm)

Winterhoeve (80x60cm

Prometheus (100x80cm)

Prometheus Geboeid (100x80cm)

Copernicus (100x80cm)

Stilleven (80x60cm)

Golfbreker (100x80cm)

Stilleven (80 x 60cm)

Christos (100x80cm) (Priester-Arbeider)

Golgotha (100x80cm)

Masker (100x80cm)

Ridder (100x80cm)

Overleven (Egyptisch zelfportret) (80x60cm)

Charlemagne / Zelfportret(80x60cm)

Zelfportret (80x60cm)

1948 Sim als zangeres en actrice

ALS ZANGERES

“Posa la mano sul mio core, mio tenero amore…”


Inleidend muziekje uit 1936 om de sfeer te scheppen …

“Vrouwen zijn het mooist in ons leven” (“Frauen  sind so schön wenn sie lieben”, 1936 – Tango)

Hier en daar wijkt de Nederlandse tekst af van het Duitse origineel (“von ihren lokkend süßen Küssen” wordt bv. “en ze allemaal vergeten” en “Ja, sie strahlen wie Sterne, denn Liebe verschönt ihre Züge, man verzeiht ihnen gerne, denn Liebe verschönt manche Lüge” wordt: “Voor de liefde der vrouwen verloor een man zijne zinnen, en eenmaal na het trouwen wilt hij opnieuw gaan beginnen). De identiteit van de vertaler/vertaalster  werd nog niet gevonden.

Eerste strofe (tweede strofe: zie partituur):

Ik zei meermaals reeds:“Nu is ’t voorbij,
‘k Wil van de vrouwen niets meer weten.
En ze allemaal vergeten,
Nooit was een enk’le vrouw me trouw.”
En trots dien eed, is ’t onmog’lijk
‘k Blijf minnen tot ik ben versleten.
Want er is op de aard niet eene man,
Die toch zonder liefde kan.
Vrouwen, zijn het mooist in ons leven,
Heeft een Dichter geschreven,
Dat is werkelijk waar.
Vrouwen, zijn het mooist in ons leven,
Waar wij alles voor geven,
Alleen uit liefde voor haar.
Voor de liefde der vrouwen
Verloor een man zijne zinnen,
En eenmaal na het trouwen
Wilt hij opnieuw gaan beginnen.
Ich schwur mir zu: Nun ist’s vorbei!
ich will von Frauen nichts mehr wissen,
von ihren lokken süßen Küssen,
denn keine einz’ge war mir treu.
Aber schon bald sach ich es ein:
Man kann sie leider doch nicht missen!
Denn sicht eine Frau so zärtlich uns an,
dan widersteht doch kein Man!
Frauen sind so schön, wenn sie lieben,
hat ein Dichter geschrieben,
und das hören sie gern!
Frauen sins so schön, wenn sie küssen,
und weil alles dies wissen,
darum küssen sie gern.
Ja, sie strahlen wie Sterne,
denn Liebe verschönt ihre Züge;
man verzeiht ihnen gerne,
denn Liebe verschönt manche Lüge.

 

Een Duitse versie die de partituur trouw volgt, gezongen door Henry De Winter (°1959), een hedendaagse zanger die zich specialiseert in de muziek van de 20er, 30er en 40er jaren:


Het is pas na het ontrafelen van Sims archief dat bleek wat ze opgaf na haar huwelijk met Nand. Het is alsof er een tijdscapsule wordt geopend die  een periode openbaart waar Sim bijna nooit over sprak. En als ze dat toch deed was dat, ietwat schamper lachend, als: “mijn jeugdzonden”.
Over het waarom daarvan en de contrasten met het dramatische wereldgebeuren in die tijd wordt dieper ingegaan op de pagina X.

De merkwaardigste vondst was een muzieknotatie schrift uit 1934, Sim was toen 14. Op de eerste bladzijde: een lied op tekst van haar broer (“Opsteller”) voor de plaatselijke voetbalclub”Winghe Vooruit!” waar zij de muziek voor componeerde én noteerde, gedateerd: 4 Maart 1934. Op de titelbladzijde is, niet verwonderlijk, “Cahier de Musique” doorstreept voor “Muziek Schrift”:

Als puber maakte ik ooit een geluidsopname van een zingende Sim (Kerst 1970), in de doos dook haar zelf uitgeschreven partituur van dit liedje op. Het betreft “Wer einmal verliebt war”, dat Sim toen uit het hoofd zong. Het gebeurde niet vaak, maar het was altijd een belevenis. Zie verder op deze pagina een filmpje van een zingende Zarah Leander, dat geeft een idee van Sims “performances”.

Opname Sim 1970 (je kan de tekst volgen door op de partituur te klikken):

Het lied dateert van 1934, een Engelse Wals (Gerhard Mohr/ Ewald Walter), hier gezongen door Walter van Lennep en het dansorkest van Fritz Domina:


Er is een hele doos met partituren en liedjesverzamelingen, evenals boeken over pianolessen. Bijna alles is getekend met haar naam en woonplaats: ‘Sint-Joris-Winge’. Daarenboven vertonen vele boeken en partituren sporen van intensief gebruik, er werd dus vaak gespeeld en gezongen. Sommige partituren zijn op verstevigend karton geplakt om mooi recht te staan op standaard of piano tijdens het spelen en/of zingen.

Een, ietwat wazige, foto van Finneke, Sims zus  aan de piano thuis in Sint-Joris-Winge in 1939, herkenbaar omwille van haar specifieke jurk:

(Op de piano het (opengevouwde) rouwprentje van de verongelukte Oom Albert, links daarvan de trouwfoto van Sims ouders. Achter Finneke waarschijnlijk Sim, luisterend met een foto-album in de hand, tenzij zijzelf de fotograaf is.)

De partituren schetsen een goed beeld van Sims wereld voor ze Nand leert kennen, een wereld die bol staat van romantiek en “Weltschmerz” als we de titels doornemen. Het is iets dat we ook terugvinden in Sims “Celdagboeken” uit 1944 en later in haar “Brieven aan Nand” (1989-2007): telkens als ze een film terugziet met de liedjes uit die jaren vloeien de tranen.

De verzameling is zeer omvangrijk. Heel wat Duitse liederen, maar ook Franse, Italiaanse, Nederlandse, Vlaamse en Engelse songs vaak gezongen door de sterren van toen: Marika Rökk, Zarah Leander, Tino Rossi, Rina Ketty, Maurice Chevalier, etc., naast liedjes die op zichzelf bekend zijn zonder daarom specifiek met een zanger of zangeres verbonden te zijn, bv. “M’n Tante Veronika, een nieuwe wereldschlager” (1936/1938):

1938: Willy Derby zingt “M’n Tante Veronika” (de Nederlandse tekst wijkt af van de “Vlaamsche”):

Er zijn een hondertal tweebladige partituren (24x18cm), vaak met een lied uit een zeemzoete film. De voorkant meestal met titel, zanger/zangeres of een scène uit de film en de vertaler(s). Op de achterzijde vermeldt de verdeler een lijst met beschikbare titels. De partituren zijn te dateren tussen 1936 en 1943. De “jongste” dateert van oktober 1949.

Twee lijsten met titels die de sfeer scheppen. Naast de titel ook het type: tango, wals, fox-trot, etc. De meeste vermelde partituren had Sim in bezit.:

Sommige liedjes werden vertaald om in het Nederlands én Frans gezongen te worden, bv deze “Etoile de Rio”/”Ster van Rio”, oorspronkelijk een Duitse film “Stern von Rio”:

De filmliedjes komen vaak uit UFA-films en vermelden “Deze uitgave mag alleen in België verkocht worden”. De UFA studio, gesticht in 1917, was de belangrijkste in Duitsland. Na de nationaal-socialistische machtsovername werd de studio een krachtig propagandamiddel (bv. met de wekelijkse ‘Deutsche Wochenschau”, die ook in de bezette gebieden getoond werd).

Enkele voorbeelden van partituren:

Marika Rökk (1913-2004): “Ik wil toch zoo gaarne” (Hab mich lieb), “Als de lente komt” (Wenn es Frühling wird), “Niets als muziek! muziek! muziek!” (Ich brauche keine millionen), “Zoo schoon als nu, zoo moet het blijven” (So schön wie heut’ so müss es bleiben):

Marika Rökk zingt “Ich brauche keine millionen” in de film “Hallo Janine” , 1939:

Zarah Leander(1907-1981): “Waarvoor om liefde weenen” en “Kan de liefde zonde zijn?” (1938):

Binnenblad van “Kan de liefde zonde zijn?”:

Zarah Leander zingt “Kann die Liebe Sunde sein?”, een voorbeeld waar Sim zich aan spiegelde:


Kann die Liebe Sünde sein?
Darf es niemand wissen
Wenn man sich küsst
Wenn man einmal alles vergisst
Vor Glück?
Kann das wirklich Sünde sein
Wenn man immerzu an einen nur denkt
Wenn man einmal alles ihm schenkt
Vor Glück?
Niemals werde ich bereuen
Was ich tat
Und was aus Liebe geschah
Das müsst ihr mir schon verzeihen
Dazu ist sie ja da
Liebe kann nicht Sünde sein
Auch wenn sie es wär’
So wär’s mir egal
Lieber will ich sündigen mal
Als ohne Liebe sein
Jeder kleine Spießer macht
Das Leben mir zur Qual
Denn er spricht nur immer von Moral
Und was er auch denkt und tut
Man merkt ihm leider an
Dass er niemand glücklich sehen kann

Sagt er dann
„Zu meiner Zeit
Gab es so was nicht!“
Frag’ ich voll Bescheidenheit
Mit lächelndem Gesicht
„Kann die Liebe Sünde sein?
Darf es niemand wissen
Wenn man sich küsst
Wenn man einmal alles vergisst
Vor Glück?“
Kann das wirklich Sünde sein
Wenn man immerzu an einen nur denkt
Wenn man einmal alles ihm schenkt
Vor Glück?
Niemals werde ich bereuen
Was ich tat
Und was aus Liebe geschah
Das musst du mir schon verzeihen
Dazu ist sie ja da!
„Hallo, gnädige Frau
Hierher sehen
Hier ist die Sünde“
Liebe kann nicht Sünde sein
Auch wenn sie es wär’
So wär’s mir egal
Lieber will ich sündigen mal
Als ohne Liebe sein

Speciale vondst: De handtekening en groet van Zarah Leander zelf (“Meinen Freunden / mit einen herzlicher Grüss”) in haar groot Liedboek, 40 blz., 30x24cm (12 liederen met partituren uit 12 films en 12 portretten). Met rechts bovenaan de tekst “Sim Wolfs, Winge Paschen  1941“, daaronder een stempel van haar vader Juul Wolfs met adres en handelsregisternummer (hij was brandstoffenhandelaar). Waarschijnlijk zijn dit vooraf gesigneerde boeken die te koop werden aangeboden. Zarah Leander was een Zweedse, die erg populair was, ook in Duitsland waar ze nog tijdens de oorlogsjaren optrad, zie de link op haar naam voor haar biografie en haar relatie met het regime toen (met een opmerkelijke anekdote over haar ontmoeting met Goebbels).


De “Lambeth Walk“, “Chanté et dansé par Nita Raya dans le Revue du Casino de Paris avec Maurice Chevalier, de la Comédie musicale ‘Me and My Girl'”(1938)  én een weergave van de danspasjes “Comment danser “Le Lambeth Walk”:

Uit “Me and My Girl”, 1939: The Lambeth Walk:

(ps: het lied speelde een opmerkelijke rol voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, zie de link hierboven)


“Ik hou van Holland”, “Het plekje bij den molen”, “Bij ’t deurke stond een meisje”:

1937: Joseph Schmidt met “Ik hou van Holland”:

“Wanneer zult gij weer bij mij zijn?”, “Nu zal je altijd bij mij zijn”, “Dat moet je niet doen! (Amalia)” gedateerd op “Oogst 1938”, toen Sim nog regentaat volgde:

Een 78 toeren opname ca 1940 van “Dat moet je niet doen Amalia” door Albert de Booij:

“Garde-moi ton amour” op karton geplakt, en veelvuldig gebruikt:

Dit liedje uit de film “Après l’amour” (1931):

Een ode aan Raymond Braine, de bekende voetballer: “De Nieuwe voetbalmarsch: Hup, Hup, Hup!, aan onzen wonderbaren footballer!” (1938):

“Adieu Hawaï”/”Goodbye Hawaï” (1935) door Tino Rossi (1907-1983) en “Poney, Poney!”/”Horsey, Horsey!”:

“Adieu Hawaï” door Tino Rossi:

“Hei, Hei, Meisjelief” en “We gaan de wijde wereld in”:

“Hei hei meisjelief” door ‘The Kilima Hawaiians’


Waarschijnlijk Sims laatste aanwinst, “Op 21 October 1949”: “Everybody’s Favorite Grand Opera”, met Aïda, Carmen, Faust, etc. Een groot en lijvig boek van 224 blz. partituren.


Uitsmijter. Sim zingt “La Folletta” (“Die Lustige”/”The Merry Lady”) van Salvator Marchesi in het Italiaans, uit het hoofd, eveneens uit de geluidsopname van 1970.
“Posa la mano sul mio core, mio tenero amore…”, “Laat je hand rusten op mijn hart, mijn tedere geliefde…”. Deze beginregel verwoordt misschien best het karakter van Sim, haar romantische ziel, haar ‘Weltschmerz’.
Ik heb de video voorzien van een Engelse vertaling, de foto van Sim voor haar VW-kever dateert van ca 1950/1951:


ALS ACTRICE

Enkel uit de liefdesbrieven kunnen we afleiden dat Sim ook toneel speelde, zeer tegen de zin van Nand. Op zijn vraag gaf ze dat op. Uit de brieven blijkt dat ze inzag dat Nand gelijk had, maar het valt te betwijfelen of dat ten diepste wel zo was. Uiteindelijk gaf ze ook haar leven op zoals ze dat gewoon was tot voor ze Nand leerde kennen, bv het schrijven van poëzie, ze vond haar persoonlijke creativiteit minderwaardig, zie daarvoor de inleidende beschouwingen bij de liefdesbrieven.

Uit die brieven ook enkele fragmenten over die keuze:

Sim, brief 12:

‘k Gaf ontslag bij de toneelgroep – ben anders hoffelijk verplicht zondag te offeren.. Openluchttheater te Maaseik. Davidsfonds geloof ik…

Nand antwoordt, brief 12:

Het stemt mij ook tot dankbaarheid dat je bij den toneelgroep ontslag hebt ingediend. Ik hoop dat het voor jou geen al te grote beroving zal betekenen niet meer op de planken te verschijnen? Ik zal mij inspannen om je dit verlies veel-veelvuldig te vergelden.

In brief 63 schrijft Sim hoe ze nog worstelt met het opgeven van haar optredens:

Waarom worden we al te dikwijls door vreemde krachten van een schoon vooropgesteld doel weggerukt, bijna willoos. Zo weet ik dat jij zondag bij mij zijn moest, ik bij jou, en nochtans vond ik mezelf in een onooglijk gemeentezaaltje een tranerig zoet toneeltje vertolken… Je zal weer eens meewarig glimlachen zoals jij alleen dat kunt, bij mij bewering maar zondag e.k. wordt het definitief de laatste vertoning. Ik heb zulks zeer kordaat Hens en Co diets gemaakt, niet dat ik het aldus vroeger vergat. Je weet hoe ik nu eenmaal in die conventioneel toegeeflijke wereld bewoog. Ja ik zal een verleden tijd gebruiken. Sinds ettelijke maanden, (bijna zeven!) word ik losgerukt uit die wereld. Ik schreef het je en zegde het reeds dikwijls, Nand,  al sta je soms nog zeer sceptisch tegenover bepaalde resultaten van mijn pogen.

Antwoord van Nand, brief 64:

In verband met jou toneelspelen heb ik je gevraagd of je dat als een eigen kunsttaak opvatte, een “beroep” waaraan je niet kon verzaken : je hebt geantwoord : neen. In dat geval kan ik moeilijk begrijpen hoe je er toe komt nog te gaan spelen – de vergoeding is immers belachelijk. Je roept je “goed hart” in .. Ik herken graag dat je een goed hart hebt .. maar laat het ook eens denken aan mijn werkloze “zeemansarmen” ! Ik neem nota van je verklaring dat je besloten hebt niet meer mee te spelen – en dit met (zoals dat in dergelijke zinswendingen past) grote voldoening. 


 

1948 Nand: Over het scheppingsproces van het kunstenaarschap

Citaten in het Poëtisch Celdagboek van Nand uit het filosofisch essay “Les Abeilles d’Aristée” van Wladimir Weidlé (1936), o.a. ééntje van John Keats, zie 2de gedeelte van dit hoofdstuk.
Neergeschreven in de gevangenis van Merksplas (1948).

De keuze van deze citaten zegt veel over het denken van Nand, en bij uitbreiding over het scheppingsproces van de kunstenaar, daarom sta ik hier wat langer bij stil. Het is ook een visie waarin ik me kan vinden.

Onderaan deze pagina nog een bijzondere toevalligheid over dit boek.

Wladimir Weidlé (ou Vladimir Weidlé “né le 1er mars 1895 à St-Pétersbourg (Russie), et mort le  à Paris (France), est un critique d’art et littéraire russe d’expression russe et française”.

Uit: “Les abeilles d’Aristée : Essai sur le destin actuel des lettres et des arts, Paris, Desclée de Brouwer, 285pp.,

(De titel is een verwijzing naar de mythe van Aristaios (Oudgrieks: Ἀρισταῖος) of Aristaeus (Latijn), een figuur uit de Griekse mythologie. Aristaios is een satyr en zoon van Apollo en de nimf Kyrene:

“Zijn bekendste optreden is wellicht in de mythe van Orpheus, waarin hij de mooiste waternimf Eurydice belaagt en opjaagt, met als gevolg dat ze in haar vlucht op een slang trapt die haar een dodelijke beet toebrengt. Hierop nemen de andere nimfen wraak. Ze straffen Aristaios, die imker was, door al zijn bijen te doden. Aristaios kon niet verklaren waarom zijn bijen plots stierven, en zijn moeder stelde voor bij Proteus te rade te gaan. Hier komt Aristaios te weten dat het een straf is voor zijn poging tot aanranding van de nimf Eurydice. Als boete zal hij vier koeien, vier stieren, een kalf en bloemen moeten offeren aan de manes van Euridice. Negen dagen na het offer groeiden uit de kadavers van die runderen nieuwe bijenzwermen“.

Weidlé wil hiermee suggereren dat, hoewel hij pessimistisch is over de  kunstproductie in zijn tijd, een ‘renaissance’ of heropstanding van de kunst mogelijk is, net zoals de bijen van Aristaios.
Niet verwonderlijk dat de titel alleen al Nand aansprak, hij hoopt voor zichzelf hetzelfde: opnieuw opstaan uit de puinen van wat zijn leven op dat ogenblik geworden is.

Nand neemt uit dit boek verschillende fragmenten op, ook een door Weidlé aangehaalde verwijzing naar de dichter John Keats (zie verder). Ik heb via een antiquariaat een eerste druk uit 1936 kunnen bestellen, omdat ik de exacte pagina’s die Nand vermeldt wilde opzoeken. De 2de druk verscheen in 1954, de 3de in 2004, telkens uitgebreid. De laatste druk telt bijna 170 pagina’s meer dan de eerste.


De overgenomen citaten zijn blauw ingekleurd, vaak gaat de aandacht van Nand, niet verwonderlijk,  naar “het mythische” aspect van kunst en poëzie in het bijzonder (Nederlandse vertaling na de fragmenten):

(p.52) La fiction poétique cessera d’exister et se changera en fiction tout court le jour où elle rompra définitivement avec le mythe, avec la pensée créatrice des mythes, que l’autre, la pensée discursive ne remplacera jamais. “Nous ne concevons plus – a dit François Mauriac – une littérature romanesque détournée de sa fin propre qui est la connaissance de l’homme”. C’est peut-être vrai, mais il y a plus d’un mode de connaître, et
la pensée mythique seule sait concilier connaissance et création.  C’est précisément par sa nature illogique et irrationnelle que la faculté de créer les mondes imaginaires est une nécessité de l’art, et il est tout naturel que sa décadence doive amener le divorce de l’art et de l’artiste, la solitude irrémédiable de l’âme créatrice. L’art n’est pas une affaire de raison et de logique, mais bien d’intuition indissociable et de foi totale. Le crépuscule des mondes imaginaires est dû au fléchissement de cette foi ; il signifie la ruine d’un des fondements essentiels de l’art et de toute création humaine.

(p.58)  Émile Legouis a eu raison de se demander à propos de Shakespeare: “Comprenait-il Hamlet analytiquement ?” – et de répondre : “L’horloger comprend la montre qu’il a faite. Le père ne comprend pas l’enfant qu’il a engendré”.
L’artiste cherche la vérité et non pas la vraisemblance ; ce qu’il imite, ce n’est pas la vie, ce sont les forces qui créent la vie.
Le romancier

[il] n’est pas un copiste de la nature,
il est, comme Mauriac l’a dit une fois de plus, “le singe du Créateur”.

Les forces avec lesquelles il collabore en créant ses personnages sont celles qui, depuis toujours, ont présidé à toute création
.

(p. 66) La substitution du “type” analytique à la personnalité vivante et inanalysable a contribué grandement à la décomposition du roman en tant que forme d’art et genre littéraire. L’art, comme dans beaucoup d’autres domaines de la civilisation contemporaine, y a été contaminé par la science, et bien souvent encore une science de seconde main.

(p. 226) Plus notre connaissance devient abstraite et nos sentiments différenciés, et plus nous désirons la totalité primitive de la contemplation et de l’expérience. Plus l’art qui nous entoure évolue vers l’artificiel et le cérébral, et plus nous avons la nostalgie d’un art spontané, enfantin, inconscient de sa propre perfection.

(p. 251) Le retour à la terre, comme le retour à l’enfance, est avant tout une manière de chercher le miraculeux, d’avoir soif du monde mythique dont on prend connaissance comme d’une réalité au lieu de l’inventer comme une fiction qui n’engage à rien.

(p. 257) La psychanalyse est la tentative le plus largement conçue et la plus systématique de mécaniser l’inconscient, de réduire le rêve, l’amour, la vie psychique autre que celle de la raison, la création des mythes, les processus créateurs dans les arts et les lettres au fonctionnement régulier d’un mécanisme intérieur.


Vertaling (met hulp van Google Translate, dus soms wat letterlijk…):

(p.52) Poëtische fictie zal ophouden te bestaan ​​en zal helemaal in fictie veranderen op de dag dat die definitief breekt met de mythe, met het denken dat mythen creëert, die de andere, discursieve gedachte nooit zal vervangen. “We bedenken niet langer – zei François Mauriac – een romanliteratuur die is afgeleid van zijn eigen doel, namelijk de kennis van de mens”. Dat mag dan waar zijn, maar er is meer dan één manier tot kennisname, en alleen het mythische denken weet kennis en schepping met elkaar te verzoenen. Juist door zijn onlogische en irrationele aard is het vermogen om denkbeeldige werelden te creëren een noodzaak van kunst, en het is niet meer dan normaal dat het verval ervan leidt tot de scheiding van kunst en de kunstenaar, tot eenzaamheid, dat onherstelbaar deel van de creatieve ziel. Kunst is geen kwestie van rede en logica, maar van onafscheidelijke intuïtie en totaal geloof. De schemering van de denkbeeldige werelden is te wijten aan de verzwakking van dit geloof; het betekent de ondergang van een van de essentiële fundamenten van kunst en van de hele menselijke schepping.

(p.58) (Émile Legouis had gelijk toen hij zich afvroeg over Shakespeare: “Heeft hij Hamlet analytisch begrepen?” – en daarop antwoordt: “De horlogemaker begrijpt het horloge dat hij heeft gemaakt. De vader begrijpt het kind dat hij verwekte niet”.)
De kunstenaar zoekt de waarheid en niet de plausibiliteit; wat hij imiteert is niet het leven, het zijn de krachten die het leven creëren.

(De romanschrijver)
[hij] kopieert de natuur niet,
hij is, zoals Mauriac nogmaals zei, “de aap van de Schepper”.
De krachten waarmee hij samenwerkt bij het creëren van zijn personages zijn degenen die altijd de hele schepping hebben geleid.

(p. 66) De vervanging van de levende, niet-analyseerbare persoonlijkheid door het analytische ’type’ heeft in grote mate bijgedragen tot de ontbinding van de roman als kunstvorm en literair genre. Kunst is daar, net als op veel andere gebieden van de hedendaagse beschaving, verontreinigd door wetenschap, en vaak nog steeds tweedehands wetenschap.

(p. 226) Hoe abstracter onze kennis wordt en onze gevoelens gedifferentieerd, hoe meer we verlangen naar de primitieve totaliteit van contemplatie en ervaring. Hoe meer de kunst om ons heen evolueert naar het kunstmatige en het cerebrale, hoe meer we heimwee hebben naar een spontane, kinderlijke kunst, niet bewust van haar eigen perfectie.

(p. 251) De terugkeer naar het land (de aarde) is, net als de terugkeer naar de kindertijd, bovenal een manier om het wonderbaarlijke te zoeken, om te dorsten naar de mythische wereld waarvan we kennis nemen als een realiteit in plaats van die uit te vinden als iets fictioneel dat er niets toe doet.

(p. 257) Psychoanalyse is de meest wijdverbreide en meest systematische poging om het onbewuste te mechaniseren, om dromen, liefde, psychisch leven te reduceren tot enkel het domein van de rede, het creëren van mythen, de creatieve processen in de kunsten en de literatuur tot de reguliere werking van een intern mechanisme.


Over John Keats (1795-1821) en “Negative capability” (“capacité négative”), citaat in het Frans (p. 173-174) omcirkeld in rood potlood, wat wijst op het belang dat Nand hieraan hecht:

5de Hoofdstuk: “Herstel of Wederopstanding?” en daaronder een citaat van de Spaanse dichter Luis de Gongora (1561-1627), de twee laatste verzen van zijn gedicht “A la memoria de la muerte y el infierno” – Gedachtenis aan dood en hel – :
“Con la muerte libraros de la muerte,
Y el infierno vencer con el infierno.”
‘Met de dood zich bevrijden van de dood,
En de hel overwinnen met de hel.’

(in het licht van de door de krijgsauditeur gevraagde doodstraf voor Nand een voor hem erg herkenbaar citaat…)

(ook hier in het blauw de citaten die Nand overschreef)

CAPACITÉ NEGATIVE !

(p. 215) Une lettre de Keats du 22 décembre 1817,
adressée à ses deux frères, contient un passage maintes fois commenté par la critique anglaise, sans qu’on en ait fait valoir, à ce qui nous semble, tout le sens esthétique et historique. Le poète raconte qu’il a eu une discussion avec son ami Dilke sur la question de savoir quelle est la
qualité maîtresse
parmi celles qui contribuent à former un grand homme de lettres,
[qui forme] un grand poète.
Cette qualité, que Shakespeare, dit-il, possédait
(p. 216) au plus haut degré, il l’appelle – en soulignant par des majuscules son importance —
Negative Capability,
Capacité Négative, et la définit comme
le pouvoir de “rester dans l’incertitude, le mystère, le doute, sans recourir impatiemment aux faits et aux raisons
”.

(p. 217) La Capacité Négative est le don de rester fidèle à une certitude intuitive que le raisonnement rejette et que le bon sens n’admet point ; de conserver un mode de penser qui ne peut que sembler déraisonnable et illogique du point de vue de la raison et de la logique, mais qui d’un point de vue plus approfondi pourrait se révéler comme supérieur à la raison et transcendant la logique de la pensée conceptuelle.
Pour le poète, pour l’artiste, ce don est plus essentiel et primitif que tout ce qu’on peut appeler sentiment du beau, que tout ce qui a trait à la Beauté en tant qu’idée abstraite incapable de contenir sa contradiction. Avant de savoir choisir, avant d’être pourvu de goût, de discernement esthétique, du sens de l’harmonie,
l’artiste doit pouvoir contempler l’univers et chacune de ses parties, non pas à un état de différenciation, de désintégration analytique, mais dans l’unité première de l’être, où le complexe ne détruit point le simple, où le simple, en l’intégrant, préserve le complexe.

(p. 218) Rien de plus positif, en réalité, que la Capacité Négative.
En faire usage, ce n’est pas “se contenter d’une demi-connaissance”, c’est connaître des vérités qui sans elle resteraient inconnaissables. Il ne fait aucun doute qu’elle doit compatible avec un niveau très élevé de pensée abstraite.

(p. 221) Envisagée sous son aspect positif, la Capacité de Keats n’est autre que le don de voir le côté miraculeux des choses.

(p. 222) Désormais le poète, l’artiste — c’est ce qu’avait compris Keats – devait s’efforcer avant tout d’acquérir le pouvoir de vivre dans ce monde miraculeux, de respirer son air, car l’art et la poésie ne pouvaient qu’étouffer dans celui du progrès et de la raison pure.


Vertaling (met hulpvan Google Translate, dus soms wat letterlijk…):

(p. 215) Een brief van Keats van 22 december 1817, gericht aan zijn twee broers, bevat een passage die door Engelse critici vaak zonder argumentatie is becommentarieerd, zonder, zo lijkt ons, de nadruk te hebben gelegd op de esthetische en historische waarde ervan. De dichter vertelt dat hij een discussie had met zijn vriend Dilke over de vraag wat
de belangrijkste eigenschap
zou moeten zijn die iemand tot een ​​groot literator maakt,
een groot dichter.
Deze kwaliteit, die Shakespeare, zegt hij, in de hoogste graad bezat, noemt hij -(nvdr: nadrukkelijk in hoofdletters om het belang te onderstrepen)–
“Negative Capability” (‘negatief vermogen’), en definieert dit als
de kracht om “te verkeren in onzekerheden, mysteriën, twijfels zonder enig geprikkeld reiken naar feit en rede
”.

(p. 217) ‘Negatief vermogen’ is de gave om trouw te blijven aan een intuïtieve zekerheid die redenering verwerpt en gezond verstand niet toegeeft; een manier van denken te handhaven die alleen vanuit het oogpunt van rede en logica alleen onredelijk en onlogisch kan lijken, maar die vanuit een meer diepgaand standpunt superieur zou kunnen blijken te zijn aan de rede en de logica van conceptueel denken.
Voor de dichter, voor de kunstenaar, is dit geschenk essentiëler en primitiever dan alles wat een gevoel van schoonheid kan worden genoemd, dan alles dat betrekking heeft op schoonheid als een abstract idee dat niet in staat is haar tegenstrijdigheid te bevatten. Voordat hij weet hoe hij moet kiezen, voordat hij wordt voorzien van smaak, van esthetisch onderscheidingsvermogen, van een gevoel van harmonie,
moet de kunstenaar in staat zijn om het universum en elk van zijn delen te overdenken, niet in een staat van differentiatie, van analytische desintegratie, maar in de primaire eenheid van het zijn, waar het complex het simpele niet vernietigt, maar waar het simpele, door het te integreren, het complex behoudt.

(p. 218) Niets positiever, in werkelijkheid, dan “negative capacity”.
Het gebruiken ervan is niet ‘tevreden zijn met halve kennis’, het is om waarheden te kennen die zonder dit onkenbaar zouden blijven. Het lijdt geen twijfel dat dit compatibel moet zijn met een zeer hoog niveau van abstract denken.

(p. 221) Gezien in zijn positieve aspect is Keats’ Ability niets anders dan de gave om de wonderbaarlijke kant van de dingen te zien.

(p. 222) Voortaan moest de dichter, de kunstenaar – zo begreep Keats – er vooral naar streven om de kracht te verwerven om in deze wonderbaarlijke wereld te leven, om zijn lucht in te ademen, omdat kunst en poëzie niets anders konden dan verstikken in die van vooruitgang en zuivere rede.


Zie ook Wikipedia voor meer over “Negative Capability” (Engels): “Negative capability was a phrase first used by Romantic poet John Keats in 1817 to characterize the capacity of the greatest writers (particularly Shakespeare) to pursue a vision of artistic beauty even when it leads them into intellectual confusion and uncertainty, as opposed to a preference for philosophical certainty over artistic beauty. The term has been used by poets and philosophers to describe the ability of the individual to perceive, think, and operate beyond any presupposition of a predetermined capacity of the human being.”

De volledige brief kan je hier vinden, hij was gericht aan zijn beide broers, George en Tom Keats (22-12-1818). Er valt op te merken dat dit één van de brieven is waarvan geen origineel manuscript is teruggevonden en enkel bestaat in een transcriptie van John Jeffrey (de tweede echtgenoot van Georgiana Wylie Keats die getrouwd was met de broer van John Keats, George), hetgeen de interpretatie van wat Keats juist bedoelde er niet op vergemakkelijkt. Het fragment:

 “I had not a dispute but a disquisition with Dilke, on various subjects; several things dovetailed in my mind, & at once it struck me, what quality went to form a Man of Achievement especially in Literature & which Shakespeare possessed so enormously—I mean Negative Capability, that is when man is capable of being in uncertainties, mysteries, doubts, without any irritable reaching after fact & reason—Coleridge, for instance, would let go by a fine isolated verisimilitude caught from the Penetralium of mystery, from being incapable of remaining content with half knowledge. This pursued through Volumes would perhaps take us no further than this, that with a great poet the sense of Beauty overcomes every other consideration, or rather obliterates all consideration.”

In Het Algemeen Letterkundig Lexicon (2012) staat het zo (via Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren):

“Etym: Eng. negatief vermogen:
Term die de Engelse romantische dichter John Keats een enkele keer gebruikt zou hebben (in een brief van 21 december 1817 gericht aan zijn broers), maar die een enorme weerklank heeft gehad in de literaire kritiek. Keats bedoelt er het vermogen mee (‘capability’) om niet steeds op zoek te willen gaan naar feitelijke en rationele zekerheden (‘negative’). Alleen wie deze negatieve capability bezit, kan ontvankelijk zijn voor de complexiteit, tegenstellingen, twijfels en mysteries van het bestaan. Shakespeare bezat dit vermogen ‘enormously’ volgens Keats. Door het concept gaf Keats zowel aan de wereld als aan het individu een diepte en complexiteit die niet in vaste, gesloten en rationele categorieën te bevatten is, wat ruimte creëerde voor de verbeelding en het esthetische. Het nam daardoor een bijzondere plaats in in het discours van de romantiek, vooral in Engeland.”


Een bijzondere toevalligheid…

Toen ik in het boek op zoek ging naar de citaten die Nand overschreef bemerkte ik bij nader toekijken dat sommige ervan in dit boek ook onderstreept waren. Waarschijnlijk in potlood, en later uitgegomd, maar de afdrukken waren nog duidelijk zichtbaar, bv hier (p. 58):

Op sommige plaatsen in het boek zijn nog andere fragmenten ooit onderstreept geweest, maar die zijn niet door Nand weerhouden. Uit nieuwsgierigheid nam ik contact op met het antiquariaat, maar zij hadden geen idee waar het exemplaar juist vandaan kwam. Het boek maakte deel uit van een reeks, en dit was hun laatste exemplaar.
Heeft Nand dit exemplaar ooit in handen gehad? We zullen het nooit weten, maar het is wel een opwindende gedachte.

1948-1949 Nand: “Sebastiaan aan den staak”

Nooit gepubliceerd manuscript van een dichtbundel van Nand met mooie pentekeningen, ieder handgeschreven gedicht begint met een kunstig ontworpen kapitaal die de inhoud van het gedicht illustreert. Een monnikenwerk. Alle gedichten verschenen later in gedrukte versie in andere bundels.
Ontworpen in de gevangenis van Merksplas, 1948-1949 en verzameld uit het “Poëtisch Celdagboek“, de symboliek en thematiek verwoorden de penibele situatie waarin Nand zich bevindt.
De bundel moest verschijnen onder het pseudoniem “Albert B(r)aecke”, omdat Nand niet onder zijn naam mocht publiceren. Nands vader had zorgvuldig één en ander genoteerd wat zijn zoon hem had opgedragen (zie voorpagina)
De voorpagina met drukletters is door mezelf samengesteld.

“Sebastiaan aan den staak”

 

Een andere dichtbundel uit dezelfde periode met ‘versjes voor kinderen’ in manuscript:

Het Houten Zwaard

1948-2022 Nand: “Gevangeniskerkhof Merksplas”

Bezoek 2022 en voorlezing “Gevangeniskerkhof te Merksplas”, gedicht aldaar geschreven door Nand op woensdag 24 maart 1948 in gevangenschap:

Zacht wekt de koele wind de spitse sparrebomen
die, lauw van heidegeur, meewarig zuchtend wuiven;
’t bleek-blauw blazoen der kim met witte wolkenkuiven
heft, vlekloos boven ’t groen, zijn zilvergrijze zomen.

De grond is geluw zand, en geluw zand de paden,
dor wervelt eikenloof in fluisterende kringen;
‘k hoor over ’t ijle land den specht zijn lachlied zingen;
fazanten fonklen plots in ranke goudgewaden.

Bemost en molm-verteerd staan star-gerijde kruisen:
hout, zonder terp noch naam, in naakten grond te hope;
zinken schuin in ’t zand, zij liggen groen op hopen
als dorrend sprokkelhout waar dennenpalmen ruisen.

Wien bergt het norse zand met zijn benard stilzwijgen?
Wie boet hier in den dood zijn onbezonnen zonden?
Burger en boef, ’t dient al tot maal van stomme monden,
zij azen niet op schuld als zij ten maaltijd tijgen.

Doden, welk deemstrend lot heeft U ten doem gedreven?
Wat anders dan het hart waar rode driften draven?
En nu gij aarde werdt waar blinde maden graven,
hoe zou de mens den mens zijn dolen niet vergeven?

Gij hebt mijn hart, een hart geschapen om te falen,
’t hart dat uw hart begrijpt, door eendren drang bevolen,
dat dolensmoede pijnt, en haakt om voort te dolen,
dat zoekt, van rouwmoed murw, nog op zijn nood te pralen…

Hier is de stilte vroom, en tijdloos ingetogen:
+gij sluimert aan God’s hart, beveiligd voor ’t misleiden,
voor hartstocht en den dood dien wij in ’t harte lijden,
voor angst, en haat, en hoop die noodloos wordt belogen.

Lig ik, uw lotgenoot, eens zalig aan uw zijde
in ’t geluw heidezand waar lauwe sparren wuiven,
waar giert de groene specht en zilvren wolken schuiven,
waar bleek de Heiland hangt in moedig medelijden?

o Stof te zijn en stom in smartenvrij vergeten!…
Hoe nu, gij staart mij aan met worm-verknaagde ogen,
uw lippenloze mond grijnst grof en zonder logen,
uw wang is bars doorboord, uw hand tot ’t been vervreten…

Daar gaapt, daar gaapt een put, een open muil van aarde,
vierhoekig opgesperd om gulzig te verslinden;
een walm van klam bederf besmeurt de voorjaarswinden
die krijsen, plots en schril, in ’t groen der dodengaarde.

Ik huiver ор den rand in radeloos benauwen:
neen! niet in ’t riekend zand bij krielenszieke maden!
En ‘k sluip voorbij den kuil langs sluikse schemerpaden,
daar achter ’t sparrengroen de zuivere einders blauwen.

Ik lijd, ik leef! Ik ken den weemoed van ’t verblijden.
Ik zing des levens doem, niet ’t vunzig bed der doden!
Heil, wolkenzilver in ’t azuren schild der goden:
gun mij de dure gunst vervoerd te mogen lijden…

Manuscript, laatste strofe.

Het was voor Nand, tijdens zijn  bijna dagelijkse wandelingen door het “domein” de uitgelezen plaats om te mijmeren over leven en dood. Later zou hij dit gedicht opnemen in de bundel “De Gouden Helm” (1955), maar met een andere titel: “Op een dorpskerkhof”, om begrijpelijke redenen.

Daarna maakte ik een ‘rondrit’ langs de gevangenis:

1948 Nand en Sim: Akten van beschuldiging

Overzicht van de akten van beschuldiging voor Nand en Sim (1946-1948).

Voor beiden, net als voor alle andere beschuldigden die zich na de Tweede Wereldoorlog moesten verantwoorden voor hun houding tijdens de bezetting in België (1940-1944) werd een strafwetartikel door de Belgische regering in ballingschap (Londen) aangepast.

Luc Huysse & Steven Dhondt schrijven hierover het volgende (in “Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België, 1942-1952)”):

“Verreweg de belangrijkste datum in de geschiedenis van de Londense repressiewetten is 17 december 1942. Die dag ondertekenden de ministers Pierlot, Spaak, Gutt en Delfosse een besluitwet die de repressie een beslissende wending zal geven. De nieuwe bepalingen verruimen op drastische wijze de reikwijdte van de strafwetten die op de collaborateurs betrekking hebben. Een eerste uitbreiding treft de politieke medestanders van de bezetter. Art. 118bis swb voorzag al sinds de Eerste Wereldoorlog straffen voor wie ‘…aan het vervormen door den vijand van wettelijke instellingen of inrichtingen heeft deelgenomen, de trouw der burgers jegens Koning en Staat, in oorlogstijd, aan het wankelen heeft gebracht, of ‘s vijands politiek of oogmerken heeft gediend.’ Nu wordt daaraan toegevoegd dat voortaan, dit wil zeggen vanaf december 1942, ook het voeren en uitlokken of helpen van propaganda gericht tegen de weerstand en het aanzetten tot politieke medewerking met de vijand strafbaar zal zijn. De tweede ingreep ligt in de vervanging van een paar woorden in de omschrijving van politieke collaboratie en van verklikking. Vroeger diende de rechter te bewijzen dat het delict met ‘kwaad opzet’ was gepleegd, dat het echt in de bedoeling van de beklaagde lag de vijand te helpen. Van nu af aan zou het volstaan aan te tonen dat de betichte ‘wetens’ had gehandeld, dat hij besefte dat zijn gedrag voor België of voor landgenoten risico’s inhield. Daardoor werd de schulddrempel gevoelig verlaagd. Ook de strafmaat werd aangepast: op politieke hulp aan de bezetter stond nu, net zoals in het geval van economische en militaire collaboratie, de doodstraf en ook de tarieven voor verklikking gingen de hoogte in. Al deze wijzigingen hadden geen retroactieve werking: zij raakten alleen de collaboratie van na 17 december 1942.”

De algemene beschuldiging luidt dan als volgt:

In (plaatsbepaling) en elders in België:

1° Tusschen 10.5.40 en 29.1.43 met kwaad opzet ‘s vijands politiek gediend

2° Tusschen 28.1.43 en 6.9.44 wetens ‘s vijands politiek gediend

‘X heeft (tijdsbepaling) deelgenomen aan het vervormen door den vijand van wettelijke instellingen of inrichtingen, heeft de trouw der burgers jegens Koning en Staat, in oorlogstijd, aan het wankelen gebracht, of heeft ‘s vijands politiek of oogmerken gediend.’

Specifieke beschuldigingen:

Voor Sim:

+ lidmaatschap van de Dietsche Meisjesscharen (1941/1942) en functie daarin als gouwleidster gewest Leuven;

+ dragen van uniform DMS;

+ begeleiding kinderen op vakantiekamp in Duitsland (augustus 1942). Zie hiervoor “Kinderlandverschickung in België 1940-1945, Deel IV

Vonnis: 3 jaar hechtenis, in beroep verminderd tot anderhalf jaar, volledig uitgezeten in twee periodes: voorhechtenis 5 maanden (Gevangenis Leuven Centraal), en 12 maanden hechtenis later (Gevangenis Vorst). Zie uitgebreid op deze pagina.

Voor Nand:

(eerste akte van beschuldiging door de auditeur Willy Calewaert)

“Gij zijt beticht van te Antwerpen rechterlijk arrondissement en elders in Belgie namelijk te Gistel, te Brussel en/of buiten het grondgebied van het Koninkrijk tusschen Juni 1940 en September 1944, als medewerker aan verschillende dichtbundels, medewerker aan Volk en Staat, medewerker aan De Vlag, medewerker aan Kultuurdienst, medewerker aan de S.S. Man, medewerker aan Volkskamp, medewerker aan de Nationaal Socialist, schrijver van het werkje “Ik was in Katyn”, medewerker aan Wille und macht, medewerker aan het N.I.R., Lid van De Vlag en V.N.V., schrijver van het werk Onze Adelbrieven, aan de vijanden van den staat hulp verschaft te hebben in soldaten, mannen, geld, levensmiddelen, wapens of munitie, hetzij het misdrijf gepleegd werd tegen België, hetzij het gepleegd werd tegen de bondgenooten van België, handelende tegen den gemeenschappelijken vijand, hetzij het gepleegd werd tegen een staat, die, zelfs afgezien van een verdrag van bondgenootschap, oorlog voert tegen een staat waarmede België zelf in oorlog is, met de omstandigheid dat het misdrijf begaan werd uit winstbejag en om het misdrijf uitgevoerd of aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben.”

Opmerkingen:

Men heeft Nand uiteindelijk enkel de artikels ten laste gelegd die in kranten en/of tijdschriften van zijn hand verschenen waren, niet voor zijn werk als kunstenaar, d.w.z. bijvoorbeeld niet voor zijn dichtbundels noch ander creatief persoonlijk werk. Dat zou moeilijk geweest zijn om hard te maken.
De beschuldiging voor zijn aanwezigheid in Katyn woog ook zwaar door, pas veel later werd duidelijk dat het inderdaad de Russen waren (Stalin en Beria) die de opdracht tot de massaslachting gaven.

De beschuldiging van “soldaten, munitie, etc.” geleverd te hebben werd ook niet weerhouden, evenals de bewering dat alles gebeurde ‘uit winstbejag”.
Er was één belangrijke verzachtende omstandigheid te lezen in het vonnis en die luidde als volgt:

“Voor Vercnocke Fernandus (sub 21): uit zijn zelfstandige evolutie en vooral gedurende zijn werkzaamheid op het N.I.R., in de zin van een opstand tegen een algehele verknechting aan het Nazisme”.

Vonnis: 12 jaar hechtenis, in beroep verminderd tot 10 jaar. Vrij onder voorwaarden na 5 jaar, eerherstel in 1964. Voor de verschillende hechtenisplaatsen zie uitgebreid op deze pagina.

Voorpagina van de “Volksgazet” na de uitspraak in eerste aanleg, 31 januari 1946. Deze krant was extra kritisch en besteedde heel wat aandacht aan het proces omdat de krant “Volk en Staat” werd gedrukt op haar drukpersen die door de Duitsers tijdens de oorlog in beslag waren genomen. Ondanks die aandacht wordt de familienaam van Nand gedurende het hele proces verkeerd gespeld.

1947 Sim: “Haar mooiste Kerstfeest”

Dit Kerstverhaal schreef Sim in de gevangenis te Vorst. Het werd gepubliceerd in het Kerstnummer 1947 van het tijdschrift “Klein Kasteel”, waarin van Sim ook al enkele gedichten waren opgenomen. Dit tijdschrift was een “Maandblad van het interneringscentrum Klein Kasteel”, dat in verschillende interneringscentra werd verspreid en samengesteld was door de geïnterneerden, onder toezicht (en censuur) van de gevangeniscentra en het Ministerie van Justitie.

Sim wist in haar tekst de censuur te omzeilen door niet expliciet te verwijzen naar de toestand in de gevangenissen toen, maar het toch te hebben over wat een vrijheidsberoving teweeg brengt, zeker tijdens de Kersttijd. Het zal enkel voor familie en vrienden duidelijk geweest zijn dat Sim het wel degelijk had over de gebeurtenissen van de voorbije tijd. Het personage “Dis” uit haar verhaal is immers bijna letterlijk gebaseerd op haar broer Bert. De vertelling ademt de heimwee naar de tijd in vrijheid en de herinneringen aan de sterke familieband en de moederliefde. Verder zijn er ook nog verwijzingen naar wat “het Vlaamse volk” is aangedaan. Dat dit de censuur passeerde is opmerkelijk. Of bv het zinnetje: “Toen hij in September 1944 aangehouden werd, dacht ze dat het een vergissing was”.
Maar in verhalen als deze in dit tijdsgewricht  worden op subtiele wijze vaak hints binnengesmokkeld, zoals de voornaam “Dis”, die een afkorting (of verbastering) is van het Latijnse “Desideratus/Desiderius” wat “verlangen” of “vol van verlangen” betekent, in dit geval: het verlangen naar vrijheid.

Er is geen manuscript bewaard, enkel een typoscript (in drie doorslagen). Of Sim het verhaal onmiddellijk op de schrijfmachine schreef is onduidelijk. Wel zijn er hier en daar geschreven verbeteringen van haar hand in de tekst.

Fragment uit het typoscript van de tekst, eerste bladzijde, met een verbetering onderaan (“vermogen te onwaren” wordt “kunnen vatten”, vreemd genoeg werd deze wijziging niet aangepast in de tekst die verscheen in het maandblad, andere wijzigingen wel, bv. de invoeging van “hoop”, ook de titel veranderde, van “Haar kerstavond” naar “Haar mooiste Kerstfeest”):

De eerste en de laatste bladzijde zoals afgedrukt in het maandblad. Onderaan de vermelding: “Gev. Vorst, afd. vrouwen”, daaronder voegde Sim haar naam toe in potlood:

HAAR MOOISTE KERSTFEEST

ZE had het oude kreupele kerststalleke zoals ieder jaar op de kast gezet; elk jaar verweerden de figuurtjes wat meer, gelijk zij zelve stilaan verouderde, ze voelde het aan het beven van haar handen. Het vermolmde kribbeke wankelde, ze had het ietwat onbeholpen uit de handen laten glippen, kijk, zo stond het vast op een dubbel gevouwd papiertje. Het dromerige Lieve Vrouwke en de bezorgde Sint Jozef knielden weer devoot, misschien ook wat meer gebogen sedert het vorige jaar, tussen de schamele herderkens. Voor het tafereel stonden de kaarsjes, rood en groen. Toen ze haar werkje bekeek werd ze weer bewogen en haar ogen vochtig. Bij de nietigste gebeurtenissen in haar drentelleven schoten die ogen vol tranen. Daaraan vermoedde ze ook hoe haar weerstand geleidelijk verminderde.

Toen het leven hard sloeg had ze nochtans haar leed niet uitgeschreeuwd; de mensen zegden: een kranige vrouw en van een taai geslacht! Neen, ze had niet luide gejammerd wanneer de bittere oorlog haar weduwe maakte en de zware zorgen om haar kleine jongen had ze aanvaard in ruil voor een vroeg-oud zijn.

Haar kleine jongen… ze fluisterde zijn naam naast het kerststalleke, waar zijn beeld de kleine doening van haar dagen overschouwde. Ze sprak voor zich uit, de laatste tijd gebeurde het dikwijls dat ze luide in haar eenzaamheid praatte, vooral als zijn brieven, om de veertien dagen geregeld toekwamen. Dan beantwoordde ze zijn vragen bij het beeld en glimlachte ; toen hij herhaaldelijk de laatste keren zijn terugkomst meldde, was haar hoop samengebald op dit Kerstfeest. “Met Kerstmis ben ik thuis… en wat het worden zal, o moeke…”.  Hij schreef over de voorwaardelijke in vrijheidstelling, Wet Lejeune, maar van al zijn uitweidingen over die administratieve werkingen bleef die ene belofte in haar uitgroeien : Met Kerstmis zou hij komen. Het was alsof ze voor een tweede maal haar jongen onder het hart droeg, zo innig voelde ze zijn bijzijn in de belofte van terugkeer, ja, hij zou herboren worden, een nieuwe geboorte voor hen beiden, na al de doorstane weeën en de pijnlijke tijd der verwachting.

“Ge zult het zien, moeke, dit wordt ons Kerstfeest, we vieren het eindelijk weer samen, want lang kan dit alles niet meer duren, dan maakt uw jongen het u dubbel goed. Ik weet hoe eenzaam uw leven was en die bekommernis om mij. Als ik aan uw trouwe en opofferende liefde denk, word ik beschaamd om het besef hoe weinig ik u kan weergeven en wat gij steeds trotseerde om uw kind. Of vindt de liefde slechts voldoening in het offer? Toen ge de lange lastige reis naar uw gevangen jongen ondernaamt en ik u van ver ontwaren kon tussen alle andere mensen uit, toen ik u hunkerend voor de omheiningsdraad zag staan, geduldig wachtend naar het bezoek, heb ik wel gans kunnen omvatten wat uw, door het leed zo fijngevoelig moederhart, glimlachend heeft aanvaard? Ik weet het niet en zal ik het ooit ten volle kunnen begrijpen? Ik zag de zorgentrek om uw fijne mond en de te vroege rimpels in je teer gelaat. Dit weet ik, niemand heeft zo’n moeke als het mijne. Gij voedde in mij naast uw beeld de herinnering van vaderke. Ik geloof dat het uw diep geluk is zijn beeld in mij zelve te ontwaren. In uw liefde heb ik het gemis nooit kunnen vatten. Boven het verwijt der mensen heen groeide het vertrouwen naar uw kind. Dat ik nooit uw vertrouwen moge schenden, moeder, is mijn bede.
Ach moeder, dit te kunnen zeggen ver van u… Ik volg uw doening in ons huizeke en als de engheid mij te machtig wordt, als de zon spettert over de Limburgse heide en de wolken uitdagend wentelen over deze dagen, dan breng ik blijde bijna dit offer om het besef dat ik in de eenzaamheid de schonere waarde mocht bepalen der eenvoudigste dingen, de waarden die we reeds lang aanvaarden, omdat ze ons lief waren, groeven hun bedding dieper uit in onze geest. Moederke, als ik tegen Kerstmis terugkeer, wordt het een nieuwe geboorte in ons huizeke, waarover de goede engel waakt… dan maak ik alles weer goed…”

Ze moest lachen om dit « goed maken ». Wat moest ze hem vergeven ? het was haar kind.

Dit was, sedert zijn heengaan, de derde keer dat de dagen naar Kerstmis heen weifelden. Ze weifelden ja, waren ze niet voldragen met zoveel herinneringen en verlangens van alle rustelozen, eenzamen van huis en ook van hen die in de kerstavonden de kerenden verbeiden? Zovelen zouden vruchteloos wachten. Maar wie gelooft niet aan de blijde levensboodschap of het wonder in het sprookje? Dit kindzijn hebben we wel nooit verleerd.

De stoomfluit gilde over de velden in ’n sliert van witte uitschietende dampen, ze gaven zich vlug verloren in de adem der sterke vrieslucht, waarin het huizeke lag, onbeduidend aan de rand van het deftige dorp. De middaghemel lag klaar open tegen het vergezicht, waardoor het hijgende hortende stoomtrammetje een haperend- schokkende lijn naar het dorp trok.

“Ne groene Kerstmis… ne witte Pasen” mijmerde de stem voor het raam. Groen gelijk de rillende grassprietjes, groen gelijk het kaarsje voor het kerststalleke, groen gelijk Dis’ briefomslag, groen gelijk de hoop, de verwachting ja, ze had steeds graag een sneeuwkerstmis gewenst vol stemmige innigheid, maar nu was ie groter van betekenis.

Na een paar minuten zouden de mensen voorbijkomen over de harde steenweg. Ze hoorde van verre de komende stappen kletterend over de kasseien. Eerst het huppelend jong studenten volkske met rode neuzen en stijfuitstekende haarklissen onder hun petten, daarachter volgden met groter gemeten stappen het werkvolk, de handen diep in hun rafeljassen en tegen hun lijven de zwarte versleten maletten. Ze gingen in vlugger bewegingen, verlangend naar de rode warmte hunner leuvense stoven en naar de innigheid van de nakende Kerstavond.

Tussen die groep was Dis ook vroeger naar huis gekomen, dan had hij van verre zijn moeke reeds ontdekt achter het raam. Die tijd… toen hij stoeiend uit de dorpsschool aankwam, wanneer hij voor de eerste keer uit het college haar tegemoet kwam gelopen. Ze moest diep ademen voor dit stil geluk, haar jongen zou geen zorgenkommer kennen, geen slaafs wroeten. Hij moest iets worden. Meneer Pastoor had haar in die droom geholpen, toen hij zegde dat Dis voortstuderen moest. De studiebeurs die hij verkregen had en haar karig pensioentje hadden schril afgestoken legen de werkelijke onkosten, maar ze had dapper gewoekerd met het werk harer handen en alle leed had ze gedragen in haar lichaam en ook in haar geest, de afgunst der simpele menskes die haar in haar droom benijden. In de eenzaamheid van haar afgetrokken leven was ze naar de herinnering gegroeid en naar het kind dat er de bloei van was.
En die late Octoberavond keerde hij weer met zijn wijnrode pet gelijk de kleur van de slingerende wingerd om het raam. Ze was zo fier geweest om haar grote student. Hij had haar in zijn sterke armen genomen en uitgelaten hadden ze in het stille keukentje een waaiende wals gemaakt, dat de stoelen er verwonderd schuins van helden en de oude kast verloren in haar voegen kraakte.

En al die avonden bij de schemerlamp had ze naar hem opgekeken, zijn blonde hoofd gebogen over geleerde cursussen en werkplannen.

Dat was haar schoonste tijd …

Ze herinnerde zich die eerste meiavond voor O. L. H. Hemelvaart als de studentenbedevaart uit de hogeschoolstad naar Scherpenheuvel trok in luidruchtige slierten door het kalme dorp. Dis was komen aanlaveren tegen middernacht met zijn kameraden. Nooit had het keukentje zoveel leven gezien. Dis had lachend achter haar gestaan en met bei zijn forse handen om haar armen gezegd: “Dat is nu mijn moeke…”. Ze was even bedeesd geweest om al die onbekende gezichten, maar ze noemden haar allen “Moeke”. Hun petten lagen gemoedelijk tegen de stoelen en hun wandelknuppels hingen aan hun lussen onschuldig aan de leuningen. En “Moeke” zette dampende koffie dat ’t huizeke ervan geurde. Toen hief dat studentenvolk het clublied aan en bij het refrein … “Vivat Hagelandi-a-a-a…” dreunden de ruiten en rilde de glazen stolp om het reikende H. Hartbeeld.

Toen stond Dis langzaam recht. Ze zag een rood leeuwtje klauwen op de vergulde grond van een breed schouderlint, de kameraden droegen eveneens een smaller witgestreept klublint. Dis had het haar uitgelegd. Ze wist dat hij aan ’t hoofd stond van de groep, “Praeses” noemden z’n kameraden hem. Weer moest ze diep ademhalen om dat stil geluk. Hij sprak nu met trage volle stem. Zo had ze hem nog niet gekend… die stem… rustig klonk ze uit over de luisterende hoofden … Ze beefde van ingehouden ontroering … er woei een tere seringengeur binnen door ’t half geloken raam… die stem … en langzaam groeide ’t beeld van zijn vader naast hem. Hij sprak over z’n land, zijn streek en zijn huis, over zijn vader die hij niet gekend had en die met zijn gesneuvelde kameraden voor vrede en verzoening door recht, onder de gekruiste bee van de IJzertoren rustte. Hij sprak over een vredesboodschap in de troebele tijd, over de plaats die dit volk veroveren moest, over zijn ontvoogding. Hij sprak, o, er was veel dat ze niet begrepen had, maar schoon was het, dat voelde ze, het lag in de gloedglans van zijn blauwe ogen.

En toen hij nadruk legde op de grondslag van zijn vertrouwen in dit volk, namelijk de traditie van zijn diep geloof, sprak hij over de betekenis der bedevaart. De reine Maagd zou hun patrones zijn in het beeld van Onze Lieve Vrouwke van Scherpenheuvel en hun patroon, om de trouw te belijden aan de Hagelandse stam, de Sint Jan Berchmansfiguur.

Ze waren daarop de heldere meinacht ingetrokken die vol hing van verwachting en nachtelijke bloei. Ze was hen gevolgd op het kleine wegeltje tot aan de straatweg, toen ze langzaam keerde, hoorde zij in de echo van het Broekbos, de stemmen naklinken, ze galmden uit boven het veie rustige Hageland om uit te sterven in de bee:

“Liefste Lieve Vrouw van Vlaanderen …” het was de bee die opsteeg voor ’t bedreigde land.

In de grote panische terugtocht voor het oprukkend wapengeweld, was Dis plichtgetrouw met zijn kameraden naar Frankrijk uitgeweken. Na een paar weken echter keerde hij terug in het bezette land, waar de werkelijke oorlog pas begon, waar hij tragisch rukte tot in de kleinste hoeken van het Hageland – onbarmhartig – en ook de geesten werden ontredderd.

In het huizeke was er niet veel van aanschijn veranderd. Dis werd licentiaat en bereidde zijn thesis voor. Telkens keerde hij ’s avonds nog weer tot plots de eerste scheiding viel. Hij vertrok naar het hartje van Thüringen, naar een vreemde universiteitsstad, hij zou er zijn thesis afwerken met de aangeboden studiebeurs die hij overmoedig aanvaard had.

Toen moeder hem in de frisse herfstavond tot bij de nachttrein vergezeld had, voelde ze een vreemde pijn, die ze moeilijk bepalen kon. Bij haar thuiskomst leek het huizeke zo kil, alsof de volle winter zich reeds in alle hoeken had genesteld. Ze rilde, dit leek de rust niet die ze gewoonlijk in haar eenzaamheid vond.

Wat Dis in Thüringen precies gedaan had, wist ze niet. Ze had het hem ook nooit gevraagd.

Toen hij in September 1944 aangehouden werd, dacht ze dat het een vergissing was.

Nu mijmerden haar ogen om het beeld dat hij komen kon zoals vroeger. Nu het Kerstavond werd, keerden de mensen vlugger naar huis, nu werden de handen stilgelegd en elke wrok werd minder scherp, zelfs de haat ging sluimeren in deze nacht, opdat het kindeke niet schrikken zou, in de vrede boodschap. Nu rezen de herinneringen aan de tijd dat ze zelf nog kind was en de ogenblikken van klaar geluk.

Haar trage handen beefden om het visioen dat hij komen zou. Elk beeld van haar jongen kreeg gestalte voor haar geest. Was het O.L.Heer die haar sloeg om de te grote dromen die ze, schamel als ze was, had durven uitbouwen omdat Dis de grond was ontgroeid, zijn eenvoud en de engheid van het dorp? Was het Zijn alwijze hand die haar jongen geleid had tot dit mijnwerkersbestaan, opdat hij de edele schoonheid van het handwerk zou begrijpen?

Ze keek naar het stalleke en de scheefkijkende herderkens, ze waren ook tot het kerstekindje gekomen in hun schamelheid, ja, zelfs de eersten waren ze geweest. Ook zij was armer dan ooit te voren deze avond in haar naakte eenzaamheid…

De schemeravond viel onhoorbaar in de klaarte van de vriesnamiddag en gleed naar de avond der sterren,

Ze sluit de blinden.

Ze vouwt de handen in de schoot, ze kijkt naar de nukkig krinkelende vlammetjes van het rode en het groene kaarsje. Er bewegen dansende schaduwen in het stalleke… “Wees gegroet Maria, vol van gratie…”. Ver gilt de late stoomfluit over het dorp, een klank buitelt verloren tegen de sidderende blinden… “de Heer is met U, gebenedijd zijt gij boven alle vrouwen…” – dit is de laatste stoomtram in de avond, zal hij komen ?… “en gebenedijd is de vrucht uw lichaams Jesus…”.  Er klinken voetstappen op de straat, ze hoort het duidelijk… ze glijden af op het veldwegeltje doffer, trager, trager… “Heilige Maria…”. Ze vouwt haar handen op haar wild-kloppend hart… gluurt er iemand binnen door de blindenreten? Hij komt… Tarzan, de waakhond rukt aan zijn keten. Ze neemt alle indrukken op met half open mond… de deurklink beweegt. Ze zwijmelt recht… “Moeder Gods, bid voor ons…”. Ze steunt op de tafelrand en sluit de ogen… een gulp frisse lucht waait binnen.

Dis staat in de deuropening. Ze wil haar armen reiken… ze kan niet, ze glimlacht, maar haar mondhoeken beven. Plots is de keuken vol licht, het schiet in stralenbundels uit het stalleke, het zet Dis in een onwezenlijke gloed. Hij heeft z’n rode studentenpet op het hoofd en in de hand houdt hij een mijnwerkerslampje. Ze hoort zijn stem… “Moeder, met Kerstmis eindelijk thuis…”.

Ze wil antwoorden, maar er komt geen geluid over haar droge lippen, en naast haar stijgt een stem, ze herkent ze als de hare – bevend… “Nu wordt alles weer goed…”.

“Veel schoner nog. Moeder…”.

Plots wordt hij weer de kleine jongen, die zoals vroeger, in zijn kinderleed naar haar toekwam. Ze neemt z’n blonde jongenskop in haar magere rimpelhanden en geeft hem een kruisje.

Er glijdt een wondere warmte door haar en haar leed groeit naar intens geluk, machtig en leer.

En het visioen verdwijnt. Ze schiet wakker uit haar onrustige sluimering, daar staat het slalleke met de verweerde figuurtjes, de kaarsjes weifelen nog even. Ze glimlacht pijnlijk voor zich uit om het teer visioen dat ze niet vatten kan. Ze is klaar wakker nu en toch stijgt diezelfde stem in de avond, helder- verlangend.

Het is de stem die ze daar even in droom hoorde aanzwellen.

“De herderkens lagen bij nacht in de wei..”.

Het is het kerstlied dat hij als kleine jongen met zilveren stemmetje zong in de kerstnachtmis.

“ St Jozef vroeg binnen, wie staat er daar veur ?” —-  Ja, met nadruk smeekt deze vraag.

“Ze zeiden goê lieden doet open,
“Toen vonden z’een kind in een krib op stro,
“en dachten ‘t is Jesus voorwaar,
“vertelden wat d’ englen hun zeiden daarzo,
“ZALIG KER STEEST
“GELUKKIG NEUWJAAR!”

– Mijn jongen! — Moeder! Het was haar schoonste Kerstavond.

(Gev. Vorst, afd. vrouwen. 1947)